Geloofsverdieping

zondag 12 augustus 2018

Negentiende zondag door het jaar

Eerste lezing: I Koningen 19, 4-8
In die dagen kwam Elia na een tocht van een dag in de woestijn bij een bremstruik. Hij zette zich eronder neer. Hij verlangde te sterven, en zei: ‘Het wordt mij te veel, Heer; laat mij sterven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen’. Daarop ging hij onder de bremstruik liggen, en sliep in. Maar opeens stiet een engel hem aan, en zei tot hem: ‘Sta op, en eet’. Hij keek op, en daar zag hij aan zijn hoofdeinde een koek, op gloeiende stenen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk, en legde zich weer te ruste. Maar opnieuw, voor de tweede maal, stiet de engel van de Heer hem aan, en zei: ‘Sta op, en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven’. Toen stond hij op, at en dronk, en gestrekt door het voedsel liep hij veertig dagen en nachten tot hij de berg van God de Horeb bereikte.

Antwoordpsalm: Psalm 34, 2-3.4-5.6-7.8-9

Tweede lezing: Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan Efeziërs 4, 30-5,2
Broeders en zusters, wilt Gods heilige Geest niet bedroeven; gij zijt met zijn zegel gewaarmerkt voor de dag der verlossing. Wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek, kortom alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen. Weest goed voor elkaar en hartelijk. Vergeeft elkaar zoals God u vergeven heeft in Christus. Weest navolgers van God zoals geliefde kinderen past. Leidt een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus, die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd als offergave en slachtoffer, God tot een lieflijke geur.

Evangelielezing: Uit het heilig evangelie volgens Johannes 6, 41-51
Jezus is het brood des levens, dat uit de hemel is neergedaald.


B1-LiturgieAfb-32-1208Gedachten bij de Schriftlezingen
In zowel het verhaal over Elia als in het evangelie van vandaag worden er mensen gevoed. De profeet Elia krijgt van een boodschapper van de Ene te eten en Jezus zegt van zichzelf dat Hij brood is dat leven geeft. Hoe kunnen we deze zo verschillende verhalen in eenzelfde perspectief lezen?

Elia op weg naar de Horeb
Onder invloed van koningin Izebel, de dochter van een buitenlandse Baälpriester, heeft de verering van de Kanaänitische god Baäl in het rijk van koning Achab alle ruimte gekregen. Hun grote tegenspeler is Elia, de profeet van de Ene. Het loopt zo hoog op dat Elia met zijn knecht naar het buitenland vlucht. Maar zelfs daar voelt hij zich niet veilig. Hij laat zijn knecht achter en trekt alleen de woestijn in, waar ooit de Israëlieten de Ene hadden leren kennen. Daar begint de lezing van vandaag. Na één dag reizen gaat hij moedeloos onder een bremstruik liggen slapen in een woestijn, waar de mens op zichzelf terug wordt geworpen. Elia moet zichzelf hervinden, op dezelfde manier als de Israëlieten die, toen ze onder het slavenjuk uit waren, hun eigen identiteit nog moesten ontdekken. Want wie is hij eigenlijk nog, deze Elia, weg uit de bewoonde wereld? Wat moet een profeet daar in de woestijn? Vandaar dat hij zich beklaagt: ‘Het is genoeg geweest, Heer. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders’ (1 Koningen 19,4). De plaats, de braamstruik waarin ooit de Ene zich aan Mozes had geopenbaard, hier in dezelfde streek, schemert al door het verhaal heen, al heeft Elia dat aanvankelijk niet door. Hij wordt door een engel gewekt en er staat eten klaar. Dit zou hem aan het denken kunnen zetten, want toen hij enige jaren geleden in de eenzaamheid vertoefde om zich voor Achab onzichtbaar te maken, had God ook voor eten gezorgd (zie 17,6), maar in zijn mismoedigheid ziet hij niets. Hij eet, drinkt en gaat weer liggen. En dan komt de engel, de bode van de Ene, opnieuw. Elia moet opstaan en eten, omdat de weg anders te zwaar zou worden (19,7). Veertig dagen en veertig nachten duurt die reis. Veertig – een veelzeggend getal in de Bijbel: veertig jaar trekken de Israëlieten door de woestijn, veertig dagen verblijft Mozes bij de Ene op de berg van de goden, de Horeb (Exodus 34,28). Nu komt Elia na een even lange reis op diezelfde plaats. Daar zal de Ene zich ook aan hem openbaren, daar zal hij te horen krijgen hoe het verder moet.

Jezus, het brood uit de hemel
Het zesde hoofdstuk van het Johannesevangelie begint met het verhaal van de broodvermenigvuldiging. Het speelt zich af op een berg (6,3). De volgende dag spreekt Jezus van het ware brood uit de hemel dat de Vader geeft. Als men daar vervolgens om vraagt, zegt Hij: ‘Ik ben het brood dat leven geeft. Wie bij Mij komt, zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst hebben’ (6,35). Als de Joodse leiders dat horen, protesteren ze: Hij is toch gewoon de zoon van Jozef en Maria! Jezus reageert dan: ‘Niemand kan bij Mij komen, tenzij de Vader die Mij gezonden heeft, hem bij Me brengt, en Ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken’ (6,44). Daarna verwijst Hij naar de profeten: ‘Al je kinderen worden onderricht door de HEER’ (Jesaja 54,13). En als toelichting daarop: ‘Iedereen die
naar de Vader luistert en van Hem leert, komt bij Mij’ (Johannes 6,45). Met de volgende opmerking zet Jezus ons eerst op het verkeerde been: ‘Niet dat ooit iemand de Vader gezien heeft’, staat er. Niemand, denk je dus. Dan komt er echter een verrassende wending: ‘Alleen Hij die van God komt, heeft Hem gezien’ (6,46). Daarmee doelt Hij natuurlijk op zichzelf, maar op de achtergrond speelt een verhaal uit Exodus mee (24,11-13). Daar gaat Mozes met onder meer de zeventig oudsten van het volk de berg op. Daar zien ze God en houden ze maaltijd met Hem. De geschiedenis herhaalt zich…
Tegen deze achtergrond moet ook de broodvermenigvuldiging gelezen worden. In en achter de persoon van Jezus hebben de daarbij aanwezigen God gezien. Maar wat betekent het brood van leven dat ze mogen ontvangen (6,35)? De parallel met Mozes wijst hier de weg. Zoals hij de Thora, die ons leert hoe te leven, aan het volk heeft doorgegeven, zo doet ook Jezus dat. De vijf broden waarmee de menigte gevoed wordt, verwijzen naar de vijf boeken van de Thora. Bovendien staan de twee vissen voor de Wet en de Profeten, dat is voor de Hebreeuwse Bijbel, Jezus’ Bijbel.

Geef ons heden ons dagelijks brood
Een vergelijking met Matteüs en Lucas biedt ons een sleutel om te begrijpen wat het ‘brood dat leven geeft aan de wereld’ is. Beide evangelisten spreken in hun versie van het Onzevader van ‘brood’, en beiden noemen het ‘het brood dat we nodig hebben’ (Matteüs 6,11; Lucas 11,3). De Vulgaat, de oude vertaling van de Bijbel in het Latijn, kent een verschil in strekking in de vertaling van de bede om brood. Dit wordt mogelijk gemaakt doordat het Griekse woord dat de Nieuwe Bijbelvertaling weergeeft met ‘dat we nodig hebben’, nergens anders in de Bijbel voorkomt en we niet precies weten wat het betekent. De vertaler van de Vulgaat, Hiëronymus, heeft dit word in Matteüs 6,11 weergegeven met supersubstantialem, ‘wat boven de substantie, het stoffelijke uitgaat’, maar in Lucas (11,3) met cotidianum, ‘dagelijks’. Waarom dit verschil in vertaling? Mogelijk heeft Hiëronymus zich laten leiden door een meer concrete oriëntatie op het dagelijks leven, die Lucas heeft in vergelijking met Matteüs, die eerder verwijst naar het koninkrijk van God. We zien dat ook in de parallelteksten van de Zaligsprekingen. Waar Lucas schrijft ‘gelukkig jullie die honger hebben’ (6,20), heeft Matteüs ‘gelukkig wie hongeren en Dorsten naar gerechtigheid’ (5,6). In de traditie is het panem supersubstantialem van Matteüs steeds met de eucharistie in verband gebracht. Daarbij heeft Johannes 6, de tekst van het evangelie van vandaag, een belangrijke rol gespeeld. Gezien het begin van hoofdstuk 6 van Johannes en de context van Matteüs 6, waar het om het doen van gerechtigheid gaat, kan er echter beter aan de Thora gedacht worden. Het brood dat uit de hemel is neergedaald, het brood eeuwig leven geeft aan wie het eet, is het levend brood dat Jezus zijn toehoorders aanbiedt: het doen van Thora, aldus
Johannes (6,51). In beide lezingen van vandaag vormen het aardse en het hemelse brood elkaars tegenhanger: het eerste is de opmaat voor het tweede. Dankzij het brood dat de engel Elia geeft, kan hij zowel letterlijk als figuurlijk verder, en bij Johannes krijgt de vermenigvuldiging van het aardse brood een vervolg in het gesprek over het brood van leven. Lichaam en geest vormen twee kanten van het menselijk bestaan, voeding voor beide is broodnodig.

OMHOOG Jaargang 62, editie 32, 12 augustus 2018