Liturgie & leven

zondag 17 januari 2021

Tweede zondag door het jaar B

Eerste lezing: Samuël 3,3b-10.19
De lamp van God was nog niet gedoofd, en Samuël lag te slapen in het heiligdom van de Heer, waar de ark van God stond. Toen riep de Heer: ‘Samuël!’ Samuël antwoordde: ‘Hier ben ik.’ Hij liep haastig naar Eli, en zei: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb niet geroepen; ga maar weer slapen.’ Toen riep de Heer opnieuw: ‘Samuël!’ Samuël stond op, ging weer naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Eli antwoordde: ‘Ik heb niet geroepen, mijn jongen; ga maar weer slapen.’ Samuël kende de Heer nog niet; een woord van de Heer was hem nog nooit geopenbaard. En weer riep de Heer Samuël; nu voor de derde maal. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Toen begreep Eli dat het de Heer was, die de jongen riep. En hij zei tot Samuël: ‘Ga slapen, en mocht Hij je roepen, dan moet je zeggen: Spreek Heer, uw dienaar luistert.’ Samuël ging dus weer op zijn gewone plaats slapen. Toen kwam de Heer bij hem staan, en riep evenals de vorige malen: ‘Samuël, Samuël!’ En Samuël antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert!’ Samuël groeide op; de Heer was met hem en liet niet één van zijn woorden onvervuld.

Antwoordpsalm: Psalm 40, 2.4ab.7-8a.8b-9.10
Ja, ik kom; uw wil te doen, mijn God,
dat is mijn vreugde.

Met groot vertrouwen heb ik op de Heer gehoopt,
Hij heeft zich tot mij neergebogen, mijn geroep verhoord.
Hij legde in mijn mond een nieuw gezang,
een lied voor onze God,
en velen zullen zien en vrezen en vertrouwen op de Heer.

Geschenk en offerande hebt Gij nooit verlangd,
maar wel hebt Gij mijn oren voor uw stem geopend.
Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mij;
dus zei ik: ja, ik kom, zoals van mij geschreven staat.

Uw wil te doen, mijn God, dat is mijn vreugde,
uw wet is in mijn hart gegrift.
In de bijeenkomsten heb ik gerechtigheid gepredikt,
mijn lippen niet gesloten; Heer, Gij weet het.

Uw gunsten heb ik niet geheim gehouden,
noch uw getrouwheid, voor de mensen om mij heen.
Houd uw erbarmen, Heer, niet van mij weg;
laat uw genade en uw trouw mij steeds behoeden.

Tweede lezing: 1 Korintiërs 6, 13c-15a.17-20
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de Korintiërs
Broeders en zusters, het lichaam is er niet voor de ontucht, maar voor de Heer, en de Heer voor het lichaam. God heeft niet alleen de Heer opgewekt uit de dood, Hij zal ook ons doen opstaan door zijn kracht. Gij weet toch dat uw lichaam ledematen zijn van Christus? Maar wie zich met de Heer verenigt, is met Hem één geest. Elke andere zonde die een mens bedrijft, gaat buiten het lichaam om, maar de ontuchtige zondigt tegen zijn eigen lichaam. Gij weet het: uw lichaam is een tempel van de heilige Geest die in u woont, die gij van God hebt ontvangen. Gij zijt niet van uzelf. Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eert dan God met uw lichaam.

Alleluja
Alleluja. Spreek, Heer, uw dienaar luistert;
Gij hebt woorden van eeuwig leven. Alleluja.

Evangelielezing: Johannes 1, 35-42
In die tijd stond Johannes daar, met twee van zijn leerlingen. Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging en sprak: ‘Zie het lam Gods.’ De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen en gingen Jezus achterna. Jezus keerde zich om, en toen Hij zag dat zij Hem volgden, vroeg Hij hun: ‘Wat verlangt gij?’ Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’ Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven zij bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord, en Jezus achterna waren gegaan. De eerste die zij ontmoette, was zijn broer Simon tot wie hij zei: ‘Wij hebben de Messias – dat vertaald betekent: de Gezalfde – gevonden.’ En hij bracht hem bij Jezus. Jezus zag hem en zeide: ‘Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult Kefas genoemd worden, dat betekent: rots.’


Gedachten bij de Schriftlezingen

Na de weergaloze opening in Johannes 1,1-5, een even speelse als diepzinnige variant op het scheppingslied uit Genesis, wordt ingezoomd op Johannes de Doper (1,6-35). Bij monde van hem wordt die bijzondere mens uit Nazaret aangekondigd: ‘Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. De wet is door Mozes gegeven. Maar goedheid en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen’ (1,16-17). God als woord wordt mens. Na vers 18 bestaat de rest van hoofdstuk 1 uit ‘getuigenissen’. Johannes de Doper getuigt van het feit dat híj weliswaar met, of ‘in’ water doopt (onder andere 1,26), maar dat degene die na hem komt dat heel anders doet: met/’in’ heilige Geest (1,32.33).

Lam van God?
Wanneer deze door de Doper geïntroduceerde mens niet meer aan- en verkondigd wordt, maar in levenden lijve aanwezig is, worden de getuigenissen successievelijk via zich herhalende opmaten gestructureerd. Tot drie keer toe worden de afzonderlijke tekst eenheden ingeleid door de wending: ‘de volgende dag’ (1,29.35.43, zie ook 2,1). Er zit vaart in; de getuigenissen stuwen naar een hoogtepunt (zie 1,51 waarin hemel en aarde haast samenvallen via de ‘mensenzoon’). Als in een kettingreactie melden zich enthousiaste volgers en geestgenoten. In de eerste tekst eenheid wordt Jezus door de Doper nog beschreven als ‘lam van God’ (1,29) en ‘zoon van God’ (1,34). De tweede tekst eenheid, vandaag de uitgangstekst, zoemt vooral in op Jezus’ eigen actieve houding en op het gesprek dat Hij opent met nieuwsgierige mensen om Hem heen. Nu Johannes de Doper in het verhaal terugwijkt, begint het hier met Jezus zelf én de mensen om hem heen die duidelijk meer willen weten.

Getuigen
Het geheel van de ‘getuigenissen’ vertelt een reeks merkwaardige gebeurtenissen. De evangelist wil ons ‘goed nieuws’ brengen, geen exacte weergave van feiten en chronologie. We worden (tot 1,43) meegenomen naar Betanië, op circa drie kilometer van Jeruzalem. Johannes doopte ‘in’ water en op hem afgestuurde priesters en Levieten vragen hem wie hij is. Elia soms? De Messias? De Doper probeert te vertellen wat hij doet en wie hij zeker níet is. ‘De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen’ (1,29). Tekstueel roept de Doper als het ware naar diezelfde priesters en Levieten van de dag ervoor: ‘Daar is het lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt.’ Een beladen getuigenis. Gaat het om een verwijzing naar de dood van Jezus die beschouwd wordt als een offer ter vergeving van zonden? Of is het ‘gewoon’ een verwijzing naar het lam dat op Pesach geslacht wordt of naar het lam of schaap dat genoemd wordt in Jesaja 52 en daar een beeld is van de lijdende dienaar van de Heer? Enigszins losgezongen van dit heilige liturgische refrein, dat vooral afstand oproept (en tegelijkertijd zo vertrouwd voor genoemde ‘priesters en Levieten’), blijkt Jezus in de loop van het verhaal van de evangelist (ook) een heel benaderbare, open, vitale, belangstellende, ruimhartige en gastvrije gespreksgenoot! Mens met mensen.

De volgende dag
De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen’ (1,35). Als uit het niets staan ineens twee leerlingen op het toneel. Het blijken leerlingen van Jezus te worden, te zijn. We lezen verder: ‘Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God’ (1,36). Opnieuw als uit het niets reageren de beide aanwezige mensen op wat zij zien en horen: zonder enige aarzeling gaan zij met Jezus mee: ‘zij volgden Hem’ (1,38). Wil de evangelist hier weergeven wat er kan gebeuren als een enthousiaste getuige van Jezus, Johannes de Doper, zijn persoonlijke geloofsgetuigenis uitspreekt? Gaat het om horen en zien, ‘(na)volgen’, dat onvoorwaardelijk en onmiddellijk dóet ‘(na)volgen’? (1,38.40.43, in het Grieks: akolouthein) De rabbijnse terminologie van de ‘navolging’ verraadt dat de evangelist hier tegelijkertijd leert en getuigt. Verrast door hun enthousiasme vraagt Jezus als eerste de twee die Hem (na)volgen nieuwsgierig: ‘Wat zoeken jullie?’ (1,38) Door zijn welgemeende aandacht voor hen durven ze Hem, een man naar Gods hart (vergelijk 1,18), meteen vragen: ‘Rabbi, waar logeert U?’

Waar is uw thuis?
Zo ‘vrijpostig’ en oprecht geboeid door deze ‘meester’ als de twee zijn, zo vrijmoedig gaat Jezus in op hun eerlijke enthousiasme. Concreet kunnen we alleen maar raden naar welke plek de leerlingen – nog steeds naamloos – worden meegevoerd. ‘Kom maar, dan zul je het zien. Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij Hem’ (1,39). Thuis bij Hem waren ook zíj thuis. Precies in deze intimiteit van zijn/hun gedeelde ‘thuis’ noemt de evangelist nu pas de naam van Andreas om vervolgens diens broer met naam en toenaam ‘Simon Petrus’ (1,40) te noemen. Het op het eerste oog onlogische gebruik van deze dubbele benaming – nog voordat melding gemaakt wordt van de programmatische naamgeving door Jezus (1,42) – laat zien dat de evangelist hier wellicht met verschillende oudere verhaalflarden te maken had, die op een wat slordige manier aan elkaar geplakt zijn.

Jezus Messias
Andreas spreekt als eerste in dit evangelie een fundamenteel geloofsgetuigenis uit. ‘Tegen Simon zei hij: ‘Wij hebben de Messias gevonden (dat is Christus, de gezalfde)’ (1,41). Hij spreekt in de wij-vorm. Gewone mensen, zonder officiële status, herkennen en erkennen deze bijzondere medemens als de Messias. Bloedverwanten worden geestverwanten. Misschien was precies deze uitspraak de vruchtbare grond waarop vervolgens Jezus zelf, Simon aankijkend, kan zeggen wat we onmiddellijk daarop horen: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes’ (1,42). Waar Andreas spontaan, namens zichzelf en zijn broer de voorzet geeft, bekroont Jezus dit door Simon uit te dagen ook zíjn steentje (!) bij te dragen en voegt toe: ‘Voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’). Durven ook wij onze verantwoordelijkheid te nemen om met Jezus en zijn volgers óns steentje bij te dragen aan ‘goedheid en waarachtigheid’ (1,17)?

OMHOOG Jaargang 65, editie 03, 17 januari 2021

%d bloggers liken dit: