Geloofsverdieping

zondag 14 oktober 2018

Achtentwintigste zondag door het jaar (B)

Eerste lezing: Uit het boek Wijsheid 7, 7-11
Ik bad, en inzicht werd mij geschonken, ik smeekte, en de geest der wijsheid kwam over mij. Ik verkoos haar boven scepters en tronen, en in vergelijking met haar beschouwde ik rijkdom als niets; zelfs de kostbaarste steen stelde ik met haar niet gelijk, want alle goud is vergeleken met haar slechts stof, en zilver niet meer dan slijk. Ik hield van haar meer dan van gezondheid en schoonheid, en ik stelde haar boven het licht. Want de glans die zij uitstraalt, verbleekt nooit. Met haar vielen mij alle goederen ten deel, en dank zij haar verwierf ik rijkdommen zonder tal.

Antwoordpsalm: Psalm 90, 12-13.14-15.16.17

Tweede lezing: Uit de brief aan de Hebreeën 4, 12-13
Broeders en zusters, het woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en het dringt tot het raakpunt van ziel en geest, van gewrichten en merg. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van de mens. Geen schepsel is voor Hem verborgen, alles ligt open en bloot voor zijn ogen. Aan Hem hebben wij rekenschap af te leggen.

Evangelielezing: Uit het heilig evangelie volgens Marcus 10, 17-30


B1-LiturgieAfb-38-1410

Gedachten bij de Schriftlezingen

Wijsheid: de hoogste gave
Het boek Wijsheid stamt waarschijnlijk uit Alexandrië, uit de periode van 50 voor tot 50 na Christus. De hellenistische cultuur en filosofie oefenden op de Griekssprekende Joden in Egypte grote aantrekkingskracht uit. Daarom houdt de schrijver een pleidooi voor Joodse denkbeelden, waarbij hij zowel gebruik maakt van de bijbelse wijsheidstraditie als van de Grieks-Romeinse filosofie en retoriek. Om aan zijn betoog extra gezag te verlenen spreekt hij bij monde van de Joodse wijze bij uitstek, koning Salomo – zonder overigens diens naam te noemen. De tekst van vandaag komt uit het tweede deel van het boek, dat bestaat uit een loflied op de wijsheid (Wijsheid 6,22 – 8,21) en een gebed om wijsheid (9,1-18). Op de achtergrond speelt 1 Koningen 3,5-14, de bede om wijsheid van de jonge Salomo. Het motief van Salomo’s jeugd en onervarenheid uit 1 Koningen 3,7 komt in Wijsheid 7,1-6 en 8,17 terug. Het omarmt de beschrijving van de wijsheid als een gave van God die alle materiële gaven, de orde en kostbaarheden van de schepping en de menselijke cultuur en deugden te boven gaat (7,7 – 8,16).

Geschenk en antwoord
Het loflied op de wijsheid begint met een beschrijving van het begin van het leven van de koning (Wijsheid 7,1- 6). Net als iedereen is hij een kwetsbaar en afhankelijk mensenkind. Ook in zijn levenseinde onderscheidt hij zich niet van andere mensen. Dit bewustzijn brengt de koning ertoe te vragen om inzicht en wijsheid. Wijsheid is een geschenk, geen aangeboren talent. In 7,7 lezen we namelijk dat inzicht de spreker ‘gegeven werd en dat de geest van wijsheid tot hem kwam. Dat deze wijsheid van God komt, kan opgemaakt worden uit de woorden ‘bidden’ en ‘smeken’ en de allusie op 1 Koningen 3,9.12. Ware wijsheid is echter niet slechts Gods gave aan de mens, ze vraagt om een menselijk antwoord, om menselijke activiteit. Dit wordt beschreven in 7,8-10: de koning ‘vergelijkt’, hij ‘kiest’ de wijsheid boven macht en rijkdom, hij ‘bemint’ haar boven gezondheid en schoonheid. De ‘scepters en tronen’ (7,8), de koninklijke voorwerpen bij uitstek, representeren de macht, terwijl edelstenen, goud en zilver de rijkdom voorstellen (7,9). In Job 28,15-19 en Spreuken 3,14- 16 en 8,10-11.18-19 wordt de wijsheid hoger geschat dan kostbaarheden als zilver en goud. Volgens Wijsheid 7,9
zijn zij zelfs niet meer dan zand en slijk. Zelfs het licht is voor de koning minder begeerlijk dan de wijsheid, want zij schijnt voor altijd (7,10). De koning ziet af van alles wat een mens kan wensen omwille van de wijsheid. De uitkomst is verrassend: hij krijgt al het andere erbij (7,11) en bovendien nog de vriendschap van God (7,14).

Eeuwig leven vinden?
Een minstens even zo grote verrassing staat ons in Marcus 10 te wachten. Jezus is met zijn leerlingen op weg naar Jeruzalem, op weg naar zijn lijden en sterven. Gaandeweg groeit het onbegrip van leerlingen en omstanders voor de boodschap van Jezus. Het radicale standpunt van Jezus over het huwelijk roept bij de leerlingen vragen op (10,2-10). In 10,13-30 is zelfs sprake van somberheid en ontzetting (10,22), verbazing (10,24) en verslagenheid (10,26). Kernvraag in 10,13-30 is wie het koninkrijk van God zal
binnengaan. Deze vraag wordt in drieën beantwoord: in het voorbeeld van de kinderen (10,13-16), het gesprek met een rijke man (10,17-22) en een leergesprek tussen Jezus en zijn leerlingen (10,23-30).
De perikoop van vandaag begint met het gesprek tussen Jezus en een onbekende man. Deze benadert Jezus als een leraar met gezag, gezien het feit dat hij voor Hem knielt en Hem aanspreekt met ‘goede meester’ (10,17). Jezus wijst de aanspraak ‘goede meester’ af, maar gaat wel in op zijn vraag: ‘Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ Jezus’ antwoord bestaat uit een opsomming, in willekeurige volgorde, van een aantal geboden uit de Tien Woorden betreffende de omgang met de naaste. Deze geboden uit de Tien Woorden vult Hij aan met een regel over naastenliefde: dat je iemand die je hulp nodig heeft niet tekort mag doen (zie Sirach 4,1; de Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt de woorden van Jezus wat minder adequaat met ‘bedrieg niemand’). Samengevat luidt Jezus’ antwoord: houd je aan de Thora en haar uitleg. Dat is precies wat de man al vanaf zijn jonge jaren heeft gedaan. De gesprekspartner van Jezus is dus een wetsgetrouwe en, anders dan in Matteüs 19,20, wat oudere man, een toonbeeld van goedheid en vroomheid. Daarom ook ziet Jezus hem liefdevol aan (Marcus
10,21). Toch voldoet zijn handelen evenmin aan de radicale criteria voor het deel krijgen aan het eeuwige leven. Met ontzetting hoort de man dat hij daarvoor afstand moet doen van al zijn bezit en het aan de armen moet geven. Pas als hij dat gedaan heeft, kan hij terugkomen om Jezus te volgen. De man gaat ‘somber’ en ‘terneergeslagen’ weg, want behalve vroom en rijp blijkt hij rijk te zijn: ‘hij had veel bezittingen’ (10,22).

Het antwoord schuldig blijven
De dialoog met de rijke man vormt de aanleiding tot deel drie, het leergesprek. Dit begint met Jezus’ uitspraak dat het voor een mens met veel bezit moeilijk is het koninkrijk van God binnen te gaan (Marcus 10,23). Deze uitspraak stuit op zoveel verbazing dat Jezus hem moet herhalen (10,24). Dat Hij zijn leerlingen aanspreekt als ‘kinderen’ zegt meer over de relatie die Hij met hen heeft dan over hun veronderstelde onnozelheid. ‘Kinderen’ (Grieks: tekna) laat zien dat Jezus zich tot zijn leerlingen verhoudt zoals een ouder tot zijn kind: vertrouwelijkheid en gezag gaan hand in hand. In de herhaling wordt de spreuk aangevuld met de absurde vergelijking van een rijke met een kameel die door het oog van een naald kruipt (10,25). Uit verlegenheid wordt dit beeld vaak figuurlijk geïnterpreteerd, maar dit staat op gespannen voet met de tekst zelf. De absurditeit van het beeld bevestigt slechts de radicaliteit van Jezus’ boodschap. Bovendien tonen de volgende vraag van de leerlingen en het antwoord daarop aan dat het beeld letterlijk bedoeld is (10,26-27). Wat naar menselijke maatstaven onmogelijk is, is dat voor God niet. Zo kan de mens gered worden.
In 10,21 werden het deel krijgen aan het eeuwige leven en het volgen van Jezus aan elkaar gekoppeld. In 10,28 brengt Petrus deze navolging opnieuw ter sprake. Met een benadrukt ‘wij’ (Grieks: hèmeis) onderstreept hij dat de leerlingen wél alles achtergelaten hebben en Jezus gevolgd zijn. Zij doen wat de rijke man niet kan. Maar stemt Petrus’ voorstelling van navolging overeen met wat Jezus bedoelt? Het antwoord komt in de vorm van een uitspraak die begint met een gezagvol ‘Amen, Ik zeg jullie’ (10,29a). Jezus stelt dat je om Hem te volgen niet alleen bezittingen als huis en akkers, maar zelfs je naas te familie moet verlaten. Dan, en door de vervolging, zal je ‘in deze tijd’ diezelfde bezittingen en verwanten honderdvoudig ontvangen, en later het eeuwig leven. Petrus blijft het antwoord schuldig. En wij?

OMHOOG Jaargang 62, editie 38, 14 oktober 2018