Liturgie & leven

zondag 1 december 2019

Eerste zondag van de Advent jaar A

Eerste lezing: Jesaja 2, 1 – 5
Visioen van Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem. Op het einde der dagen zal de berg waarop de tempel van de Heer staat, oprijzen boven alle bergen en uitsteken boven alle heuvels. Alle volkeren zullen erheen stromen en talloze naties erheen trekken. Zij zullen zeggen: ‘Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn paden bewandelen. Want uit Sion komt de wet, het woord van de Heer uit Jeruzalem. Oordelen zal Hij de volkeren, rechtspreken over de talloze naties. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels. Geen volk zal nog leren oorlog voeren. Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer’.

Antwoordpsalm: Psalm 122, 1-2.3-4a.4b-5.6-7.8-9

Tweede lezing: Romeinen 13, 11 – 14
Broeders en zusters, gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. Thans is ons heil dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. Laten wij ons behoorlijk gedragen op klaarlichte dag, en ons onthouden van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jezus Christus en koestert geen zondige begeerten meer.

Evangelielezing: Matteüs 24, 37 – 44
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Zoals de mensen in de dagen vóór de zondvloed doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, tot op de dag waarop Noach de ark de ark binnenging, en zij niets vermoedden totdat de zondvloed kwam en allen wegrukte: zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten. Weest dus waakzaam, want gij weetniet op welke dag uw Heer komt. Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen, zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht’.


Gedachten bij de Schriftlezingen

De teksten van vandaag staan bol van de toekomstverwachting. Toch is wat er verwacht wordt, in elk van die teksten weer anders. Dat kan iets zeggen over de betekenis van gelovige toekomstverwachting.

Vervulde verwachting?
In Psalm 122 is het verlangen eigenlijk al uitgekomen. Na zijn opwinding bij het begin van zijn pelgrimstocht naar Jeruzalem (vers 1) gaat de dichter nu de stadspoort al binnen (vers 2). Hij bewondert de dicht opeenstaande gebouwen en de mensenmenigte (verzen 3-4). Alles is zoals het moet zijn: veiligheid, stabiliteit en recht, door het huis van David, dat, zo geloofde men, tot in eeuwigheid zou blijven regeren (2 Samuël 7,16). Alleen: zo is het niet gebleven. In 587 voor onze jaartelling werd Jeruzalem ingenomen, de tempel verwoest, de koning afgezet en de bevolking afgevoerd naar Babel.
Toch zijn de Joden deze psalm blijven zingen. De tevredenheid over hoe goed het ging, veranderde in een visioen over hoe het ooit weer zou kunnen zijn. Heel concreet, zoals in de bekende Joodse afscheidsgroet ‘Volgend jaar in Jeruzalem’. Maar daarbovenuit verwoordt de psalm zo ook het verlangen naar een tijd van vrede, eindelijk vrede, en recht. Dat is een verlangen waarin wij mogen meezingen.

Tussen hoop en vrees
In Psalm 122 is de verwachting nog heel concreet: herstel van Jeruzalem en het koningshuis van David. In Jesaja 2 komen we dezelfde verwachting tegen, maar dan uitgewerkt tot een visioen van wereldwijde proporties: Jeruzalem, met de tempel, als het stevige centrum van de wereld, van waaruit God de wereld regeert. Wanneer dat zo ver is, hoopt Jesaja, zal het eindelijk vrede zijn en wordt de oorlog niet meer geleerd. Enigszins opmerkelijk is wel dat bij dit alles de koning uit het huis van David niet wordt genoemd. Dat kon weleens veelzeggend zijn. In zijn directe context is dit visioen eigenlijk een onderbreking van een serie aanklachten en onheilsprofetieën tegen Juda en Jeruzalem.
Overal om zich heen ziet de profeet geweld, corruptie en onrecht (Jesaja 1,21-24). Daarbij spelen de koningen nadrukkelijk een rol (1,23). De profeet is bang dat God zijn volk daardoor allang heeft verstoten (2,6) en vreselijke rampen over ze zal brengen (2,10-21). Toch ziet hij nog hoop, al pendelt hij letterlijk tussen hoop en vrees: in 1,25-27 belooft God dat Hij Jeruzalem zal louteren, zodat het weer de stad van vrede en recht wordt, maar al in 1,28 valt Jesaja weer terug in pessimisme. Hij spreekt strikt genomen alleen tegen ‘opstandige zondaars’, maar je voelt aan alles dat dat zo ongeveer heel Juda is. En dan, als een rots in de branding, of eerder als een zwerfkei, dat visioen van de lezing van vandaag. Een visioen dat in niets lijkt op de actuele situatie en Jesaja’s directe verwachtingen, maar wel een visioen dat hij kennelijk nodig heeft om de wanhopige situatie aan te kunnen. Jesaja houdt zich vast aan de verwachting dat achter alle rampspoed toch weer herstel mogelijk is.

De dag nadert al
De verwachting van Paulus is een heel andere dan die van Jesaja 2. Gerechtigheid en vrede tussen de volken zijn voor hem geen onderwerp. Hij verwacht de terugkeer van Christus, en wel heel binnenkort. De eerste gemeente, en Paulus was daarin geen uitzondering, ging ervan uit dat Jezus heel snel zou terugkomen, nog bij hun leven. Dit gegeven zet alles in een ander daglicht. Deze wereld, met alle misstanden en gevaren, loopt op haar laatste benen. Letterlijk ieder moment kan het afgelopen zijn. Als je er zo tegenaan kijkt, heeft het ook niet veel zin meer om die wereld als geheel nog te veranderen. Dan kun je veel beter zorgen dat je zuiver leeft, voor als het moment daar is. Intussen zijn wij zo’n tweeduizend jaar verder. We moeten vaststellen dat Paulus en de eerste gemeente zich in de timing vergist hebben. Voor ons is het mentaal welhaast onmogelijk, en zelfs ongezond, om daar voortdurend op gespitst te zijn. Wat Paulus’ houding ons misschien wel kan leren, is een zekere relativering van alles
waar we ons normaal druk om maken. Hoe goed het ook is om te werken aan een betere wereld, uiteindelijk is die taak voor ieder van ons te zwaar. Dan is het goed om je af en toe even uit die wereld terug te trekken en je te concentreren op je eigen spirituele situatie.

Dreigende taal
Ook Matteüs lijkt op een snelle wederkomst te rekenen. Niemand weet wanneer ‘die dag’ aanbreekt, maar het kan plotseling zo ver zijn. Het is dreigende taal. Ook het beeld van de twee mensen aan hun dagelijkse bezigheden, waarvan er een wordt meegenomen en de ander wordt achtergelaten, spreekt sterk tot de bange verbeelding. In bepaalde evangelische kringen in Amerika wordt het dan ook volstrekt letterlijk genomen. Het is de vraag of dat de tekst recht doet. Jezus’ redevoering is een voorbeeld van apocalyptiek, een literair genre waartoe onder andere ook de Openbaring van Johannes behoort. Apocalyptiek schildert vaak barokke beelden over de toekomst, maar die zijn eigenlijk nooit letterlijk bedoeld. Ze wijzen vaak naar de actuele werkelijkheid van die tijd. Zo ook hier: hoofdstuk 24,1-28 beschrijft in beeldtaal de roerige en rampzalige gebeurtenissen van de eerste eeuw, vooral de verwoesting van Jeruzalem. Dat is al gebeurd wanneer Matteüs zijn boek schrijft. Maar, zegt hij, uiteindelijk zal Jezus het winnen van geweld en onrecht. Dat is de eigenlijke boodschap. De lezing van vandaag wil in deze context vooral benadrukken dat je je niet moet blindstaren op vragen naar hoe en wanneer precies (24,36). Het komt erop aan bij alle rumoer en vervolging aan de goede kant te blijven staan (24,40-41).

Advent
We zien dus dat verwachting in de Bijbel veel vormen en inhouden heeft. Onze adventsverwachting staat ook in deze rij. Wat in al deze verwachtingen gelijk blijft, is het verwachten zelf. Mensen, zeker gelovige mensen, zijn gericht op de toekomst. Hoop dat het goed komt, ondanks alles, is een constante in het geloof. Dat is niet maar een eigenaardigheid van mensen. Wij geloven dat ons die hoop wordt ingefluisterd door een God die het werk van zijn handen niet loslaat.