Liturgie & leven

zondag 25 oktober 2020

Eerste lezing: Exodus 22, 20-26
Heb de vreemdeling lief, want je bent zelf vreemdeling geweest in Egypte
Zo spreekt de Heer:
“Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want ge hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. Weduwen en wezen zult ge geen onrecht aandoen. Als ge hun tekort doet en als hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen. Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal Ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen.
Als gij aan iemand van mijn volk geld leent, aan een noodlijdende in uw omgeving, gedraag u dan niet als een geldschieter. Ge moet geen rente van hem eisen. Als gij iemands mantel in pand neemt, dan moet ge die voor zonsondergang aan hem teruggeven. Hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken, het is de beschutting van zijn blote lichaam, hij moet er in slapen. Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden.”

Antwoordpsalm: Psalm 18. 2-3a.3bc-4.4751ab
Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij.

Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij,
mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder
. Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind,
mijn schild, mijn behoud en bescherming.

Wanneer ik de Heer aanroep, Hij zij geprezen,
dan doet geen vijand mij kwaad.
De Heer zij geprezen, gezegend mijn rots,
verheerlijkt zij God, mijn verlosser.

Want Gij hebt uw koning de zege geschonken,
uw gunsten bewezen aan uw gezalfde.

Tweede lezing: I Tessalonica 1, 5c-10
Hoe de blijde boodschap zich vanuit de christengemeente van tessalonica verspreid heeft over heel het land.
Broeders en zusters, Gij weet hoe ons optreden bij u is geweest. Het was gericht op uw heil. En gij van uw kant zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de heilige Geest. Gij zijt een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en in Achaïa. Ja, van Tessalonica uit heeft het woord van de Heer weerklonken, en niet enkel in Macedonië en Achaïa; allerwegen is uw geloof in God bekend geworden. Wij hoeven niets meer te zeggen, zij vertellen zelf wel hoe wij bij u zijn gekomen en hoe wij door u zijn ontvangen; hoe gij u van de afgoden tot God hebt bekeerd, om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemel zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de dood heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn.

Evangelielezing: Mattheüs 22, 34-40
Over het voornaamste gebod

In die tijd kwamen de Farizeeën bijeen, toen zij vernamen dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had. En een van hen, een wetgeleerde, vroeg Jezus om Hem op de proef te stellen: “Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?” Hij antwoordde hem: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.”


Gedachten bij de Schriftlezingen

De geboden God lief te hebben met heel je wezen en je naaste als jezelf wortelen in Deuteronomium 6,5: ‘Heb de Heer, uw God, lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten.’ Dit gebod staat in de context van andere geboden, voorschriften en regels die betrekking hebben op relaties tussen mensen onderling. God liefhebben met heel je hart is dus verbonden met relaties tussen mensen. Het gebod je naaste lief te hebben als jezelf (Leviticus 19,18) wordt onmiddellijk gevolgd door ‘Ik ben de Heer’. God is de opdrachtgever. Ontzag hebben voor God en Hem eerbiedigen hangt dus nauw samen met de liefde voor je naaste. Er ligt al een band tussen de twee geboden. De Exoduslezing geeft aan wie je naasten kunnen zijn.

Vreemdelingen
‘Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken (Exodus 22,20). Het gaat hier niet om buitenlanders die voor korte tijd op bezoek zijn, maar om mensen die te midden van de Israëlieten wonen. Ze missen bescherming van eigen familie en gemeenschap en bezitten geen grond. Ze zijn afhankelijk van de gastvrijheid van Israël. Van hun kwetsbare positie kan gemakkelijk misbruik gemaakt worden. Daarom het gebod om vreemdelingen niet uit te buiten of te onderdrukken (vergelijk 23,9). Leviticus gaat nog verder: ‘Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de Heer, jullie God’ (19,34). Israël weet uit eigen ervaring wat het betekent vreemdeling te zijn. Het gaat bij liefde voor de vreemdeling niet zozeer om sentiment, maar om daden, om iemand goed en recht te doen. Gods liefde voor vreemdelingen manifesteert zich in daden, het geven van voedsel en kleding (Deuteronomium 10,18v). Uit de omgang met vreemdelingen zal blijken of Israël een humane gemeenschap is, waar liefde en gerechtigheid hoog in het vaandel staan.

Weduwen en wezen
Weduwen en wezen vormen de tweede groep die als mogelijke naasten genoemd wordt. Zij missen bescherming van man of vader. Wanneer geen naaste familielid de taak van man of vader (losser) op zich neemt, moet de gemeenschap het doen. Gebeurt dit niet, dan neemt God het voor hen op: ‘Als zij Mij om hulp smeken, zal Ik naar hen luisteren’ (Exodus 22,22). Zijn woede en dreiging geven aan hoezeer zij Hem ter harte gaan (22,23).

Verarmden in het volk
Naasten kunnen ook mensen zijn die armoede lijden. Een verarmde volksgenoot moet zonder winstbejag geholpen worden. Ook zijn mantel die als slaapzak en bescherming kan dienen, mag niet als onderpand gehouden worden, ook niet als iemand overdag niet voldoende geld heeft kunnen verdienen om die mantel in te lossen. Het volk van God is bedoeld als een solidaire gemeenschap waar liefde en recht gedaan worden. Israël is verantwoordelijk voor de armen zoals God antwoord geeft als zij Hem om hulp smeken. ‘Ik ben een genadige God’ (22,26).

Het dubbelgebod van de liefde
In het evangelie van vandaag komt een wetgeleerde van de Farizeeën naar Jezus toe om Hem op de proef te stellen (Matteüs 22,35). Waarin de beproeving bestaat, is niet zo duidelijk. Er bestond discussie over het hart van de Thora, wat het belangrijkste is, en over het verschil tussen zware en lichte geboden. Wilden ze toetsen of Jezus het ene gebod tegen het andere uitspeelt om Hem daarop te kunnen vangen? Maar dat doet Jezus niet. Hij geeft twee geboden aan zonder welke alle andere niet vervuld kunnen worden. Zij vormen de grondslag. Letterlijk staat er in 22,40: ‘Aan deze twee geboden hangen de wet en de profeten.’ ‘Hangen’ is een technische term om aan te geven dat het een van het ander afhankelijk is, of het een uit het ander afgeleid. De wet en de profeten zijn afhankelijk van de twee liefdesgeboden, zij zijn eruit afgeleid. Daar draait het bij alle geboden om. Het grootste en eerste gebod is: de Heer, je God, liefhebben met heel je hart en met heel je ziel en heel je verstand. Met al je functies ben je er dus bij betrokken, je gevoel, je denken, al je streven. En het tweede: je naaste liefhebben als jezelf. Matteüs zegt er nadrukkelijk bij dat dit gebod gelijk is aan het eerste (22,39). Deze geboden horen bij elkaar, zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Je kunt je naaste niet echt liefhebben als je God niet met hart en ziel liefhebt. En omgekeerd ook niet. ‘Je naaste liefhebben als jezelf’ kan op twee manieren worden vertaald: als jezelf, zoals je van jezelf houdt. Een gezonde eigenliefde is dan het uitgangspunt. Of: de naaste is zoals jijzelf, ook een schepsel en beeld van God, ook een mens met verlangens, gevoelens en ideeën, een broos en breekbaar mens die op barmhartigheid is aangewezen.

Zonder grenzen
Een brede visie op wie je naaste is, was in Jezus’ tijd wel aanwezig. Er waren rabbijnen die de vraag met Genesis 5,1v verbonden: de gelijke afstamming van alle mensen en de gelijkwaardigheid van allen. Rabbi Akiba beschouwt de naastenliefde als een fundamenteel gebod. Toen iemand aan Hillel vroeg hem de Thora uit te leggen staande op één been, gaf hij de uitleg: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook uw naaste niet. Dat is de hele Thora. De rest is allemaal commentaar daarop.’ Een brede visie was dus aanwezig, maar er waren er ook die de naastenliefde wilden begrenzen tot volksgenoten, partijgenoten of proselieten, terwijl bijvoorbeeld Samaritanen, vreemdelingen en zondaars er buiten vielen. Jezus laat zien dat liefde zich niet laat begrenzen. Ze is een dynamisch gebeuren: gaandeweg wordt je in ontmoeting duidelijk hoe en van wie je een naaste kunt worden. Van ieder mens kun je een naaste worden, ook van je vijand, al zal dat misschien een lange weg worden. Maar liefde wil deze weg gaan. Zij kan het niet laten. Waarom?

Wat aan het gebod van de liefde voorafgaat
Omdat het aanbod van Gods liefde voor alle mensen en heel de schepping geldt. Zijn liefde is onvoorwaardelijk en onbegrensd, alles komt eruit voort, alles omgeeft ze en laat ze zijn. God openbaart zich als een God van liefde en trouw (Exodus 34,6). Hemel en aarde zijn er vol van: ‘Heer, hoog als de hemel is uw liefde, tot in de wolken reikt uw trouw’ (Psalm 36,6v). Ze wordt door mensen ervaren als basis van vertrouwen, van redding en vergeving (Psalm 23,6; 25,7; 44,27). Het is deze liefde die om antwoord vraagt, even onbegrensd, met heel je wezen. Zo krijg je deel aan Gods liefde, leer je lief te hebben en word je even dwaas als Hij. Ze wordt een stuwkracht in jou en helpt je naaste lief te hebben als jezelf. De liefde van God voor ons vormt de basis van onze naastenliefde. Een mens is geschapen naar Gods beeld, geroepen om in de liefde op Hem te lijken. Hoe laag het pitje van de liefde ook kan zakken, de onweerstaanbare liefde van God doet haar altijd weer oplaaien.

OMHOOG Jaargang 64, editie 42, 25 oktober 2020