Liturgie & leven

zondag 26 januari 2020

Derde zondag door het jaar A

Eerste lezing: Jesaja 8, 23b – 9, 3
In vroeger tijd is er oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Naftali, maar in de toekomst wordt er eer gebracht over de zeeweg en de overkant van de Jordaan, en over het gewest van de heidenen. Het volk dat in het donker wandelt ziet een groot licht; een licht straalt over hen die wonen in het land van de doodse duisternis. Gij hebt hun blijdschap vermeerderd, hun vreugde vergroot. Voor uw aanschijn zijn zij vol vreugde, een vreugde als die om de oogst, als die van mensen die jubelen bij het verdelen van de buit. Want het juk dat zwaar op het volk drukte, de stang op hun schouders en de stok van hun drijvers: Gij hebt ze stukgebroken als op de dagen van Midjan.

Antwoordpsalm: Psalm 27, 1.4.13 – 14

Tweede lezing: I Korintiërs 1, 10 – 13.17
Broeders en zusters, ik bezweer u bij de naam van onze Heer Jezus Christus: weest allen eensgezind, laat er geen verdeeldheid onder u zijn; weest volkomen één van zin en één van gevoelen. Er is mij namelijk door de huisgenoten van Chloë over u verteld, broeders en zusters, dat er onenigheid onder u heerst. Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: “Ik ben van Paulus’. ‘Ik van Apollos’. ‘Ik van Kefas’. ‘Ik van Christus’. Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij gedoopt in de naam van Paulus? Christus heeft mij niet gezonden om te dopen. Hij heeft mij gezonden om het evangelie te verkondigen, en dat niet met fraaie en geleerde woorden; anders zou het kruis van Christus zijn kracht verliezen.

Evangelielezing: Matteüs 4, 12 – 23 (of 12 – 17)
Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangengenomen, week Hij uit naar Galilea. Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja: ‘Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Over Jordanië: Galilea van de heidenen! Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van doodse duisternis gezeten waren, over hen is er een licht opgegaan’. Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: ‘Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij’. Eens toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield zag Hij twee broers, Simon die Petrus wordt genoemd en diens broer Andreas. Zij waren bezig het net uit te werpen in het meer; het waren namelijk vissers. Hij sprak tot hen: ‘Komt volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken’. Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. Iets verder zag Hij nog twee broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en diens broer Johannes; met hun vader Zebedeüs waren zij in de boot de netten aan het klaarmaken. Hij riep hen, en onmiddellijk lieten zij hun vader achter en volgden Hem. Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in se synagogen, de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.


Gedachten bij de Schriftlezingen

Johannes en Jezus. Er waren mensen die ze met elkaar verwarden. Niet al te ernstig op het eerste gezicht. Ze waren immers familie van elkaar. En ook geestverwanten. Beiden riepen op tot bekering. Beiden wisten een nieuwe tijd aanstaande. Beiden kregen leerlingen. Sterker nog: Jezus werd Johannes’ leerling toen Hij zich door hem liet dopen in de Jordaan. De evangeliepassage van deze dag vertelt dat de overlevering van Johannes voor Jezus de aanleiding is om aan zijn openbare leven te beginnen. Hier eindigt het tijdperk van de een en gaat dat van de ander beginnen. Had Johannes niet gezegd dat wie na hem kwam, groter zou zijn dan hij (Matteüs 3,11)?

Het licht
Matteüs onderstreept dat. Jezus verhuist van Nazaret naar Kafarnaüm. De evangelist herkent er de vervulling van een profetie uit Jesaja 9 in. Hij citeert de woorden. Zo kort na Kerstmis komen deze woorden de kerkelijke lezer van nu bekend voor. In de kerstnacht werd Jezus’ geboorte met dezelfde woorden omlijst als op deze zondag. In de kerstnacht was de geboorte van Jezus het licht dat is opgegaan in het duister. Nu gaan diezelfde woorden over het begin van zijn openbare leven.
Kafarnaüm ligt aan het Meer van Galilea. Het is het land dat Jesaja aanspreekt. In zijn tijd hadden de Assyriërs het gebied ingenomen. Woorden als duisternis, smaad, benauwdheid, neerzitten, juk, verwijzen naar die voor de lezer van toen actuele periode van ellende. Jesaja geeft het gebroken volk hoop met dit visioen. Er komt licht inde duisternis. Het juk zal worden gebroken. Het volk zal zich verheugen. Het Hebreeuws in 8,23 is dubbelzinnig. ‘De tijd’ kan het onderwerp van de eerste zinnen zijn. ‘De vroegere tijd’ heeft dan de ellende gebracht. ‘De latere tijd’ zal de vreugde brengen. Wíe dat doet, wordt dan in het midden gelaten. Wie de direct op deze passage volgende verzen leest, zal geneigd zijn een hij-figuur tot onderwerp van de zin te maken. In die verzen wordt de geboorte van een kind aangekondigd, dat vrede en veiligheid zal brengen. Het kind is dan de brenger van de nieuwe tijd. Jesaja doelt hoogstwaarschijnlijk op koning Hizkia en contrasteert hem door een eveneens ingevoegde hij-figuur in het eerste gedeelte van het vers met een koning in de eerdere tijd. De naam van deze eerdere koning wordt niet genoemd. Te denken valt aan iemand als koning Achaz. Eeuwen later ziet de evangelist Matteüs in Jezus de vervulling van die beloofde koning aan het begin van een nieuwe tijd.

De nieuwe tijd
Jezus noemt die nieuwe tijd ‘het koninkrijk van God’, of, in de taal van Matteüs: ‘het koninkrijk der hemelen’. Hij kondigt het aan (4,17). Hij spreekt in de donkerste plekken over de komst van het licht. Letterlijk, daar ‘in het gebied van Zebulon en Naftali’, in zijn dagen onder het bewind van Herodes Antipas, in wie de Romeinen een handlanger hadden. Maar ook op plekken waar de gemeenschap van mensen onder druk stond, op momenten van schuld en schaamte, van ziekte en dood. Jezus laat mensen in de synagogen de oude Schriftwoordenhoren alsof ze zojuist, speciaal voor hen, opgeschreven waren (4,23). Maar de nieuwe tijd vraagt ook concrete daden van de mensen in de duisternis. Het eerste dat ze te doen hebben, is zich bekeren (4,17). Het Griekse werkwoord metanoiein betekent schuld bekennen en sorry zeggen. Het betekent ook van richting veranderen, een andere weg inslaan, andere keuzes maken.

Een andere richting
De laatste twee scènes van de evangeliepassage laten zien hoe ingrijpend deze gevraagde ommekeer in een leven kan zijn. Jezus loopt langs het meer. Hij komt twee keer langs een vissersboot waar vissers hun gewone werk aan het doen zijn. Hij roept ze naar zich toe. En zet ze op een weg achter Hem aan. Zij staan op en gaan mee. De directheid van dit gebeuren verrast. Het lijkt in één flits te gebeuren. Wat heeft die vier in beweging gebracht? Hadden ze Hem al in een synagoge gehoord? Brandde in hen al een verlangen naar een nieuwe tijd en herkenden ze die in Hem? Matteüs geeft geen antwoord op deze vragen. Ze gaan. Ze laten twee belangrijke bronnen van identiteit achter zich: familie en werk. Maar het is geen totale breuk. Jezus heeft het eerder over een transformatie. Vissers zullen ze blijven, maar ze zullen nu mensen (in duisternis) vangen en naar een nieuwe tijd brengen.

Terug naar het doopmysterie
Paulus schrijft aan de christenen van Korinte. Hij heft gehoord dat ze onderling verdeeld zijn geraakt. De groepen hebben de namen van hun favoriete voorgangers aangenomen: wij zijn van Kefas, wij van Apollos, wij van Paulus. Ook de ‘wij van Christus’ worden in dit rijtje genoemd. Even later betoogt Paulus dat alle gedoopten van Christus zijn, ongeacht hun doper. Het is onduidelijk of hij in de eerste opsomming een groep bedoelt die al uit dat geloof leeft, of dat er een groep is die Christus
deel heeft gemaakt van de strijd in de gemeente. Paulus had hier als mediator kunnen optreden. Hij had hier als stichter van de gemeente een gezaghebbend woord kunnen uitspreken. Hij doet dat ook. Hij spreekt mensen aan op hun gedrag. Hij spreekt zijn ongenoegen uit over de huidige stand van zaken. Hij roept op tot eenheid. Hij doet dat als een gelovig man. Hij wijst op de kern van hun leven: de doop in Christus. Deze doop heeft hen geen lid gemaakt van een bepaalde partij van die of die doper. In de doop zijn ze voor altijd verbonden met Christus. Ze zijn met Hem gestorven en verrezen. De ervaring van dit mysterie is hun bron van eenheid. Terug dus naar Hem met wie een nieuwe tijd begonnen
is, waarin de oude manieren van doen en de oude verhoudingen niet meer bindend zijn.


OMHOOG Jaargang 64, editie 03, 26 januari 2020