Liturgie & leven

Zondag 23 januari

Derde zondag door het jaar C

Eerste lezing: Nehemia 8, 2-4a. 5-6. 8-10:
Het boek van de Tora wordt voorgelezen én verklaard, zodat iedereen het kan verstaan

Uit het boek Nehemia.
In die dagen bracht de priester Ezra, het boek van de wet voor de vergadering
van mannen en vrouwen en van allen die de voorlezing konden volgen. Het was de eerste dag van de zevende maand Vanaf de dageraad tot de middag las Ezra voor uit het boek op het plein voor de Waterpoort ten aanhoren van mannen en vrouwen en van allen die het konden volgen. Het volk luisterde aandachtig naar de voorlezing van het wetboek. Ezra, de schriftgeleerde, ging op een houten verhoog staan dat voor die gelegenheid opgeslagen was. Ten aanschouwe van heel het volk, hij stak immers boven allen uit, opende Ezra het boek. Op dat ogenblik gingen allen staan. Ezra prees de heer, de grote God, en heel het volk antwoordde: “Amen, amen!” De Levieten staken hun handen omhoog, zij bogen het hoofd en zij aanbaden de Heer met het gezicht tegen de grond. Zij lazen uit het boek van Gods wet, legden het uit en verklaarden de betekenis, zodat allen de lezing verstonden. Vervolgens zeiden Nehemia, de landvoogd, Ezra de priester en schriftgeleerde en de levieten die de uitleg gaven tot heel het volk: “Deze dag is aan de Heer, uw God, gewijd. Gij moogt dus niet treurig zijn en niet wenen.”
Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde. En ze zeiden hun: “Komt, gaat lekker eten en drinkt er zoete wijn bij en deelt ervan mee aan wie niets heeft, want deze dag is aan onze Heer gewijd. Weest niet bedroefd, maar de vreugde die de Heer u schenkt zij uw kracht.”

Antwoordpsalm psalm: psalm 19 (18) 8, 9, 10, 15

Refrein:
Uw woorden, Heer, zijn geest en leven.

De Wet van de Heer is volkomen,
zij sterkt de onzekere geest.
Zijn voorschriften zijn betrouwbaar,
onwetenden maken zij wijs.

Rechtmatig zijn al zijn bevelen,
bevredigend voor het gemoed.
Glashelder zijn zijn geboden,
zij zijn een licht voor het oog.

Het woord van de Heer is eerlijk,
het blijft in eeuwigheid waar.
Zijn uitspraken zijn waarachtig,
rechtvaardig in iedere zaak.
Laat al mijn spreken en denken
voor U aanvaardbaar zijn, Heer,
voor U, mijn rots en verlosser.

Tweede Lezing: I Korintiërs 12, 12 – 30
Wij zijn een deel van het ene lichaam van Christus, dat vele, verschillende ledenmaten telt.

Broeders en zusters, Het menselijke lichaam vormt met zijn vele ledematen één geheel; alle ledematen, hoe vele ook, maken te zamen één lichaam uit. zo is het ook met Christus. Wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest door de doop één enkel lichaam geworden en allen werden wij gedrenkt met één Geest. Een lichaam bestaat nu eenmaal niet uit één lid maar uit vele leden. (Veronderstel dat de voet zegt: “Omdat ik geen hand ben behoor ik niet tot het lichaam.” Behoort hij daarom niet tot het lichaam? En veronderstel dat het oor zegt: “Omdat ik geen oog ben behoor ik niet tot het lichaam. ”Behoort het daarom niet tot het lichaam. Als het hele lichaam oog was waar bleef dan het gehoor? Als het helemaal gehoor was waar bleef de reuk? In werkelijkheid echter heeft God de ledematen en organen elk afzonderlijk hun plaats in het lichaam aangewezen zoals Hij het gewild heeft. Als zij alle samen één lid vormden waar bleef dan het lichaam? In feite echter zijn er vele ledematen, maar slechts één lichaam. Het oog kan niet tot de hand zeggen: “Ik heb je niet nodig.” en evenmin het hoofd tot de voeten “Ik heb je niet nodig.” Nog sterker: juist die delen van het lichaam die het zwakst schijnen te zijn zijn onmisbaar. En die wij beschouwen als minder eerbaar omgeven wij met grote eer. Onze minder edele ledematen worden met groter kiesheid behandeld, de andere hebben dat niet nodig. God heeft het lichaam zo samengesteld dat Hij aan het mindere méér eer gaf opdat er in het lichaam geen verdeeldheid zou zij en de ledematen eendrachtig voor elkaar zouden zorgen. Wanneer één lid lijdt delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd, alle delen in de vreugde.) Welnu, gij zijt het lichaam van Christus en ieder van u is een lid van dit lichaam. (Nu heeft God in de kerk allerlei mensen aangesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars; voorts zijn er wonderkrachten dan gaven van genezing, hulpbetoon, bestuur en velerlei taal. Zijn soms allen apostelen, allen profeten, allen leraars, allen wonderdoeners? Hebben allen gaven van genezing? Spreken allen in vervoering? Kunnen allen uitleg geven?)

Alleluia
Jezus leest voor uit het boek Jesaja, en kondigt aan dat dit woord vandaag in vervulling gaat.

Evangelielezing: Lucas 1, 1 – 4; 4, 14 – 21
Reeds velen hebben getracht de gebeurtenissen te verhalen die onder ons hebben plaats gevonden, aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren en in dienst van het woord zijn getreden. Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot– na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht –voor u een ordelijk verslag te schrijven, met de bedoeling u te doen zien hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt. In die tijd keerde Jezus in de kracht van de Geest uit de woestijn terug naar Galilea en men sprak over Hem in heel de streek. Hij trad nu op als leraar in hun synagogen en werd algemeen geprezen. Zo kwam Hij ook in Nazaret, waar Hij was grootgebracht. Hij ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond: “De Geest des Heren is over Mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft. Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.” Daarop rolde Hij het boek dicht, gaf het terug aan de dienaar en ging zitten. In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd. Toen begon Hij hen toe te spreken: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan.”


Gedachten bij de Schriftlezingen

Nadat de koning van Perzië de Judese ballingen naar huis liet terugkeren, namen deze de restauratie van hun stad en land ter hand. Dit gebeurde onder leiding van hun gouverneur Nehemia en van de priester en Schriftgeleerde Ezra. In onze eerste lezing lijkt de wederopbouw van de stad intussen gerealiseerd. Daarom wordt nu het volk gevraagd om zich te verzamelen rond de plechtige voorlezing van de Thora, de wet van Mozes. Als Ezra, staande op een verhoging, het wetboek aan het volk toont, gaan allen staan. Dan prijst hij de Heer, waarop het volk Amen zegt. Vervolgens heft hij de handen ten hemel, knielt neer en buigt diep ter aarde. Daarna wordt door levieten de Thora voorgelezen en uitgelegd, van ‘s morgens vroeg tot laat in de middag. De mensen zijn diep ontroerd en vol tranen. Maar Ezra drukt hun op het hart om in plaats van te treuren vooral blij te zijn en er een feestelijke dag van te maken.

Een gemeenschap rond de Thora
Terug na een lange periode van ballingschap zoekt Israël onder leiding van Ezra naar een nieuwe identiteit. Nu ze niet meer kunnen aansluiten bij de oude tradities van koningschap en tempel, gaat de Thora het hart van de gemeenschap vormen, een wet die niet bedoeld is tot treurnis over hun schuld en tekort, maar een die vreugde betekent voor een hernieuwd Israël. Het is de wet van Mozes die hier als een heilig boek wordt omarmd. De antwoordpsalm (Psalm 19) die hierna volgt, bezingt dan ook de wet van de Heer als goed en betrouwbaar, als een verademing voor de ziel en als een helder licht voor onze ogen.

Een gemeenschap rond Christus
Voor Paulus, in de tweede lezing, is het Christus die het hart van de gelovige gemeenschap vormt en die ons tot zijn lichaam maakt. Hoewel dit lichaam één is, bestaat het tegelijkertijd uit vele ledematen, die wij vormen. Immers wij zijn tot dit ene lichaam gedoopt in kracht van de ene Geest en doordrenkt van één Geest. Dit geldt voor alle christenen, met welke achtergrond, afkomst of kwaliteit ook. Zo sluit deze tweede lezing heel goed aan bij de Week van gebed voor de eenheid van de christenen.

Hooggeachte Theofilus
Geheel in lijn met de klassieke Griekse geschiedschrijving begint Lucas zijn evangelie met een inleidend woord tot de lezer, de hooggeachte Theofilus. Deze naam lijkt meer dan een eigennaam. De betekenis is ‘vriend van God’. Volgens Willem Barnard is het bijna een soortnaam: zij die godelievend zijn en naar wie Gods liefde uitgaat. Aan hen wil Lucas verslag doen van alles wat zich in hun midden heeft voltrokken en van wat hun door de ooggetuigen vanaf het begin is overgeleverd. Over de inhoud van dit evangelie lezen we in de openingswoorden van Handelingen, Lucas’ tweede boek, het volgende: ‘In mijn eerste boek, Theofilus, heb ik de daden en het onderricht van Jezus beschreven, vanaf het begin tot aan de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, nadat Hij de apostelen, die Hij door de heilige Geest had uitgekozen, had gezegd wat hun opdracht was. Na zijn lijden en dood heeft Hij hun herhaaldelijk bewezen dat Hij leefde; gedurende veertig dagen is Hij in hun midden verschenen en sprak Hij met hen over het koninkrijk van God’ (1,1-3). Hier, aan het begin van zijn evangelie, drukt Lucas de jonge christengemeenten op het hart dat hij met zorg te werk is gegaan en dat hetgeen waarin ze zijn onderricht betrouwbaar en waar is.

In de synagoge van Nazaret
Onze perikoop gaat verder vanaf Lucas 4,14, waar Jezus begint met zijn optreden als leraar en genezer in Galilea. Zijn faam gaat er voor Hem uit, Hij geeft onderricht in de synagogen en wordt door allen geprezen. Ook in zijn geboortestad Nazaret geeft Hij gewoontegetrouw op sabbat onderricht in de synagoge. Lucas gebruikt hier het ongebruikelijke ‘Nazara’, een aanduiding die doet denken aan de nazireeër die zich geheel aan God toewijdt (Numeri 6,2), hier in de betekenis van ‘met de Thora grootgebracht’. Om te beschrijven wat er in de synagoge gebeurt, gebruikt Lucas de beproefde stijlfiguur van het chiasme: A: Hij staat op, B: Hem wordt de boekrol aangereikt, C: deze rolt Hij open C’: en sluit hem na het lezen, B’: geeft de boekrol terug aan de dienaar A’: en gaat ten slotte zitten. Al lezend ‘vindt’ Jezus de tekst van Jesaja, niet bij toeval, maar ongetwijfeld na een proces van studie en zoeken. In de geciteerde tekst worden twee passages van Jesaja met elkaar verbonden (61,1v en 58,6). Het zijn teksten die beide gaan over ‘vrijlating’. Zo is het de roeping van de profeet om vrijlating te brengen voor armen, gevangenen en verdrukten. Daartoe weet ook Jezus zich als Gezalfde geroepen, terwijl de Geest van de Heer op Hem rust.

Een jaar van vrijlating
Het behoort eveneens tot de roeping van de profeet om ten slotte een jubeljaar af te kondigen, een jaar waarin vrijlating het sleutelwoord is. Immers dit genadejaar, elk vijftigste jaar, is een lossingsjaar, waarin alle schulden worden kwijtgescholden en slaven worden vrijgelaten. Ook gaat elk stuk grond, wijngaard of akker, terug naar de oorspronkelijke eigenaar. Economische en sociale verhoudingen moeten worden hersteld op basis van gelijkheid. Of zoals Leviticus 25,10 zegt: ‘Jullie keren terug, ieder naar zijn bezit en naar zijn eigen familiegeslacht.’ Nadat Jezus deze profetentekst heeft gelezen, wacht iedereen in spanning af wat Hij daarover zal gaan zeggen. En tot hun verbazing actualiseert Hij deze profetie en past hem heel plastisch toe op zijn eigen optreden en roeping. ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan’ (4,21). In onze perikooptekst, die hier wordt afgesloten, vernemen we niets over de bijval die Jezus hierop in zijn vaderstad ontving. Gekozen is blijkbaar voor een open einde met alle ruimte voor een hedendaagse verkondiging.

OMHOOG Jaargang 66, editie 03, 23 januari 2022

%d bloggers liken dit: