Liturgie & leven

zondag 13 oktober 2019

Acht en twintigste zondag door het jaar C

Eerste Lezing: II Koningen 5, 14-17
In die dagen ging de Syriër Naäma naar de Jordaan en dompelde zich zevenmaal onder, zoals Elisa, de man Gods, gezegd had. Zijn huid werd weer als die van een klein kind en hij was gereinigd van zijn melaatsheid. Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug, trad zijn huis binnen, ging voor hem staan en zei: ‘ Nu weet ik dat er in Israël een god is, en nergens anders op aarde. Wil daarom een huldeblijk van uw dienaar aanvaarden’. Maar Elisa antwoordde: ‘Zowaar de Heer leeft, wiens dienaar ik ben, ik neem niets van u aan’. En hoewel Naäman er bij hem op aandrong iets aan te nemen, bleef hij weigeren. Toen zei Naäman: ‘ Geef mij dan tenminste een vracht aarde mee, zoveel als een koppel muildieren kan dragen, want uw dienaar wil aan geen andere goden brand- of slachtoffers meer opdragen, dan aan de Heer alleen’.

Antwoordpsalm: Psalm 98,1.2-3ab.3cd-4

Tweede Lezing: II Timoteüs 2, 8 -13
Dierbare, houd Jezus Christus in gedachten, Davids nazaat, die uit de dood is opgestaan. Zo luidt de boodschap die ik verkondig en waarvoor ik zelfs als een misdadiger gevangenschap heb te lijden. Maar het woord van God laat zich niet in de boeien slaan. Daarom ben ik bereid alles te verdragen, ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij het heil verwerven in Christus Jezus en eeuwige heerlijkheid. Hoe waar is dit woord: ‘Als wij met Hem gestorven zijn zullen wij met Hem leven. Als wij volharden, zullen wij Hem heersen. Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen. Als wij Hém verloochenen, zal Hij ?ns verloochenen. Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw: zichzelf verloochenen kan Hij niet’.

Evangelielezing: Lucas 17, 11-19
Op zijn reis naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen Hij een dorp binnenging kwamen Hem tien melaatsen tegemoet; zij bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels: ‘Jezus, Meester, ontferm U over ons!’. Hij zag hen en sprak: ‘Gaat u laten zien aan de priesters’. En onderweg werden zij gereinigd. Een van hen keerde terug toen hij zag dat hij genezen was, en hij verheerlijkte God met luide stem. Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus’ voeten neer, en deze man was een Samaritaan. Hierop vroeg Jezus: ‘Zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? Is er iemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling?’. En Hij sprak tot hem: ‘Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered’.


Gedachten bij de Schriftlezingen
De eerste lezing is een klein deel van de verhalenreeks over de profeet Elisa. Elisa is de opvolger van Elia (zie 2 Koningen 2,15). Elisa heeft een knecht, Gechazi, voor het eerst genoemd in 4,12. Gechazi is het type knecht dat meestal wel, maar soms net niet de essentie van het optreden van zijn meester begrijpt.
Dat geldt ook vandaag, als de genezing van Naäman, een legeroverste uit Aram, centraal staat. Israël en Aram leven min of meer op voet van oorlog met elkaar. Aram heeft bij een van de strooptochten een meisje uit Israël meegenomen, dat nu werkt in het huis van Naäman (zie 5,2). Naäman wordt getroffen door een huidziekte, huidvraat, of melaatsheid. Het meisje adviseert Naäman om de Godsman Elisa te raadplegen voor genezing. Aldus gebeurt. Elisa raadt Naäman aan zevenmaal te baden in de rivier de Jordaan. Aanvankelijk weigert Naäman. Hij had iets meer spektakel verwacht: onderdompelen in de Jordaan, terwijl de rivieren in zijn eigen land niet goed genoeg zouden zijn (5,12)? Zijn gevolg praat op hem in: zou hij ook niet gedaan hebben wat Elisa vroeg, als hij een moeilijke opdracht had gekregen?
De lezing van vandaag begint hier: Naäman baadt zich en wordt genezen. Onmiddellijk wordt duidelijk dat deze genezing te danken is aan de God van Israël. Naäman belijdt de God van Israël als de enige God op de wereld (5,15). Hij wil Elisa belonen voor deze genezing, maar daar is geen sprake van. Dan wil hij wel aarde (adama, de aarde waaruit de mens is geschapen; Genesis 2,7) uit Israël meenemen, heilige grond, als teken van het feit dat hij geen offers meer zal brengen voor andere goden. Eind goed, al goed, zouden we denken, en hier eindigt ook de eerste lezing.

Hoe te dienen?
Maar het verhaal eindigt hier niet. Het verdient aanbeveling nog even door te lezen, want dan blijkt hoezeer dit verhaal niet over machthebbers en koningen gaat, maar over dienstbaarheid en bedienden. Was het eerst het meisje dat Naäman op het spoor zette van de profeet, en waren het zijn bedienden die hem overhaalden om toch te baden in de Jordaan, nu treedt de knecht Gechazi van Elisa naar voren. Hij vindt het onhandig dat zijn meester niets aanneemt voor de bewezen diensten. De Nieuwe
Bijbelvertaling acht het een daad van onbeleefdheid om niets aan te nemen, in andere vertalingen klinkt meer de hebzucht van Gechazi door. Maar Gechazi’s actie om toch een gift van Naäman los te krijgen loopt erop uit dat hijzelf een huidziekte oploopt. Hij ontpopt zich als een onbetrouwbare dienaar en is niet langer, of kan niet langer zijn, de knecht van Elisa (5,27).

De weg naar Jeruzalem
De evangelieperikoop zet ons in de eerste zin al op het goede spoor: Jezus is op weg naar Jeruzalem. Deze stad is vanaf het begin van het Lucasevangelie het centrum: daar dient Zacharias in de tempel, daar wordt de pasgeboren Jezus opgedragen, daar verblijft Hij als twaalfjarige in de tempel en daar zal Hij sterven en verrijzen. Sinds vers 9,51 is Jezus’ weg naar deze stad gericht. In het boek Handelingen, ook van Lucas, heeft Jeruzalem deze bijzondere plaats nog steeds: nu als basis en ijkpunt van de verkondiging van de verrijzenis door de hele wereld. Het verhaal van de reiniging van tien melaatsen staat in het licht van deze gang naar Jeruzalem. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt niet ‘melaats’, maar ‘huidvraat’. Welke ziekte hier bedoeld is, is niet zonder meer duidelijk, maar duidelijk is wel dat lijders aan zo’n ziekte buiten de gemeenschap worden gesloten. Des te vreemder natuurlijk dat hier tien van die buitengesloten lijders aan de ziekte Jezus tegemoet komen en Hem ontmoeten. Wat is dat voor een merkwaardig dorp, waar Jezus binnentrekt? Vers 17,11 situeert dit dorp in het grensgebied van Samaria en Galilea. Verderop sugge reert dit verhaal door de ene Samaritaan te noemen die komt bedanken, dat de anderen geen Samaritanen zijn. Een vreemdeling is hij (17,18). We verkeren in het overgangsgebied tussen het bekende land (Galilea) en het ‘buitenland’. Voor dit buitenland heeft Lucas een warme belangstelling. Al bij het optreden van Jezus in de synagoge van Nazaret (hoofdstuk 4) noemt hij Sarepta en Sidon en Naäman de Syriër (uit de eerste lezing van vandaag). Hij maakt met een man uit Samaria duidelijk wie een naaste is (10,30-37). In Handelingen zal Lucas dit wijdere blikveld open houden: ‘ Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van Mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde’ (Handelingen 1,8). En de eerste verkondiging buiten de stad Jeruzalem zal ook in Samaria zijn, door Filippus, de diaken .

Tien is voldoende
Tien lijders aan huidvraat komen Jezus tegemoet: tien mensen die uitgesloten zijn van de gemeenschap, maar met hun tienen zijn ze juist weer een gemeenschap. Minjan, de tien mannen die nodig zijn om een joodse ‘synagoge’ te vormen. Het is een groep die een gemengde samenstelling heeft en door hun ziekte ook onrein is. Jezus maakt er als het ware een nieuwe gemeenschap van door ze te genezen. Hij stuurt hen naar de priesters om zich te laten zien, de gebruikelijke procedure bij het genezen van zo’n ziekte (zie Leviticus 13-14). Op weg naar de tempel (vergelijk 17,14) worden ze genezen, ook de Samaritaan, de vreemdeling. Een van de tien merkt dat hij genezen is (17,15). Tussen de woorden ‘reiniging’ (17,14 en 17) klinkt nu ‘genezen’, een werkwoord waar Lucas een voorliefde voor heeft. Genezen heeft een fysieke, lichamelijke betekenis en maakt concreet zichtbaar wat reinigen en redden betekenen (zie bijvoorbeeld 6,19; 8,46-48). De Samaritaan looft God met luide stem (17,15). Het is het antwoord op het luide smeken om medelijden, genade (17,13) van de onreine gemeente. Deze vreemdeling mag dan ook horen: ‘Sta op, verrijs’ (17,19). ‘Uw geloof heeft u gered’, zegt Jezus. Deze woorden klonken ook bij de bloedvloeiende vrouw (8,47-48). Deze vrouw, en de vrouw in 7,50, krijgen de opdracht te gaan, in vrede. Met dezelfde woorden krijgt de Samaritaan de opdracht te ‘gaan’, maar nu zonder de toevoeging ‘in vrede’. Opgaan naar Jeruzalem (17,11 en 19) is de weg van de vrede gaan. Deze Samaritaan, een ‘vreemdeling’ op Israëls grond, is opgenomen in de gemeenschap die opgaat naar het huis van de HEER (Psalm 122).