Commentaar op de lezingen van de 29e zondag door het Jaar 2026 (Jaar A) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 45: 1.4-6)

Koning Cyrus was een belangrijke koning van Perzië, die rond 539 v.Chr. het machtige rijk van de Babyloniërs wist te verslaan. Zijn naam wordt in de Bijbel geregeld ook geschreven als ‘Kores’. Koning Cyrus had een opmerkelijk politiek beleid. Hij wilde zijn nieuwe rijk niet met zoveel militaire onderdrukking en geweld leiden als de Babyloniërs dat hadden gedaan. Hij vaardigde daarom een decreet uit waarin hij de Joodse ballingen toestemming gaf om terug te keren naar hun land. Hij gaf hen de religieuze voorwerpen terug die de Babyloniërs uit de tempel van Jeruzalem geplunderde hadden en gaf de Joodse ballingen zelfs een aanzienlijk bedrag geld mee als aanzet om een nieuwe tempel in Jeruzalem te gaan bouwen. Deze Perzische koning Cyrus werd daarom door de Joodse ballingen ervaren als een verlosser. Zij zagen hem als iemand die zich door God liet leiden, zelfs al kende hij Jahweh, de God van Israël, niet persoonlijk.

Eerste lezing: Jesaja Jesaja 45: 1.4-6

Zo spreekt de Heer tot Cyrus, zijn gezalfde, die Hij bij zijn rechterhand heeft genomen om de volkeren voor hem neer te werpen, om koningen de gordels van de lenden te trekken, om deuren voor hem open te stoten en geen poort gesloten te laten: “Het was omwille van mijn dienaar Jakob en om Israël, mijn uitverkorene, dat Ik u bij uw naam heb geroepen en u een eretitel heb gegeven, alhoewel gij Mij niet kende. Ik ben de Heer, en niemand anders! Buiten Mij is er geen God. Ik heb u omgord zonder dat gij Mij kende, zodat allen het nu kunnen weten, die van het oosten en die van het westen: Ik ben de Heer, en niemand anders!”

Tussenzang:  Psalm 96

REFREIN: HULDIGT DE HEER OM ZIJN GLORIE EN MACHT.

1. Zingt voor de Heer een nieuw gezang

zingt voor de Heer alle landen,

Meldt aan de naties Gods heerlijkheid,

Zijn wondere daden aan alle volken.

2. Want machtig en onvolprezen is Hij

en meer te duchten dan alle goden.

De goden der volken zijn maaksels van mensen,

maar Hij is de Schepper van het heelal.

3. Huldigt de Heer, alle stammen en volken,

huldigt de Heer om Zijn glorie en macht.

Huldigt de Heer om de roem van Zijn naam,

brengt Hem Uw offer en treedt in Zijn voorhof

Achtergrond van de tweede lezing (1 Tessalonizensen 1: 1-5)

De brief van Paulus aan de christenen in Tessalonica is waarschijnlijk zijn eerste brief en tevens het eerste boek van het Nieuwe Testament. Paulus en zijn metgezellen Silvanus (ook bekend als Silas) en Timoteüs, stichtten de kerk in de drukke, Griekse handelsstad Tessalonica. Dat was waarschijnlijk in het jaar 50 na Christus, dus ongeveer 20 jaar na de dood en opstanding van Jezus. Nadat Paulus, Silvanus en Timotheüs door enkele vooraanstaande Joden uit Tessalonica waren weggejaagd, zetten ze hun zendingsreis voort. Maar ze vergaten de nieuwe christenen in Tessalonica niet, die ernstige vervolging ondervonden vanwege hun nieuwe geloof. Zo schreef Paulus deze brief waarschijnlijk minder dan een jaar na de stichting van deze nieuwe kerkgemeenschap, om de christenen in zijn afwezigheid te ondersteunen en hen aan te sporen hun pas ontdekte geloof met vrijmoedigheid te blijven leven.

Tweede lezing: 1 Tessalonizensen 1: 1-5

Van Paulus, Silvánus en Timóteüs aan de christengemeente van Tessalonica, die is in God de Vader en de Heer Jezus Christus. Genade voor u en vrede! Wij zeggen God dank voor u allen, telkens wanneer wij uw naam noemen in onze gebeden. Onophoudelijk gedenken wij voor het aanschijn van God, onze Vader, uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus. Wij weten, broeders en zusters, dat God u liefheeft en dat gij door Hem zijt uitverkoren, want wij hebben u het evangelie verkondigd, niet alleen met woorden, maar met kracht en heilige Geest en volle overtuiging

Achtergrond van de evangelielezing:  (Matteüs 22: 15-21)

In het evangelie komen we de Farizeën tegen en de Herodianen. De Farizeeën waren een georganiseerde groep in de Joodse samenleving van toen, die bestond uit voornamelijk leken en priesters. De Farizeeën waren meestal bescheiden middenstanders, leefden erg orthodox, en trachtten de Torah, de Wet van Mozes, nauwgezet na te volgen. Maar schijnbaar waren er nogal wat Farizeeën die hierin waren doorschoten en daardoor hooghartig, gesloten en veroordelend waren geworden naar andere mede-Joden toe.

De Herodianen waren een andere groep. Zij waren aanhangers van koning Herodes. Zij waren een kleine rijke elite. De Herodianen waren pro-Rome omdat zij door goede relaties te onderhouden met de Romeinse bezetters, hun rijkdom steeds groter konden maken. Zij hadden daarom maar weinig sympathie voor het verlangen dat onder grote delen van de Joodse samenleving van die tijd leefde naar onafhankelijkheid en naar een einde aan de Romeinse overheersing.

Evangelie: Mt. 22, 15-21

In die tijd gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen. Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen op Hem af met de vraag: “Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; Gij stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen. Zeg ons daarom: Wat dunkt U, is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?” Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei: “Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars? Laat Mij de belastingmunt eens zien.” Zij hielden Hem een geldstuk voor. Hij vroeg hun: “Van wie is deze beeltenis en het opschrift?” Zij antwoordden: “Van de keizer.” Daarop sprak Hij tot hen: “Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.”

Overweging:

Stel dat iemand u vandaag op straat zou vragen: “Van wie bent u eigenlijk? Bij wie hoort u? Wie heeft het voor het zeggen in uw leven?” Wat zou u dan antwoorden? Misschien zegt u: “Ik ben Surinamer.” Misschien verwijst u naar uw familie, uw werk, uw cultuur of uw geloof. Al die dingen vertellen iets over wie wij zijn. Maar vandaag stelt Jezus ons een vraag die nog dieper gaat: Van wie is ons hart? Aan wie behoort ons leven?

In het evangelie proberen de Farizeeën en de Herodianen Jezus in de val te lokken. Ze vragen Hem of het geoorloofd is belasting te betalen aan de keizer. Het is een gevaarlijke vraag. Zegt Jezus ja, dan kan Hij door het volk worden beschuldigd van samenwerking met de Romeinse bezetter. Zegt Hij nee, dan kan Hij door Zijn vijanden als politieke oproerkraaier worden aangeklaagd.

Maar Jezus laat zich niet vangen. Hij vraagt om een munt en stelt vervolgens de beslissende vraag: “Van wie is deze afbeelding en het opschrift?” Ze antwoorden: “Van de keizer.” Dan zegt Hij: “Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat aan God toebehoort.”

Jezus antwoordt ook in deze situatie met een enorme wijsheid! Hij ontkent niet dat wij verantwoordelijkheden hebben in de samenleving. Wij moeten ons inzetten voor het algemeen welzijn, voor onderwijs een goede betaalbare gezondheidszorg, ook voor rechtvaardigheid en een samenleving waarin ieder mens waardigheid heeft. En daarvoor is het betalen van belastingen noodzakelijk. “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt”.Maar Jezus herinnert ons eraan dat er iets is wat dieper gaat dan onze nationaliteit, onze politieke overtuiging of onze maatschappelijke positie. Ons leven behoort uiteindelijk aan God!

En hier raken wij aan de betekenis van deze bijzondere zondag. Dit weekend vieren wij de honderdste Wereldmissiezondag. Honderd jaar lang worden katholieken wereldwijd uitgenodigd om te bidden, te delen en elkaar te ondersteunen, zodat het Evangelie overal ter wereld verkondigd kan worden. Het thema van dit bijzondere jubileum luidt: “Eén in Christus, samen in missie.”

Waarom zijn wij als Christenen één? Niet omdat wij allemaal dezelfde taal spreken. Niet omdat wij dezelfde huidskleur hebben, dezelfde cultuur delen of op dezelfde manier leven. Wij zijn één omdat wij door het doopsel bij Jezus Christus horen. In Hem worden wij broeders en zusters, over alle grenzen heen. De Kerk in Afrika is niet een andere Kerk dan de Kerk in het Caraibisch gebied. De gelovigen in Azië zijn gedoopt in dezelfde Heer, putten uit dezelfde Bijbel als wij en zijn daardoor verbonden met ons. De christenen in Europa, Oceanië en Latijns-Amerika behoren tot dezelfde wereldwijde geloofsgemeenschap. Wij zijn verschillend, maar wij behoren aan dezelfde Heer toe.

En als wij werkelijk één zijn in Christus, dan kunnen wij niet onverschillig blijven tegenover de noden van onze broeders en zusters elders in de wereld. Daarom zeggen wij niet alleen: “Ik bid voor de missie.” Wij vragen ook: “Wat kan ik zelf bijdragen? Hoe kan ik Christus zichtbaar maken in mijn omgeving? Hoe kan ik iemand hoop geven, iemand bijstaan, iemand opnieuw laten ontdekken dat God hem of haar niet vergeten is?” Want missie is niet alleen het werk van priesters, religieuzen of mensen die naar verre landen vertrekken. Missie begint daar waar jij bent!

Een moeder die haar kinderen leert bidden, is missionair. Een jongere die temidden van leeftijdsgenoten durft te zeggen dat hij in Christus gelooft, is missionair. Een parochiaan die een eenzame buur bezoekt, is missionair. Een kerkgemeenschap die haar deuren opent voor armen, vreemdelingen en mensen die zich buitengesloten voelen, is een missionaire Kerk. En daarom, wanneer wij op Wereldmissiezondag onze bijdrage geven voor die bijzondere collecte voor de missie, geven wij niet zomaar geld. Wij drukken daarmee onze verbondenheid uit. Met wat wij geven in de collecte van Wereldmissiezondag, zeggen wij aan de Heer en aan elkaar: Het geloof in Jezus’ verlossing en Zijn liefde doorgeven, is ook mijn verantwoordelijkheid! De missie van Christus is ook mijn missie!

Jezus vraagt ons in het evangelie van deze zondag om aan God te geven wat Hem toebehoort. En wat behoort God toe? Niet alleen onze zondagse aanwezigheid in de kerk, niet alleen onze gebeden, niet alleen een bijdrage uit onze portemonnee. God verlangt ons hart, onze handen, onze voeten en ons hele leven. Laten wij daarom deze honderdste Wereldmissiezondag niet alleen vieren als een herdenking van honderd jaar missionaire inzet, maar ook als een nieuwe opdracht voor de toekomst.

Moge onze parochie een plaats zijn waar mensen Christus ontmoeten. Moge ons geloof grenzen overstijgen. En moge onze solidariteit laten zien dat wij werkelijk één familie zijn. Want wij zijn één in Christus. En daarom zijn wij geroepen om samen op weg te gaan, samen te dienen en samen het Evangelie te verkondigen.

Eén in Christus, samen in missie!



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Geef een reactie