Liturgie & leven

Zondag 28 maart 2021

Palm- of Passiezondag

Evangelielezing in de palmliturgie: Marcus 11, 1-10
Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden, in de richting van Betfage en Betanië op de Olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht: ‘Gaat naar het dorp daar voor u, en bij uw binnenkomst is het eerste dat ge zult vinden een veulen dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt dat los en brengt het hier. En als iemand u de aanmerking maakt: Wat doet ge daar? antwoordt dan: De Heer heeft het nodig, maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug.’ Zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden aan een deur, buiten op straat. Ze maakten het los, maar sommige mensen die daar in de buurt stonden, riepen hun toe: ‘Wat doet ge daar, om zo maar dat veulen los te maken?’ Ze antwoordden zoals Jezus hun had gezegd en de mensen lieten hen ongemoeid. Ze brachten het veulen bij Jezus, legden er hun mantels overheen en Hij ging er op zitten. Velen spreidden hun mantels op de weg uit, anderen groene takken die ze in het veld gehakt hadden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: ‘Hosanna: Gezegend de Komende in de naam des Heren; Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!


Eerste lezing: Jesaja 50, 4-7
God, de Heer, heeft mij de gave van het woord geschonken. Ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord; elke morgen richt Hij het woord tot mij, en ik luister met volle overgave. God, de Heer, heeft tot mij gesproken, en ik heb mij niet verzet; ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God, de Heer, zal mij helpen; daarom zal ik niet beschaamd staan, en ik zal geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Antwoordpsalm: Psalm 22, 8-9. 17-18a. 19-20. 23-24
Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?

Ze lachen met mij, allen die mij zien,
ze grijnzen en ze schudden met het hoofd.
Hij steunt toch op de Heer? Laat Die hem dan bevrijden,
laat Die hem redden, als Hij hem bemint.

Een meute honden jaagt mij op,
een bende booswichten houdt mij omsingeld.
Mijn handen en mijn voeten hebben zij gewond,
mijn beenderen kan ik wel tellen.

Nu gapen zij mij aan en lachen zij mij uit,
nu delen zij mijn kleren onderling
en dobbelen om mijn gewaad.
Ach Heer, houd u niet ver van mij,
mijn steun, kom haastig om mij bij te staan.

Uw naam zal ik verheerlijken onder mijn broeders,
voor heel het volk uw lof verkondigen:
Gij, dienaars van de Heer, verheerlijkt Hem,
heel het geslacht van Jakob, brengt Hem dank.

Tweede lezing: Filippenzen 2, 6-11
Broeders en zusters,
Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.

Vers voor het evangelie
Lof en eer zij U, Heer Jezus.
Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot de dood, tot de dood aan een kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is.
Lof en eer zij U, Heer Jezus.

Lezing van het lijdensverhaal

Anderen heeft Hij gered maar niet zichzelf. Zoals Jezus geleefd heeft, zo is Hij ook gestorven

De tekst van het lijdensverhaal kan worden gedialogeerd:
V = Verteller; C = Christus;
A = Andere bijbelse personen

Marcus 14, 1-15, 47 (of 15, 1-39)

V Over twee dagen was het feest van Pasen en van het ongedesemde brood. De hoge priesters en de Schriftgeleerden zochten op welke manier zij Jezus door list zouden kunnen grijpen en Hem ter dood zouden kunnen brengen. Want ze dachten:
A ‘Niet op het feest; er mochten anders eens onlusten ontstaan door het volk.’
V Terwijl Jezus zich te Betanië bevond in het huis van Simon de melaatse en daar aan tafel aanlag, kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte, zeer dure nardusbalsem. Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd. Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar:
A ‘Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest? De balsem had voor meer dan driehonderd denaries verkocht kunnen worden ten bate van de armen’.
V Toen zij tegen haar uitvoeren sprak Jezus:
C ‘Laat haar met rust. Waarom valt ge haar lastig? Het is toch goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan. Armen hebt gij altijd in uw midden en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt; Maar Mij hebt gij niet altijd. Zij heeft gedaan wat in haar macht was; zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd met het oog op mijn begrafenis. Voorwaar, Ik zeg u: waar ook ter wereld de blijde boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft’.
V Hierop ging Judas Iskariot, en van de twaalf, naar de hogepriester om Hem aan hen uit te leveren. Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld. Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren. Op de eerste dag van het ongedesemde brood, de dag waarop men het paaslam slacht, zeiden zijn leerlingen tot Hem:
A ‘Waar wilt gij dat wij voorbereidselen gaan treffen zodat Gij het paasmaal kunt houden?
V Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de opdracht:
C ‘Gaat naar de stad en daar zult ge een man tegenkomen die een kruik water draagt; volgt hem en zegt aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat: De meester laat vragen: Waar is de zaal voor Mij waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden? Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien met rustbedden en van al het nodige voorzien; maakt dat alles voor ons klaar’.
V De leerlingen vertrokken, gingen de stad binnen, vonden alles zoals Hij het hun gezegd had en maakten het paasmaal gereed. Toen de avond gevallen was, kwam Hij met de twaalf. Terwijl zij aan tafel aanlagen en de maaltijd aan de gang was, zei Jezus:
C ‘Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij overleveren, een die met Mij eet’.
V Droefheid maakte zich van hen meester en zij begonnen, de een na de ander Hem te vragen:
A ‘Ik ben het toch niet?.
V Hij antwoordde hun:
C ‘Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt. Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!’
V Onder de maaltijd nam Jezus het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun, met de woorden:
C ‘Neemt, dit is mijn lichaam’.
V Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken allen daaruit. En Hij sprak tot hen:
C ‘Dit is mijn bloed van het verbond, dat vergoten wordt voor velen. Voorwaar Ik zeg u: Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God’.
V Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg. Toen sprak Jezus tot hen:
C ‘Allen zult gij ten val komen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea’.
V Toen zei Petrus:
A ‘Al komen allen ten val, ik zeker niet’.
V Jezus antwoordde hem:
C ‘Voorwaar, Ik zeg u: nog heden, nog deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult juist gij Mij driemaal verloochenen’.
V Maar met nog meer nadruk verzekerde Petrus:
A ‘Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen’.
V In die zelfde geest spraken allen. Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette. Daar zei Hij tot zijn leerlingen:

C ‘Blijft hier zitten terwijl Ik bid’
V Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen. Hij sprak tot hen:
C ‘Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt’.
V Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem mocht voorbijgaan.
C ‘Abba Vader’
V – zo bad Hij-
C ‘voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt’.
V Toen ging Hij terug en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus:
C ‘Simon, slaapt ge? Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken? Waakt en bidt dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’.
V Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden. En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap want hun oogleden waren zwaar; ze wisten niet wat ze hem moesten antwoorden. Toen Hij voor de derde maal terugkwam, sprak Hij tot hen:
C ‘Slaapt dan maar door en rust uit. Het is zover, het uur is gekomen; zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars. Staat op, laten we gaan: mijn verrader is nabij’.
V Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, Schriftgeleerden en oudsten. Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:
A ‘Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg’.
V Hij ging recht op Jezus af en zei:
A ‘Rabbi!’
V En hij kuste Hem. Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester. Maar een van die er bij stonden trok zijn zwaard en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af. Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden:
‘Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel en toch hebt ge Mij niet gegrepen. Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan’.
V Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht. Toch ging een jongeman die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen Hem achterna. Ze grepen hem, maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg.
V Men bracht Jezus naar de hogepriester, waar alle hogepriesters, oudsten en Schriftgeleerden bijeenkwamen. Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester en nam plaats onder het dienstvolk om zich bij het vuur te verwarmen. De hogepriesters en het hele Sanhedrin zochten naar een getuigenis tegen Hem in, maar hun getuigenissen stemden niet overeen. Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden:
A ‘Wij hebben hem horen zeggen: Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden is gemaakt’.
V Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eensluidend. Toen stond de hogepriester in hun midden op en hij vroeg aan Jezus:
A ‘Geeft Ge in het geheel geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U?
V Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord. Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag:
A ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?
V Jezus antwoordde:
C ‘Ja, dat ben Ik: en gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen met de wolken des hemels’
V Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit:
A ‘Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Ge hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u?
V Allen spraken het vonnis uit dat Hij de dood verdiende. Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en, na zijn gelaat bedekt te hebben, Hem met de vuist te slaan terwijl ze zeiden:
A ‘Wees nu eens profeet!’
V Ook de knechten dienden Hem slagen toe. Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond, kwam daar één van de dienstmeisjes van de hogepriester. Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen, keek ze hem eens aan en zei:
A ‘Jij was ook bij Jezus de Nazarener’
V Maar hij ontkende het:
A ‘Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt’.
V En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan. Maar toen het meisje hem daar opmerkte, verzekerde ze nog eens aan de omstanders:
A ‘Die is er ook een van’.
V Hij ontkende het opnieuw. Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus:
A ‘Waarachtig, jij bent er ook een van; je bent toch ook een Galileeër’.
V Toen begon hij te vloeken en te zweren:
A ‘Ik ken die man niet waarover jullie het hebben’.
V Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer. Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had: Voordat een haan tweemaal kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen. En hij barstte in tranen uit.
V In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit: de hogepriesters met de oudsten en Schriftgeleerden, heel het Sanhedrin. Zij boeiden Jezus, voerden Hem weg en leverden Hem uit aan Pilatus. Pilatus stelde Hem de vraag:
A ‘Zijt Gij de koning der Joden?’
V Hij antwoordde hem:
C ‘Gij zegt het’
V Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem inbrachten, ondervroeg Pilatus hem weer en zei:
A ‘Geeft Gij in het geheel geen antwoord? Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen’.
V Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer, zodat Pilatus verbaasd was. Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten, degene om wie zij vroegen. Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers; zij hadden bij het oproer een moord begaan. Het volk kwam opzetten en begon te vragen dat hij voor hen zou doen zoals altijd. Pilatus antwoordde daarop met de vraag:
A ‘Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?
V Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden. Maar de hogepriesters hitsten het volk op te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten. Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun:
A ‘Wat moet ik dan doen met Hem die gij de koning der Joden noemt?
V Nu schreeuwden ze opnieuw:
A ‘Kruisig Hem!’
V Daarop vroeg Pilatus hun:
A ‘Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?
V ‘Maar zij schreeuwden nog harder:
A ‘Kruisig Hem!’
V Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden. Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen, dat wil zeggen het pretorium, en riepen de hele afdeling bij elkaar. Ze hingen Hem een purperen kleed om, vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op. Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen:
A ‘Gegroet, koning der Joden’.
V Zij sloegen Hem met een riet stok op het hoofd, bespuwden Hem en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen. Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ontdeden zij Hem van het purperen kleed, trokken Hem zijn eigen kleren aan en voerden Hem weg om Hem te kruisigen. Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van zijn kruis. Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met schedelplaats. Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan, maar Hij weigerde. Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren en dobbelden om wat ieder krijgen zou. Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden. Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De koning der Joden. Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers, de een rechts de ander links van Hem. Zo ging in vervulling dit Schriftwoord: Hij is onder de booswichten gerekend. Voorbijgangers hoonden Hem terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:
A ‘Ha, Gij daar die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, kom van het kruis af en red U zelf’.
V In de zelfde geest zeiden de hogepriesters en de Schriftgeleerden spottend onder elkaar:
A ‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Die Messias, die koning van Israël laat Hem nu van het kruis afkomen; dan zullen we zien en geloven!.
V Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem beschimpingen toe. Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. En op het negende uur riep Jezus met luide stem:
C ‘Eloi, Eloi, lama sabaktani!’.
V Dit is vertaald: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Enkele omstanders die het hoorden zeiden:
A ‘Hoor, Hij roept Elia’.
V Een van hen ging een spons halen, drenkte die in zure wijn, stak hem op een rietstok en bood Hem te drinken terwijl hij zei:
A ‘Laat me begaan! We willen eens zien of Elia Hem er af komt halen’.
V Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.

(Hier knielen allen gedurende enige tijd)

V Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën. De honderdman die tegenover Hem post had gevat en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven, riep uit:
A ‘Waarlijk, deze mens was een Zoon van God’.
V Er stonden vrouwen op een afstand toe te kijken; onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria de moeder Jakobus de jongere en van Joses, en Salomé. Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef gevolgd om voor Hem te zorgen; verder nog vele andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren. Het was al avond geworden en het was voorbereiding, dat wil zeggen de dag voor sabbat. Jozef van Arimatéa, een vooraanstaand lid van de Hoge Raad, die zelf ook in de verwachting van het rijk Gods leefde, waagde het daarom naar Pilatus te gaan en te vragen om het lichaam van Jezus. Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn; hij liet dan ook de honderdman roepen en vroeg hem of Hij al gestorven was. Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht, stond hij welwillend het lijk aan Jozef af. Deze kocht een lijnwaad, nam Hem van het kruis en wikkelde Hem in het lijnwaad. Daarop legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang ervan. Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses zagen toe waar Hij werd neergelegd.


Gedachten bij de Schriftlezingen

Alle evangeliën beschrijven de intocht in de tempelstad Jeruzalem: Jezus komt op een ezel de stad binnen, de mensen juichen Hem toe en zingen Hosanna. Bij Marcus, die we dit jaar lezen, nadert de spanning die in dit hele evangelie al doorklinkt, zijn hoogtepunt: dat de Schriftgeleerden als opponenten van de Mensenzoon Hem uiteindelijk zullen doden in Jeruzalem (zie 3,6; 8,31; 9,31; 10,33-34). Jezus trekt nu de stad in, maar zal er na de intocht toch weer vertrekken, naar Betanië en weer terug naar Jeruzalem (zie 11,11.12.27; 14,3). Uiteindelijk zal Hij daar ter dood gebracht worden. De lezing van de intocht start op de Olijfberg, en de reeks verhalen tot aan de overlevering van Jezus eindigt ook weer daar (14,26), tegenover de tempel (13,3).

De intocht van een koning
De intocht in Jeruzalem op een ezelsveulen is dus nog niet de laatste tocht naar Jeruzalem, maar heeft wel een definitief karakter: hier trekt een koning een stad in. Hij neemt haar als het ware in bezit. Dit is echter wel een intocht van een koning naar profetisch model. Bij de profeet Zacharia lezen we: ‘Juich Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin’ (9,9). Zo’n ezel heeft Jezus nodig (11,3). Het is een ezel waarop nog geen mens gezeten heeft, als symbool voor het unieke van deze koning: zo’n intocht heeft Jeruzalem nog nooit gezien. Het verhaal sluit onmiddellijk aan op de genezing van een blinde, die Jezus gaat volgen op zijn weg. De koning heeft daarmee ook een gevolg (zo ook bij Matteüs 20,29-34). De manier waarop de ezel en de weg worden bekleed met mantels en takken, alsof de loper wordt uitgelegd, zijn andere tekenen van koninklijke waardigheid. Niet het minst blijkt zijn koninklijke intocht uit de lofzang van de mensen. ‘Hosanna’ roepen ze, een woord met de betekenis ‘help nu’ en ontleend aan Psalm 118, 25-26a: ‘HEER, geef ons de overwinning, HEER, geef ons voorspoed. Gezegend wie komt met de naam van de HEER.’ Zij verwelkomen het komende koninkrijk van David. Als een overwinnaar, een koning neemt Jezus vervolgens in Jeruzalem, in de tempel, alles in ogenschouw (anders dan bij de andere evangelisten). Als Hij met de twaalf terugkeert omdat het laat geworden is, echoot daarin iets van het scheppingsverhaal: ‘Hij zag dat het zeer goed was, het werd avond en het werd morgen’ (Genesis 1,31).
De heen-en-weer beweging tussen Jeruzalem en Betanië, voordat het lijdensverhaal definitief inzet, biedt ook ruimte aan een ander vorstelijk eerbetoon: een vrouw zalft Jezus en giet olie over zijn hoofd (Marcus 14,3-9). Zo doet de profeet Samuël dat bij Saul en ook bij David (1 Samuël 10,1; 16,13).

Oplopende spanning
Dit verhaal van de zalving, en ook de andere ontmoetingen die Jezus heeft voordat Hij zal worden overgeleverd, lezen we niet op deze Passiezondag. Het zijn geen liefelijke verhalen: onder andere wordt de tempel schoongeveegd (Marcus 11,15-19), de onvruchtbare vijgenboom vervloekt (11,20-26) en de zoon van de wijnbouwer vermoord (12,1-12). Als contrast voor deze hardheid zijn er ook de mildere personages die dichter bij het koninkrijk staan: de Schriftgeleerde die Gods eenheid benadrukt (12,28-34), de weduwe die alles geeft wat zij heeft (12,41-44). Het samenstel van verhalen schildert de spanning die leidt naar het onvermijdelijke: dat Judas naar de hogepriesters gaat om Jezus over te leveren (14,10-11).
Het woord ‘onvermijdelijk’ staat hier niet voor niets: vanaf het begin van dit evangelie is duidelijk dat Jezus de Zoon van God is (1,1). Deze wetenschap maakt dat de lezer zich ervan bewust is dat de oplopende tegenstand weliswaar onverbiddelijk leidt tot Jezus’ dood, maar tegelijk dat die dood overwonnen wordt. Op verschillende momenten maakt de evangelist duidelijk dat Jezus zijn tegenstanders uiteindelijk de baas is. Als Hij spreekt, dan is dat met gezag, anders dan de Schiftgeleerden (1,22). Lijden, dood en verrijzenis worden driemaal aangekondigd door Jezus zelf (8,31; 9,31; 10,33-34). Dat dit alles nu inderdaad gebeurt, laat des te duidelijker zien dat deze hele lijdensweg een doel heeft: om te laten zien dat deze nederige koning, vals beschuldigd (14,57), bespot en geloochend (14,65-72; 15,16-20) en gedood, werkelijk de Zoon van God is. Dat zijn de woorden van de centurio onder het kruis (15,39).

De weg naar het kruis
De gang naar het kruis is het tegendeel van de intocht in Jeruzalem. Jezus wordt als een anti-koning geportretteerd. Hij wordt zelf in een mantel gekleed, en niet de ezel, een lauwerkrans van doornen tooit zijn hoofd (15,17-20), en niet Hij wordt gedragen, maar Hij draagt zelf zijn kruis (met Simon van Cyrene; 15,21). Bovendien gaat de tocht niet de stad in, maar naar buiten (15,20-22). De spot en de hoon die Jezus ten deel vallen, weerspiegelen het lot van de dienstknecht van de Heer uit de Jesajalezing (50,4-7). Het vertrouwen dat God hulp zal bieden (50,7), wordt echter danig op de proef gesteld. Marcus legt geen nadruk op het lijden of de gruwelijkheden van een kruisdood. Veel meer onderstreept hij de godverlatenheid, de eenzaamheid: de leerlingen die in slaap vallen (14,37), Petrus die Hem loochent, de bespottingen zelfs door de medegekruisigden (15,32). Met de woorden van Psalm 22,2 roept ook Jezus zelf deze godverlatenheid uit. Zelfs daarin wordt Hij misverstaan (15,34-35).

Zoon van mensen, Zoon van God
Maar juist in deze uiterste lijdensscènes, waarin getrouwen Jezus overleveren en loochenen (‘ik ken die man niet’; 14,71), klinken van alle kanten de belijdenissen: ‘Rabbi (Judas; 14,45), ‘Jezus van Nazaret’ (dienstmeisje; 14,67), ‘Messias, de Zoon van de Gezegende’ (hogepriester; 14,61), ‘koning van de Joden’, ook de reden van zijn kruisiging (Pilatus, soldaten; 15,2.12.18.26), ‘de Messias, de koning van Israël’ (hogepriesters en Schriftgeleerden; 15,32). Ze worden in dit verhaal als het ware allemaal ingehuurd om te komen tot die ultieme uitspraak ‘deze mens was Zoon van God’ door een centurio, dezelfde die Hem doodverklaart (15,39.44-45). Het verhaal is rond. De zoon van mensen (Mensenzoon) die moest worden overgeleverd (14,41) en gedood, ís de Zoon van God (zie 1,1). De stilte na de woorden van de centurio is oorverdovend. Veel namen klinken er nog, maar niet meer die van Jezus (15,40-47). Pas na zijn verrijzenis wordt Hij weer genoemd, door de jongeman aan het graf: ‘Jezus, de man uit Nazaret’ (16,6), en ‘Heer Jezus’ (16,19).

OMHOOG Jaargang 65, editie 13, 28 maart 2021

%d bloggers liken dit: