Liturgie & leven

Hoogfeest van Pasen jaar C

Eerste lezing: Handelingen van de apostelen 10, 34a. 37 – 43
In die tijd nam Petrus het woord en sprak: ‘Gij weet wat er overal in Judea gebeurd is; hoe Jezus van Nazaret zijn optreden begon in Galilea na het doopsel dat Johannes predikte, en hoe God Hem gezalfd heeft met de heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas allen die onder de dwingelandij van de duivel stonden, want God was met Hem. En wij getuigen van alles wat Hij in het land van de Joden en in Jeruzalem gedaan heeft. Hem hebben ze aan het kruishout geslagen en vermoord. God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen, niet aan het hele volk, maar aan de getuigen die door God tevoren waren uitgekozen, aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan. Hij gaf ons de opdracht aan het volk te prediken, en te getuigen dat Hij de door God aangestelde rechter is over de levenden en de doden. Van Hem leggen alle profeten het getuigenis af, dat ieder die in Hem gelooft door zijn naam vergiffenis van zonden verkrijgt’.

Antwoordpsalm: Psalm 118, 1 – 2.16ab – 17. 22 – 23

Tweede lezing: Kolossenzen 3, 1 – 4
Broeders en zusters, als gij met Christus ten leven zijt gewekt zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse. Gij zijt immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.

Evangelielezing: Johannes 20, 1 – 9
Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena in de morgen – het was nog donker – bij het graf en zag dat de steen van het graf was weggerold. Zij liep snel naar Simon Petrus en naar de andere, de door Jezus beminde leerling en zei tot hen: ‘Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze hem hebben neergelegd’. Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. Ze liepen samen vlug voort, maar die andere leerling snelde Petrus vooruit en kwam het eerst bij het graf aan. Voorover bukkend zag hij de zwachtels liggen, maar hij ging niet naar binnen. Simon Petrus die hem volgde, kwam ook bij het graf en trad wel binnen. Hij zag dat de zwachtels er lagen, maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats. Toen ging ook de andere leerling die het eerst bij het graf was aangekomen naar binnen; hij zag en geloofde want zij hadden nog niet begrepen hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.


Gedachten bij de Schriftlezingen

Het is een bijzondere keuze om met déze lezingen het hoogfeest van Pasen te vieren, – inmiddels in het volle daglicht van de paasmorgen. De evangelielezing lijkt wel erg krap bemeten, daar blijven we nog grotendeels bevangen in de beklemming van bange vermoedens. De Opgestane komt nog niet in beeld, er is alleen een begin van paasgeloof bij een van de leerlingen. Dat is niet waar je het volle orgel en de trompetten voor laat schallen. Je houdt er veeleer de adem bij in, wachtend op de bevrijdende ontknoping waarin de drie leerlingen niet elk apart in de ban van hun vermoedens zijn, maar één worden in de ontmoeting met de verrezen Heer. De lezing uit de Handelingen vertelt juist weer een heel ruim verhaal: het hele leven van Jezus vanaf zijn doop tot en met de zending van zijn leerlingen – en het gebeuren van paasmorgen komt daarin voor, maar wel in één adem met alles wat ervoor en erna kwam. Hoe kunnen we bij deze twee verhalen zinnig over Pasen vertellen?

Logeerkamer
Het spannende van de evangelielezing is dat daarin stapje voor stapje een beeld wordt opgebouwd. Eerst ontdekt Maria Magdalena dat het graf geopend is, dan ontdekt de geliefde leerling dat de doeken in het graf liggen, en ten slotte ontdekt Petrus dat de gelaatsdoek apart opgerold ligt. De eerste gedachte is aan grafroof. Als dan de doeken er blijken te liggen, kunnen de bange gedachten alle kanten op – wat hebben ze met Hem gedaan? Maar de gelaatsdoek laat het beeld kantelen: je staat opeens in een verlaten logeerkamer waar de gast het bed heeft afgehaald en de deur heeft opengelaten.
De geliefde leerling ‘zag het en geloofde’ (Johannes 20,8). Er wordt wel verondersteld dat de evangelist deze leerling, die nooit bij name wordt genoemd, bedoeld heeft als een blanco personage waar de lezer zelf in kan stappen: je wordt uitgenodigd om de geliefde leerling te zijn. Maria Magdalena is verbijsterd en Petrus snapt het nog niet (zie 20,9), maar bij jou, geliefde lezer, begint het te dagen. Het is aan jou om de ban te breken waar Maria en Petrus nog in gevangen zijn. Hij leeft! Als jij het niet zegt, zegt niemand het – dat is een mooie aanmoediging om in deze kerkdienst uit volle borst paasliederen te zingen!

Eten en drinken
In de lezing uit Handelingen vertelt Petrus het hele Jezus-verhaal ten huize van de Romeinse militair Cornelius. Eigenlijk wel fraai dat we op paasmorgen zo’n compacte samenvatting van het totale verhaal krijgen. Interessant dat het dan niet gaat over ‘Gods Zoon die in de wereld gezonden is’, maar over Jezus van Nazaret die bij zijn doop met de kracht van God werd bekleed. Petrus zegt niet ‘Hij was God’, maar ‘God stond Hem bij’ (10,38) en ‘God heeft Hem weer tot leven gewekt’(10,40). Hij spreekt over de mens Jezus in heel andere (minder vergoddelijkende) taal dan Johannes de evangelist. Intussen houdt hij wel staande dat deze Jezus door God tot rechter van levenden en doden is gemaakt en Heer van alle mensen is (10,42). De strekking van het verhaal is dan: niet een of andere keizer of geweldenaar zal Heer en rechter over ons allen zijn, maar deze kwetsbare weldoener die mensen vrede en bevrijding gunt. Om dit verhaal te kunnen houden moest Petrus volgens Handelingen eerst in een droomvisioen ervan overtuigd worden dat hij bij de heidense Cornelius aan tafel mocht gaan zonder zich af te vragen of de spijzen wel koosjer zouden zijn. In dit verband is het wel frappant dat Petrus in zijn preekje zegt dat hij en zijn medegetuigen met de Opgestane gegeten en gedronken hebben (10,41), want ook dat is een onmogelijke communie. De Opgestane had kunnen zeggen: met mijn verheerlijkte lichaam hoef ik jullie brood niet – zoals Petrus het onreine eten van Cornelius zou hebben geweigerd. Maar de Opgestane doorbreekt grenzen tussen werelden, en in die beweging komt Petrus in het heidense huishouden terecht.

Boven en beneden
De epistel lezing (Kolossenzen 3,1-4) roept op om te leven volgens de nieuwe werkelijkheid, ook al ben je ‘hier beneden’ nog helemaal omgeven door de oude realiteit. Dat is een krachtig beeld: we zijn altijd geneigd om te reageren op wat direct om ons heen is, ons te laten meeslepen of opfokken in de maalstroom van wat beneden is. Maar het opstandingsleven van de Heer is de eigenlijke en uiteindelijke context van ieder gedoopt mens. We zijn geroepen om infiltranten vanuit de hemel te zijn, belichaming van de Opgestane in de aardse realiteit. Dat is ook wat Petrus doet: zoals de verheerlijkte Christus maaltijd hield met stervelingen, zo eet hij als jood met heidenen: hij kopieert de hemelse orde naar het hier en nu, zo goed en zo kwaad als dat in deze voorlopige orde gaat.

De verworpen steen
Petrus citeert in zijn preekje uit de antwoordpsalm van deze zondag, Psalm 118. Daar vinden we opnieuw een krachtig beeld voor de grote paradigma wisseling die Pasen ons brengt. De bouwvakkers hebben voor hun bouwwerk stenen geselecteerd, liefst zo eenvormig mogelijk, zo rechthoekig als het kan. Sommige stenen zijn echt onbruikbaar, die passen niet: te driehoekig, te rond, te raar. Maar laat nu, om het gebouw samenhang te geven, in het laatst overgebleven gat (stel je een gevelboog, een gewelf of een bovenhoek voor) geen enkele fatsoenlijke steen passen. Precies die meest onmogelijke steen, al over het randje van het perceel gekieperd, blijkt het puzzelstukje te zijn waardoor alles opeens klopt en klikt en vaststaat als een huis. Het oordeel moet herzien, de verworpen steen krijgt een ereplaats, en voortaan ga je met respect om met wat niet in het plaatje van jouw alledaagse oordeel past. Het zou te gemakkelijk zijn om dat alleen op ‘het geval Jezus’ toe te passen en er niet een ‘wetmatigheid van het nieuwe leven’ van te maken.

OMHOOG Jaargang 63, editie 14, 21 april 2019