Liturgie & leven

Zondag 25 september 2022

Zesentwintigste zondag door het jaar C

Eerste Lezing: Amos 6, 1a.4-7
Wee de zelfgenoegzamen

Dit zegt de almachtige Heer: “Wee, de zorgelozen in Sion, de zelfverzekerden op Samaria’s berg. Zij liggen op ivoren bedden en strekken zich uit op hun rustbanken; zij eten de lammeren van de kudde op en de kalveren uit de stal. Zij verzinnen maar liederen bij het getokkel van de harp, en denken dat hun speeltuig dat van David evenaart; zij drinken wijn uit brede schalen en zalven zich met de kostelijke olie, maar om Jozefs ondergang bekreunen zij zich niet.
Daarom gaan zij als eersten de ballingschap in, en is het gedaan met de feesten
van hen, die daar lui liggen uitgestrekt.”

Antwoordpsalm: Psalm 146, 7.8-9a.9bc-10
De Heer zal ik loven mijn leven lang. (of: Alleluja)

De Heer doet altijd zijn woord gestand, verdrukten verschaft Hij recht.
De Heer geeft brood aan wie honger heeft, gevangenen geeft Hij de vrijheid.

De ogen van de blinden opent de Heer, gebrokenen richt Hij weer op.
De Heer bemint de rechtvaardigen, de Heer behoedt de ontheemden.

De Heer geeft wees en weduwe steun, maar zondaars laat Hij verdwalen.
De Heer is koning in eeuwigheid, uw God, Sion, heerst over alle geslachten.

Tweede lezing: I Timóteüs. 6, 11-16
Paulus sluit zijn brief aan Timoteüs af met een plechtige vermaning en een lofprijzing van God.

Dierbare, streef naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.
Strijd de goede strijd van het geloof, grijp het eeuwige leven. Daartoe zijt gij geroepen, daartoe hebt gij de goede belijdenis afgelegd ten overstaan van vele getuigen. Ik beveel u voor het aanschijn van God, die alles ten leven wekt, en van Christus Jezus, die voor Pontius Pilatus de goede belijdenis heeft afgelegd: bewaar dit gebod onbevlekt en ongerept tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus, die God ons te rechter tijd zal doen aanschouwen, Hij, de gelukzalige, de enige Heerser, de grote Koning en de opperste Heer, die alleen onsterfelijkheid bezit en woont in ongenaakbaar licht. Geen mens heeft Hem gezien of is in staat Hem te zien.
Hem zij eer en eeuwige macht! Amen.

Evangelielezing: Lucas 16, 19-31
‘Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het rijk Gods. Maar wee u, rijken, want wat u vertroost, hebt ge al ontvangen’.

In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën: “Er was eens een rijk man, die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. Hij verlangde ernaar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Maar er kwamen alleen honden, die zijn zweren likten.
Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw levenuw deel van het goede hebt gekregen en hoe op gelijke manier aan Lazarus het kwade ten deel viel; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd. Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat – zelfs als men zou willen – van hier naar u te gaan, noch van daar naar ons te komen.
De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terechtkomen. Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden als er iemand uit de doden opstaat.”


Gedachten bij de Schriftlezingen

De profeet Amos is afkomstig uit Tekoa in het Zuidrijk. Hij staat erom bekend dat hij in zijn protest tegen de decadentie in het welvarende Noordrijk van de achtste eeuw voor onze jaartelling bepaald geen blad voor de mond neemt. In zijn kritiek op gesignaleerde wantoestanden noemt hij de dingen direct bij de naam. Daarbij toont hij zich extra gevoelig voor het misbruik van de religie om sociaal onrecht te maskeren met onwaarachtige uitingen van vroomheid en ander religieus gedrag (zie onder andere Amos 8,4- 7). Amos’ profetie is erop gericht om duidelijk te maken dat zulke toestanden hun desastreuze uitwerking zeker niet zullen missen. Een samenleving die een loopje neemt met de morele plicht om recht en gerechtigheid te laten zegevieren, gaat aan zichzelf ten onder. Dat is de strekking van de eerste lezing. Het decadente gedrag van de notabelen in Sion en Samaria (6,1) loopt uit op ballingschap en op het einde van een zelfstandig bestaan als natie (6,7). Amos wil hiermee het verband verhelderen tussen ethiek en politiek, tussen sociaal onrecht en maatschappelijke consequenties. Voor hem zijn dat geen aparte werelden. De godsdienst van Israël heeft een duidelijk sociale component en daar kun je niet straffeloos aan voorbij gaan. Trouwens, in heel de Thora is dat al onmiskenbaar. De profeet Amos is voortdurend in de weer om deze causale samenhang te benadrukken. Met deze eenvoudige constatering kunnen we ook vaststellen dat de eerste lezing qua invalshoek uitstekend combineert met de lezing uit het Lucasevangelie. Ook daar wordt immers gewezen op dezelfde samenhang van geloof en ethiek. Het uit de weg gaan van de juiste keuzes op het juiste moment kan nogal verkeerd uitpakken.

Spanning
In zijn evangelie legt Lucas een meer dan gemiddelde interesse voor de thematiek van rijk en arm aan de dag. Enkele tekstgedeelten die hierover gaan komen we alleen daar tegen en niet bij de andere evangelisten (‘Sondergut’). Zo ook bij de lezing van deze zondag. Vrij algemeen is de opvatting dat dit gegeven iets onthult over de situatie van de gemeente waar Lucas voor schreef. Ook in het boek Handelingen, zijn tweede boek, gaat het nogal eens over hetzelfde thema. Het zal dus wel geen toeval zijn. Mogelijk waren er in de gemeente spanningen als gevolg van een zekere tweespalt tussen welgestelden en minder bedeelden en wilde Lucas duidelijk maken dat deze tweespalt onverenigbaar is met de boodschap van het evangelie. Was Jezus zelf niet solidair geweest met allerlei mensen aan de onderkant van de samenleving (zie onder andere Lucas 14 en 15) en had Hij niet duidelijk gemaakt dat deze vorm van solidariteit verplicht tot het maken van duidelijke keuzes? In hoofdstuk 16 gaat het daarom expliciet over de vraag hoe je eigenlijk om moet gaan met geld en goed. In die zin maakt de lezing van vandaag deel uit van een groter geheel. De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (de oorspronkelijk Hebreeuwse naam Eleazar betekent: ‘God heeft geholpen’ – het is trouwens de enige keer dat iemand in een gelijkenis een naam draagt!) zal zo bedoeld zijn als een pakkende illustratie van de opvatting dat het christelijk belijden geen vrijblijvende zaak is, maar moet leiden tot het maken van zulke duidelijke keuzes. Daarom zegt Jezus ook: je komt zeker in de problemen als je zowel God als de geldduivel wilt dienen (Lucas 16,13b).

Polemiek
De teksten in het Lucasevangelie die handelen over rijk en arm, hebben in eerste instantie de situatie van de gemeente op het oog. Door de samenhang met andere tekstgedeelten in dit deel van het evangelie komt echter ook de polemiek van Jezus met de Farizeeën aan de orde (16,14). Er wordt nu van hen gezegd dat zij op geld belust zijn. Door de gelijkenis zo te vertellen dat de Farizeeën ook onder de toehoorders van Jezus gerekend moeten worden, maakt Lucas tevens duidelijk dat hun mentaliteit van geldelijk gewin op gespannen voet staat met wat hen dagelijks bezighoudt, namelijk het luisteren naar en bestuderen van Mozes en de profeten. Wie het appel van de Schrift serieus wil nemen, ontkomt niet aan een serieuze bezinning op het eigen ‘financiële beleid’.

Waar het op aankomt
Een oppervlakkige lezing van de gelijkenis zou misschien tot de slotsom kunnen leiden dat het hier gaat om een omkering van beroerde maatschappelijke verhoudingen in het hiernamaals (16,25). Dan functioneert het geloof in een leven na dit leven als een excuus om niets te hoeven veranderen aan situaties van maatschappelijke ongelijkheid. Dan staat ook het christelijk geloof onder de verdenking van partijdigheid met de rijken en de beter gesitueerden. Het lijkt echter uitgesloten om Jezus hiervan te verdenken. Uit het getuigenis van de Schrift weten we immers hoezeer Hij keer op keer hamerde op een ethiek van onderlinge solidariteit en bereidheid tot delen van wat je hebt. Jezus staat met deze oproep helemaal in de lijn van Mozes en de profeten, waaronder Amos. Daarom moet de gelijkenis beslist op een andere manier uitgelegd worden. Niet het berusten in actuele situaties van sociaal en maatschappelijk onrecht is hier aan de orde, maar de overtuiging dat de traditie van Mozes en de profeten onmisbaar is om reeds in het aardse leven de juiste keuzes te maken. Zelfs het opstaan uit de dood moet daaraan ondergeschikt blijven, ook al zou dat mogelijk een corrigerende werking kunnen hebben. Daaruit mag je toch wel concluderen dat niet het geloof in een leven na dit leven voor Jezus de hoogste prioriteit geniet, maar wel het streven naar een menswaardig bestaan voor allen die hunkeren naar ‘een beter leven dan dit’. Wie zich hier bewust voor afsluit en volhardt in een levenshouding van eigenbelang en ik-gerichtheid, moet zelf maar de verantwoordelijkheid dragen voor de consequenties.

Onoverbrugbaar
Toen Lazarus aan de poort lag van de rijkaard die iedere dag uitbundig feestvierde, werd hij door de man niet opgemerkt. Zelfs de restanten van de dagelijkse braspartijen werden hem niet gegund. Wel werd Lazarus opgemerkt toen de rollen eenmaal omgekeerd waren en de rijke man aan Abraham het verzoek richtte om nu Lazarus voor wat verkoeling naar hem toe te sturen. Hij is blijkbaar nog steeds in de ban van het eigenbelang… Toen was het echter te laat, want de kloof is definitief en onoverbrugbaar geworden. De conclusie, die we van Jezus opnieuw zelf mogen trekken, is niet zo moeilijk te achterhalen. De juiste keuze moet je maken op het juiste moment. Dat is alles en daar moeten we het dan ook mee doen.

OMHOOG Jaargang 66, editie 38, 25 september 2022

%d bloggers liken dit: