Liturgie & leven

Zondag 22 mei 2022

Zesde zondag van Pasen jaar C

Eerste lezing: Handelingen van de Apostelen 15, 1-2.22-29

Moetenen heidenen die christenen worden ook de Joodse wet onderhouden? Het probleem wordt uitgepraat en opgelost.

In die dagen verkondigden enige mensen die van Judea waren gekomen, aan de broeders de leer: “Indien ge u niet naar Mozaïsch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.” Toen hierover onenigheid ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. Deze besloten samen met de hele gemeente enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen: Judas, bijgenaamd Barsabbas en Silas, mannen van aanzien onder de broeders, en hun het volgende schrijven mee te geven: “De apostelen en de oudsten zenden hun broederlijke groet aan de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. Daar wij gehoord hebben dat sommigen van ons u door woorden in verwarring hebben gebracht en uw gemoederen hebben verontrust, zonder dat ze van ons enige opdracht hadden gekregen, hebben wij eenstemmig besloten enige mannen uit te kiezen en naar u toe te sturen, in gezelschap van onze dierbare Barnabas en Paulus, mensen die zich geheel en al hebben ingezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. Wij hebben dus Judas en Silas afgevaardigd die ook mondeling hetzelfde zullen overbrengen. De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke: namelijk u te onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van verstikt vlees en van ontucht. Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan.
Vaarwel!”

Antwoordpsalm: Psalm 67, 2-3.5.6.8
Geef dat de volken U eren, o God,
dat alle volken U eren. (of: Alleluia)

God, wees ons barmhartig en zegen ons, toon ons het licht van uw aanschijn;
opdat men op aarde uw wegen mag kennen, in alle landen uw heil.

Laat alle naties van vreugde juichen omdat Gij de volken rechtvaardig regeert
en alles op aarde bestuurt.

Geef dat de volken U eren, o God, dat alle volken U eren.
God geve ons zo zijn zegen dat heel de aarde Hem vreest.

Tweede lezing: Openbaring van de heilige apostel Johannes 21, 10-14.22-23

Het visioen van het nieuwe Jeruzalem.

Een engel bracht mij, Johannes in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige Stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, stralend van de heerlijkheid Gods; zij schitterde als het kostbaarste gesteente en als kristalheldere jaspis. De Stad was omringd door een zeer hoge muur met twaalf poorten en aan de poorten stonden twaalf engelen; namen waren daarop gegrift, de namen van de twaalf stammen van Israël.
Er waren drie poorten op het oosten, drie op het noorden, drie op het zuiden en drie op het westen. En de stadsmuur had twaalf grondstenen en daarop stonden de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. Maar een tempel zag ik er niet want God, de Heer, de Albeheerser is haar tempel zoals ook het Lam. En de Stad heeft het licht van zon en maan niet nodig want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam.

Evangelielezing: Johannes 14, 23-29

Jezus leert zijn leerlingen hoe zij, na zijn afscheid, zijn blijvende aanwezigheid kunnen ervaren.

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie Mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet; en het woord dat gij hoort is niet van Mij maar van de Vader die Mij gezonden heeft. Dit zeg Ik u terwijl Ik nog bij u ben, maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. Gij hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen maar Ik keer tot u terug. Als Gij mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga want de Vader is groter dan Ik. Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat gij, wanneer het gebeurt, zult geloven.”


Gedachten bij de Schriftlezingen

De drie lezingen van deze zondag lijken onderling geen duidelijk inhoudelijk verband te hebben. De lezing uit Handelingen gaat over de ethische voorschriften die de niet-Joodse volgelingen van Jezus moeten onderhouden. De tekst uit Openbaring beschrijft het nieuwe Jeruzalem, waar hemel en aarde samenvallen. In de lezing uit het Johannesevangelie horen we dat Jezus liefhebben en zich aan Jezus’ woord houden met elkaar samenhangen. Maar bij nader inzien hebben de lezingen toch een centrale vraag gemeenschappelijk: wat is het hart van ethiek?

Minimale of maximale ethiek?
In het boek Handelingen speelt een belangrijke kwestie. Steeds meer niet-Joden treden toe tot de volgelingen van Jezus. De vraag of zij de volledige Thora moeten onderhouden en of mannelijke leden zich moeten laten besnijden, verdeelt de gemeenschap. Petrus is aanvankelijk voorstander van deze positie en staat daarmee lijnrecht tegenover de kring rond Paulus voor wie de zending onder niet-Joden gepaard gaat met een meer vrije opstelling ten aanzien van de geboden van de Thora. Petrus verandert van gedachten na zijn ervaring ten huize van de niet-Joodse Cornelius (Handelingen 10), maar er blijft weerstand binnen het geheel van de Jezusbeweging (15,1-5). Er wordt een vergadering belegd in Jeruzalem, het zogeheten Apostelconcilie, om deze kwestie te bespreken. Na rijp beraad komen de apostelen en de oudsten overeen dat de Jezus-gelovigen onder de niet-Joden geen al te zware lasten opgelegd moeten krijgen. Voor hen zullen de meest elementaire geboden gelden, die al sinds jaar en dag golden voor de ‘Godvrezenden’. Deze aanduiding betreft niet-Joden die sympathiseerden met het Jodendom, maar geen proseliet werden. Vooral in Antiochië was dit een grote groep en het is dan ook geen wonder dat hier de missie van Paulus vaste grond onder de voeten kreeg. De geboden zijn: zich onthouden van afgodendienst, in het bijzonder van offervlees dat bij afgodendienst wordt gebruikt; van bloed, dat wil zeggen: het verbod om te doden; van verstikt vlees, dat betekent vlees waar nog bloed in zit, ook vlees van een nog levend dier; en van ontucht: verboden seksuele verhoudingen en gedragingen. Deze universele geboden zijn bekend onder de naam ‘Noachidische geboden’, omdat ze voor een deel afgeleid zijn van wat God aan de kinderen van Noach op draagt (Genesis 9,1-7), aan alle mensen dus. Later komen er de voorschriften ten aanzien van afgodendienst en seksualiteit bij. Over het aantal Noachidische geboden (van vier tot zeven of meer) en de nadere omschrijving ervan is in de joodse traditie flink gediscussieerd en de resultaten daarvan staan op verschillende plaatsen in de Talmoed (onder andere bSanhedrin 56ab). Deze voorschriften lijken een minimale ethiek te bevatten, volgens Handelingen 15,28: ‘wat strikt noodzakelijk is’. Maar in feite bestrijken ze een groot en fundamenteel terrein van het leven. Het gaat om het eerbiedigen van andermans leven, om zuiverheid in denken en doen, zowel tegenover God als tegenover mensen, om een bewuste omgang met dieren en met voeding. Wanneer deze geboden vandaag de dag volledig en tot in hun uiterste consequenties opgevolgd zouden worden, kun je wel van een maximale ethiek spreken. De passage in Handelingen besluit dan ook met: ‘Als u zich hier aan houdt, doet u wat juist is. Het ga u goed’ (15,29).

Nieuwe hemel, nieuwe aarde
Het een na laatste hoofdstuk van het boek Openbaring beschrijft een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar geen dood meer is, geen rouw, geen tranen. Wat opvalt in deze beschrijving is de schoonheid van de orde die er heerst, weergegeven in getallen. De heilige stad Jeruzalem is uit de hemel neergedaald, bij God vandaan, maar volledig omgeven door goddelijke glorie: een schitterende stad. In de muur rond de stad zijn twaalf poorten, er staan twaalf engelen bij die poorten en op de poorten staan de namen van de twaalf stammen van de zonen van Israël. Gezien vanuit elk van de vier windrichtingen zijn er drie poorten. De muur heeft twaalf grondstenen met daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het lam, Jezus Christus. De bouw van de stad laat duidelijk zien dat de gemeenschap van Christus en de kinderen van Israël bij elkaar horen. Ze zijn op elkaar gebouwd, ze moeten op elkaar kunnen bouwen. Het is jammer dat de verzen Openbaring 21,15-21 niet tot de perikoop behoren, want daar staan interessante details over de maten van de stad en over de twaalf edelstenen waarmee de grondstenen zijn versierd. Ook hier is het de mooie en precieze ordening die opvalt. De slotverzen van de perikoop laten zien dat, waar hemel en aarde samenvallen, er geen apart Godshuis meer nodig is. God is dan alles in allen, het lam is het licht dat schijnt over de stad. En de volken wandelen in dat licht. Maar waar is de ethiek in dit gedeelte? Is de stad toegankelijk voor iedereen, ongeacht hoe iemand heeft geleefd? Nee, in 21,8 en in het laatste vers 21,7 staan degenen genoemd die buiten worden gesloten. Het zijn de mensen ‘die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen’. Laten dat nu precies de zaken zijn die in Handelingen 15 worden verboden!

Het woord van Jezus behoeden
Johannes 14,23-29 maakt deel uit van de afscheidsrede van Jezus (hoofdstuk 14-17). Hij maakt zijn leerlingen in verschillende bewoordingen nog eens duidelijk dat zijn dood nadert en dat Hij naar God, zijn bron, terugkeert. Dit is het thema waar Johannes in zijn evangelie telkens op terugkomt. Jezus komt van God, bij zijn dood gaat Hij terug naar zijn oorsprong en tijdens zijn leven blijft Hij hecht met God verbonden. Zijn leerlingen kunnen in deze verbondenheid delen. Het is niet zo dat Jezus en God samenvallen: ‘De Vader is meer dan Ik’, zegt Jezus (14,28). De liefdesband tussen God, Jezus en de leerlingen maakt dat zij zijn woorden bewaren en navolgen. Ook de heilige Geest helpt bij dit leer- en herinneringsproces. De woorden waarmee Jezus zijn afscheidsrede begint: ‘Wees niet ongerust’ (14,1) komen in 14,27 terug, aangevuld met ‘verlies de moed niet’. Letterlijk staat er: ‘Laat je hart niet verontrust worden en wees niet bang.’ Het is de invulling van de vrede die Jezus zijn leerlingen nalaat, een ander soort vrede dan de wereld bieden kan. Het is de vrede van het hart, een innerlijke vrede, die de wisselvalligheden, de zorgen, de droefheid en de pijn van het leven kan opvangen. Het is een vrede die alleen in en door vertrouwen kan worden gewonnen (14,1 en opnieuw in 14,29). Ethiek, hier omschreven als het behoeden van Jezus’ woorden, komt voort uit het besef van de diepe verbondenheid die de relatie tussen Jezus en zijn hemelse Vader kenmerkt, een verbondenheid die zich uitstrekt over alle mensen. Dit besef geeft Jezus’ leerlingen een zekerheid die de wereld hun niet geven kan, maar die de wereld hun ook niet kan ontnemen.

OMHOOG Jaargang 66, editie 20, 25 mei 2022

%d bloggers liken dit: