Liturgie & leven

zondag 15 maart 2020

Derde zondag in de veertigdagentijd

Eerste lezing: Exodus 17, 3-7
In die dagen, leden de Israëlieten tijdens de woestijntocht hevige dorst. Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: ‘Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?’. Mozes klaagde zijn nood bij de Heer: ‘Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen’. De Heer gaf Mozes ten antwoord: ‘Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg. Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken’. Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten. Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd door zich af te vragen: Is de Heer nu bij ons of niet?

Antwoordpsalm: Psalm 95, 1-2.6-7.8-9

Tweede lezing: Romeinen 5, 1-2.5-8
Broeders en zusters, Gerechtvaardigd door het geloof, leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. Hij is het, die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid Gods. En die hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken. Christus is immers voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren. Men zal niet licht iemand vinden die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand in een bepaald geval dit van zich kunnen verkrijgen. God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren.

Evangelielezing: Johannes 4, 5-15.19b-26.39a.40-42)
Jezus openbaart zich als bron van levend water en als redder van de wereld.


Gedachten bij de Schriftlezingen

We zullen ons hier vooral richten op de lange evangelielezing over Jezus en de Samaritaanse bij de waterput. Verschillende elementen van dit verhaal worden helderder tegen de achtergrond van oude joodse verhalen over ‘de wandelende waterput’. Deze waterput was, volgens de traditie, de rots waarop Mozes sloeg om het volk water te geven. Daarover gaat de lezing uit Exodus 17, waarin het volk roept: ‘Geef ons te drinken’, zoals Jezus in Johannes 4 zal zeggen: ‘Geef Mij te drinken.’

Wandelende waterput
Volgens vroege joodse tradities schiep de Eeuwige op de avond van de zesde scheppingsdag, na de mens, ook nog de waterput. Deze volgde de rechtvaardigen en voorzag hen van levend water. Als Abraham, of later Jakob, naar die waterput toe liep, welde het water vanzelf omhoog, hun tegemoet, zodat ze niet moeizaam hoefden te putten. Toen de drie mannen bij Abraham kwamen, keek hij schuins naar de waterput, en aan het oprijzende water zag hij dat het Godvrezende gasten waren. En Laban wilde Jakob niet laten gaan na twintig jaar arbeid, omdat er dan weer moeizaam geput moest worden, terwijl voor Jakob het water vanzelf oprees. Deze zelfde waterput wachtte Israël op in de woestijn, en was de rots die het volk water gaf toen het dorst had. Hij zou het volk veertig jaar volgen. Paulus neemt in 1 Korintiërs 10,4 deze traditie onbekommerd over door over Israël in de woestijn te zeggen: ‘Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus.’ Dat was dus, volgens de traditie, de rots waarop Mozes sloeg in Exodus 17. Deze komt opnieuw ter sprake in een merkwaardige korte passage in Numeri 21,16-18, waar het reistraject van de Israëlieten wordt opgesomd in plaatsnamen. Bij de plaats Beër (waterput) wordt gerefereerd aan de Eeuwige die het volk water gaf, en wordt een klein lied geciteerd dat Israël daarbij zou hebben gezongen en dat begint met: ‘Wel op, waterput!’ In onze vertalingen wordt vermeld dat het ‘van daar naar Mattana’ ging, maar de Aramese parafrase (targum) vertaalt: ‘Vandaar was dit het geschenk (mattana)’ – waarna de wandelende waterput kortweg als ‘het geschenk’ kon worden aangeduid.

Het geschenk
Hier ligt een belangrijke link naar Johannes 4, want het verklaart die merkwaardige formulering van Jezus in zijn eerste repliek aan de Samaritaanse: ‘Als je wist van het geschenk (doron) van God en wie het is die tegen je spreekt, dan zou je Hém gevraagd hebben en Hij zou je levend water gegeven hebben’ (4,10). Zolang je de verwijzing naar de wandelende waterput niet herkent in dat woordje doron, rechtstreekse vertaling van het Aramese mattana, lijkt het een overbodig en onhandig onderdeel van de zin. In zijn volgende repliek, in 4,14, zegt Jezus dat het water dat Hij geeft in de ontvanger ‘een bron zal worden, waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft’: een verwijzing naar diezelfde wandelende put waarin het water voor Gods rechtvaardigen altijd vanzelf opwelt. In Johannes 4 treffen we dus als het ware twee putten naast elkaar: enerzijds de Jakobsput waaraan de Samaritanen traditionele claims ontlenen (‘Jakob, onze voorvader’; 4,12), die diep is en waaruit moeizaam geput moet worden; en anderzijds Jezus als de wandelende waterput, het geschenk van God, waarvan het water altijd opwelt, tot eeuwig leven. Deze put is toekomstgericht, terwijl de Jakobsput aan het verleden bindt. In heel de uitwisseling tussen Jezus en de vrouw blijft dat meeklinken: zij refereert aan tradities, claims, verleden, terwijl precies haar eigen verleden naar traditionele maatstaven troebel lijkt te zijn – en Jezus refereert aan wat komt en wat bevrijdt van alle oude claims en oordelen.

Waterputverhaal
In en buiten de Bijbel kennen we uit de oudheid ‘waterputverhalen’ die variëren op een gemeenschappelijk patroon: een man en een meisje ontmoeten elkaar bij een put, buiten de stad, in de natuur. Ze hebben elkaar nodig om bij het water te komen en lijken zodoende voor elkaar bestemd. Maar in de stad, of in het huis (dus in de cultuur) blijken er obstakels te zijn, die te maken hebben met stand, kaste, clan, traditie of bijzondere eisen die de vader van het meisje stelt. Waterputverhalen zijn dus altijd een tweeluik: eerst de ontmoeting buiten, dan de verwikkelingen binnen. In de natuur lijk je voor elkaar geschapen, in de cultuur staat er van alles tussen. De bijbelse waterputverhalen waarop Johannes 4 voortborduurt, zijn die over Abrahams knecht en Rebekka (Genesis 24), Jakob en Rachel (Genesis 29) en Mozes en de dochters van Rehuël (Exodus 2), en dan met name de manier waarop deze verhalen later in targum en midrasj worden doorverteld.

Schoonfamilie
In deze oudtestamentische verhalen zit, net als in Johannes 4, de man bij de put als het meisje komt. In alle drie komt hij uiteindelijk bij haar thuis terecht en worden daar eisen gesteld – één daarvan is ‘blijven’, een oponthoud voordat het eigen levensproject kan worden voortgezet: tien dagen bij Rebekka (maar de targum maakt daar tien maanden van), zeven jaar bij Rachel (maar dat worden er twintig), gewoon ‘blijven’ bij Tsippora, en dat worden veertig jaren. Ook in Johannes 4 wordt dit oponthoud
aangestipt, in 4,40: twee dagen. In targum en midrasj worden de schoonfamilies veel duisterder afgeschilderd dan in de bijbelse verhalen, alsof ze willen zeggen: kijk uit met die anderen!

Omkering
Johannes 4 keert deze wetmatigheid om: als Jezus en de Samaritaanse elkaar vinden, en Jezus zich voor haar in 4,26 als ‘de ware Jakob’ ontpopt, zorgt niet de schoonfamilie (de Samaritanen) voor oeilijkheden – die zullen Hem met een stralend geloof ontvangen en Hemook toestaan zijn weg te vervolgen –, maar Jezus’ eigen entourage doet moeilijk. Waar de Samaritaanse vrijuit sprak, zeggen de leerlingen niet wat ze denken en gaan ze argwanend met de situatie om. Het bevalt hun niet dat er kennelijk dingen gebeurd zijn, waar zij niet bij waren en die niet in hun plaatje passen. Jezus moet hen aansporen tot vreugde: wees blij dat je kunt oogsten waar je niet hebt gezaaid!

Twee thema’s
Zo stelt dit verhaal twee belangrijke thema’s aan de orde: Jezus als het levensgeschenk dat ons niet aan het verleden bindt, maar tot de toekomst bevrijdt; en het feit dat Jezus anderen vindt waar de kerk (de leerlingen, wij) niet bij is, en dat we daar niet met argwaan, maar met vreugde op mogen reageren.

OMHOOG Jaargang 64, editie 10, 15 maart 2020