Geloofsverdieping

Zondag 10 juni

10e zondag door het jaar B

Eerste lezing: Genesis 3, 9-15
Nadat Adam van de boom gegeten had, riep de Heer God de mens, en vroeg hem: ‘Waar zijt gij?’ Hij antwoordde: ‘Ik hoorde uw donder in de tuin en toen werd ik bang, omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen.’ Maar Hij zei: ‘Wie heeft u verteld dat gij naakt zijt? Hebt ge soms gegeten van de boom die Ik u verboden heb?’ De mens antwoordde: ‘De vrouw die Gij mij als gezellin gegeven hebt, zij heeft mij van die boom gegeven en toen heb ik gegeten.’ Daarop vroeg de Heer God aan de vrouw: ‘Hoe hebt gij dat kunnen doen?’ De vrouw zei: ‘De slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten.’ De Heer God zei toen tot de slang: ‘Omdat ge dit gedaan hebt zijt gij vervloekt onder alle tamme dieren en onder alle wilde beesten! Op uw buik zult ge kruipen en stof zult ge vreten, alle dagen van uw leven! Vijandschap sticht Ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen en gij zijn hiel!’

Tweede lezing: II Korintiërs 4, 13-5, 1
Broeders en zusters, wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: ‘Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken.’ Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt, ook ons evenals Jezus ten leven zal wekken om ons tot zich te voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u: de genade moet zich in velen vermenigvuldigen zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam. Neen, wij geven de moed niet op. Al gaan wij ook ten onder naar de uitwendige mens, ons innerlijk leven vernieuwt zich van dag tot dag. De lichte kwelling van een ogenblik bezorgt ons een alles overtreffende, altijddurende volheid van glorie. Wij houden het oog gericht niet op het zichtbare maar op het onzichtbare; wat wij zien gaat voorbij, de onzichtbare dingen duren eeuwig. Wij weten het immer: als de tent die onze aardse woning is wordt neergehaald, heeft God voor ons een gebouw gereed in de hemel, een overgankelijk, niet door mensenhand vervaardigd huis.

Evangelielezing: Marcus 3, 20-35


B1-Liturgie-23-1006

Gedachten bij de Schriftlezingen

Als we de beginverzen Marcus 3,20-21 van onze perikoop vergelijken met de parallelle versie van de evangelietekst bij de andere synoptici, dan zijn deze beginverzen van Marcus in dit verband uniek. Nota bene zijn verwanten denken dat Jezus ‘zijn verstand verloren had’ (3,21). De Schriftgeleerden, uit het prestigieuze Jeruzalem gekomen (in opdracht van de hoge Raad?; vergelijk 7,1), doen daar vervolgens nog een schepje bovenop: Jezus is ‘bezeten door Beëlzebul, de vorst der demonen’ (3,22). Marcus componeert er, deels vanuit losse bestaande verhalen die de ronde doen, vrijelijk op los. Het is hem duidelijk: én bloedverwanten én het officiële gezag lijken er niets van te snappen. Sterker nog: vanuit ieders kleinburgerlijke denken begrijpen ze Jezus helemaal niet en ze missen bovendien – vanuit angst en vooringenomenheid – het vermogen zich open te stellen voor zijn even diepzinnige als vrijzinnige interpretatie van Gods koninkrijk op aarde, dat gekenmerkt wordt door menselijke liefde, én lijden.

Wie begrijpt Hem dan wel?
Interessant is dat: juist waar deze twee groepen het laten afweten, zijn er nog twee heel andere groeperingen van de partij. Het gaat om de anonieme, maar niet minder nieuwsgierige en enthousiaste ‘menigte’. Daarnaast zijn er de (kersvers benoemde) ‘apostelen’, door Jezus aangesteld om Hem onder andere te vergezellen en ook zijn ‘goede nieuws’ uit te dragen (vergelijk 3,13- 19). Waar Marcus, aansluitend op de totale veroordeling van Jezus door de Schriftgeleerden (en daarmee op het brisante begin van een onoverkomelijk conflict tussen hen) teruggrijpt op gelijkenissen van Jezus die hun dwaze redeneringen uithollen (vergelijk 3,23-30), lijkt de evangelist vol verve te willen vertellen dat Jezus niet bezeten is van Satan, maar van God. God werkt als krachtbron in Hem. Juist in de tijd van het ontstaan van het Marcusevangelie (zeer waarschijnlijk kort na 70 na Christus), waarin alom van heftige vervolgingen sprake was, vond de schrijver het de moeite waard goedwillende volgers van Jezus – met allerlei achtergronden – een hart onder de riem te steken, om zo onder andere satanisch kwaad te weerstaan (vergelijk Genesis 3,9-15), om ondanks alle mogelijke laster, vervolging en concreet levensgevaar, toch – net als Jezus zelf – ‘te gaan voor God’!

Familie?
Voorafgaand aan onze perikoop vertelt Marcus over een aantal genezingen die door Jezus tot stand komen: aan het meer, in de synagoge, en gewoon onderweg van dorp tot dorp. Steeds gaat het om kwetsbare medemensen die onder lichamelijke of geestelijke kwalen gebukt gaan. Ook vertelt de evangelist onder meer dat Jezus bij zondaars en tollenaars eet. Veel van deze verhalen zijn doorspekt met eigenzinnige uitspraken van Jezus (zie bijvoorbeeld 2,27). Kortom, na zijn voor hem zo kenmerkende proloog zet Marcus Jezus neer als een vrijzinnig denkend, maar ook als een vrijzinnig handelend mens. Steeds volgt Hem een grote menigte die Hij het nodige ‘onderwees’, en wordt Hij vergezeld door zijn (officiële) volgelingen. In een soort sneltreinvaart exposeert Marcus Jezus’ ‘natuurlijke gezag’. Maar we zien ook scheuren ontstaan. Schriftgeleerden hebben kritiek op Hem (vergelijk onder andere 2,6.16). In onze perikoop proberen deze controleurs, nota bene uit het verre Jeruzalem – dus met aanzien – Hem klem te zetten. De letter van de wet is hun wapen, maar het lukt ze niet. En net zo ontluisterend bemoeien mensen van dichtbij, dat wil zeggen zijn verwanten, zich met Hem, ogenschijnlijk uit zorg voor Hem, maar eigenlijk omdat ze denken: ‘Hij is gek geworden’, zoals de Bijbel in Gewone Taal 3,21 vertaalt. Wat probeert Marcus zijn toehoorders te zeggen? De invulling van godsdienst, waar het gros van (farizeïsche) Schriftgeleerden publiekelijk voor staat, valt níet samen met de invulling die Jezus eraan geeft. Anderzijds is zelfs bloedverwantschap geen garantie voor godsdienstige geestverwantschap! Marcus windt er geen doekjes om. Waar gaat het dan wél om? Behalve door wat Jezus zelf deed en vol overtuiging bleef doen, kon Hij het vrijwel alleen in beeldtaal onder woorden brengen, zoals Marcus kleurrijk noteert in wat onmiddellijk na onze tekst volgt. Aardser kon Jezus niet uitdrukken hoe Gods koninkrijk simpelweg in het eenvoudige leven gestalte krijgt, in en te midden van mensen die zonder voorbehoud daarin durven geloven: durf maar gul te zaaien van je overtuiging!

Jezus’ weerwoord
De Schriftgeleerden, die Jezus overigens niet rechtstreeks aanspreken in hun oorspronkelijke beschuldiging, zeggen over Hem: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul’ (3,22). Pas nadat Jezus zelf hen bij zich heeft geroepen, formuleert Hij een weerwoord (3,23-29). Jezus schuwt een gesprek ‘in gelijkenissen’ op het hoogste niveau geenszins. De heren zouden God kennen en weten hoe mensen zich daarnaar te gedragen hebben? ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven?’, zo start Jezus het gesprek met een vraag. Zijn spreken in parabels culmineert – omdat Hij immers volgens de Schriftgeleerden ‘is bezeten door een onreine geest’ – in een aanklacht die er niet om liegt: gaan zij, Schriftgeleerden, over het bestaan van Gods geest in Hem die onzuiver zou zijn? Waar het gaat om de meest essentiële gave van God die in mensen zijn geest schiep, en waar dit in Jezus’ ethiek uitmondt in een houding van geweldloosheid en respect juist naar de meest kwetsbaren van Gods schepping, zegt Hij: ‘Wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest’ is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp’ (3,29). Hoe menselijk van Jezus dat waar het kostbaarste goed diep in Hem belasterd wordt, Hij zo boos reageert. Misschien moet juist ook in dit licht zijn haarscherpe uitspraak met betrekking tot bloedverwantschap en geestverwantschap gezocht worden?!

Écht verwant
Zijn moeder en broers bleven ‘buitenstaanders’ (vergelijk 3,31.32). Pijnlijk blijkt dit juist in het laatste stukje tekst (3,31-35). Jezus zit te midden van een grote kring geïnteresseerde en betrokken mensen. Op de mededeling van iemand die door Jezus’ familie naar binnen werd gestuurd: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken U’ (3,32), vraagt Jezus: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ (3,33; ‘en zusters’, voegen sommige tekstvarianten er nog aan toe). De kring rondkijkend antwoordt Jezus: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers’ (‘en mijn zusters’). ‘Iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder’ (3,34-35). Vertrouwd en veilig ben je – in het voetspoor van Jezus – niet automatisch met bloedverwanten. Integendeel, ze kunnen je (en Marcus spreekt en preekt vanuit de praktijk van het leven van hemzelf en van andere volgelingen van Jezus) verstoten of op andere manier pijn doen. Verwantschap op basis van Gods Geest in mensen – wie dan ook – is van een andere orde. Een dergelijke verwantschap biedt vrede, veiligheid, ruimhartigheid, geestkracht en lef om in lief en leed, maar ook in droom en daad verankerd te zijn in de Eeuwige.

OMHOOG Jaargang 62, editie 23, 10 juni 2018