Liturgie & leven

Zondag 13 juni 2021

Elfde zondag door het jaar

Eerste lezing: Ezechiël 17, 22-24
Dit zegt de Heer God: ‘Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder een twijgje nemen, en dat in de grond zetten; van de bovenste van de jonge takken zal Ik een twijgje plukken, en Ik zelf zal het planten op een hoge en verheven berg, op het gebergte van Israëls hoogland zal Ik het planten. Het zal takken dragen, vrucht vormen, en een prachtige ceder worden. Daaronder zullen alle vogels van allerlei gevederte nestelen; in de schaduw van zijn takken zullen ze nestelen. En alle bomen van het open veld zullen erkennen dat Ik, de Heer, een hoge boom vernederd en een lage boom verheven heb, en dat Ik een sappige boom heb doen verdorren en een dorre boom tot bloei gebracht heb. Ik, de Heer, heb het gezegd, en Ik zal het doen.’

Antwoordpsalm: Psalm 92, 2-3.13-14.15-16
Hoe heerlijk is het de Heer te prijzen.

Hoe heerlijk is het de Heer te prijzen,
uw Naam, Allerhoogste, te loven.
Uw goedheid te melden iedere ochtend
en heel de nacht door uw trouw.

De vromen schieten als palmbomen op,
als Libanon-ceders gedijend;
Zij zijn geplant bij het huis van de Heer,
zij komen tot bloei in Gods voorhof.

Ook als zij reeds oud zijn dragen zij vruchten,
zij blijven sappig en fris.
Zij wijzen hoe rechtvaardig de Heer is,
mijn Rots, in Hem is geen onrecht.

Tweede lezing: II Korintiërs 5, 6-10
Broeders en zusters, daarom houden wij altijd goede moed. Wij zijn ons bewust dat wij, zolang wij thuis zijn in het lichaam, ver zijn van de Heer. Wij leven in geloof, wij zien Hem niet. Maar wij houden moed en zouden liever uit het lichaam verhuizen om onze intrek te nemen bij de Heer. Daarom is onze enige eerzucht, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem te behagen. Want allen moeten wij voor Christus’ rechterstoel verschijnen, opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad.

Alleluja
Alleluja. Gezegend de Koning die komt, in de naam des Heren.
Vrede in de hemel en eer in den hoge. Alleluja.

Evangelielezing: Marcus 14, 26-34
In die tijd zei Jezus tot de menigte: ‘Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe. Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar. Zodra de vrucht het toelaat slaat hij er de sikkel in, want het is tijd voor de oogst.’ En verder: ‘Welke vergelijking kunnen wij vinden voor het Rijk Gods en in welke gelijkenis zullen we het voorstellen? Het lijkt op een mosterdzaadje. Wanneer dat gezaaid wordt in de grond, is het wel het allerkleinste zaadje op aarde; maar eenmaal gezaaid schiet het op en het wordt groter dan alle tuingewassen, en het krijgt grote takken zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.’ In vele dergelijke gelijkenissen verkondigde Hij hun zijn leer op de wijze die zij konden verstaan. Anders dan in gelijkenissen sprak Hij niet tot hen, maar eenmaal met zijn leerlingen alleen gaf Hij van alles uitleg.


Gedachten bij de Schriftlezingen

Het geloof in de Heer als een God die beloften doet, behoort volgens de Amerikaanse theoloog Walter Brueggemann tot het kerngetuigenis van Israël over God. Deze beloften van God geven het volk hoop op een betere toekomst en een betere wereld. Zij zijn een houvast in tijden waarin de situatie er niet zo rooskleurig uitziet. Maar wat de Heer belooft kan alleen hoopgevend zijn als er een vast vertrouwen is dat Hij zich aan zijn woord houdt. Beloften die Hij in het verleden ingelost heeft, geven vertrouwen voor de toekomst (onder andere Jozua 21,43-45). Hoe langer het echter duurt voordat een belofte wordt ingelost, des te groter de kans dat geloof en vertrouwen plaats moeten maken voor twijfel en ongeloof. Zou God nog aan zijn belofte denken? Is Hij wel bij machte om zijn woord te houden? Op deze en andere vragen willen de teksten van deze zondag een antwoord geven.

Een gebroken belofte?
De crisis in het door de Babyloniërs bezette Juda lijkt compleet. In de eerste lezing volgt de profetie van Ezechiël op de harde woorden van de Heer aan het adres van koning Sedekia. Deze koning uit de dynastie van David was door de Babylonische heerser op Juda’s troon gezet. Sedekia had bij de Heer gezworen niet in opstand te komen tegen de Babyloniërs. Maar hij verbrak zijn eed door met Egypte juist tegen hen samen te zweren. Met deze actie riep hij de vloek van de Heer over zich af (Ezechiël 17,16). Sedekia werd als gevangene weggevoerd naar Babylonië. Na zijn deportatie ontstaan er onder het volk van Juda vragen over de Natansbelofte (2 Samuël 7,18-16; Psalm 89,20-53; 132,10-18; Jeremia 33,14-18). Er zou toch altijd een koning uit het geslacht van David op de troon zitten? Maar nu lijkt het doek echt gevallen te zijn voor de davidische dynastie. De Heer lijkt zijn belofte te breken! Dit is echter geenszins het geval. God blijft zijn verbond trouw. Het einde houdt de belofte in van een nieuw begin (vergelijk Jesaja 11,1; 6,13). God zal uit de top van een hoge ceder een teer twijgje wegplukken en dat op een hoge en verheven berg planten. Dit twijgje zal uitgroeien tot een prachtige grote cederboom waarin veel vogels beschutting zullen vinden. In de bijbelse beeldtaal worden wereldrijken en/of koningen vaak vergeleken met bomen (zie Ezechiël 31,3-16; Daniël 4,10-24). Deze hoge ceder is het beeld van het komende messiaanse rijk van God.

Hoe lang nog, Heer?
In de evangelielezing is Jezus in gesprek met een menigte van mensen. De toestroom is zo overweldigend dat Jezus in een boot op het meer is gaan zitten, vanwaar Hij de mensen toespreekt die op de oever staan (Marcus 4,1). In de verzen 26-32 spreekt Jezus twee gelijkenissen uit: die van het vanzelf groeiende zaad (4,26-29) en die van het mosterdzaadje (4,30-32). Hier richten wij ons op de eerste gelijkenis. ‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde.’ De aanleiding voor deze gelijkenis zou de vraag van de menigte kunnen zijn naar het moment waarop het messiaanse rijk zal aanbreken. Jezus wijst erop dat het zaad reeds in de wereld gezaaid is. Dit zaad is het woord van God, dat door Jezus wordt verkondigd (4,14). Maar wat valt er nu te zien van dit verkondigde woord dat een rijk van vrede en gerechtigheid belooft? Nog helemaal niets! De wereld lijkt op dezelfde manier door te draaien. Jezus gebruikt hiervoor het beeld van een zaaier die wacht. ‘Hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit’ (4,27). Het leven gaat gewoon door en niets lijkt te veranderen. Maar in het verborgene van de aarde vindt een wonder plaats. Het zaad ontkiemt en schiet op zonder dat de zaaier daar weet van heeft of het zelfs ziet, vanzelf. Onafhankelijk van de mens, maar afhankelijk van God. Pas in de oogsttijd wordt de zaaier weer actief. Het laatste vers (4,29) herinnert aan Joël 4,13, waardoor de gelijkenis in een eschatologisch perspectief komt te staan. Het beeld van oogsten wordt in de oudtestamentische literatuur vaak gebruikt voor de eindtijd en het komende oordeel. Op de vraag wanneer het koninkrijk zal aanbreken is het antwoord dat dat in Gods hand ligt. Hij is de enige die dag en uur kent (zie Matteüs 13,32).

Het kleine begin
Wie goed om zich heen kijkt, kan al iets van dit komende koninkrijk zien, maar het probleem is dat veel mensen geneigd zijn om de verkeerde kant op te kijken. Zij verwachten indrukwekkende tekenen te zien van dit komende rijk. Jezus wijst hen terecht in de gelijkenis van het mosterdzaadje (Marcus 4,30-32). Dit zaadje is één millimeter groot, maar brengt een struik voort van anderhalf tot soms wel drie meter hoog. De nadruk ligt in deze gelijkenis op het onooglijke. God zorgt niet alleen voor het wonder van de groei, maar ook voor onvoorstelbare bloei. De Heer kiest het onooglijke, het mosterdzaadje, het twijgje (Ezechiël), om daaruit zijn rijk te bouwen. In vergelijking met de wereldlijke koninkrijken lijkt het nu niets voor te stellen, maar het kleine zaadje/twijgje zal uitgroeien tot een gigantische boom, een wereldomvattend rijk. Vogels – daarmee worden mogelijk de volken bedoeld – zullen zich in deze boom nestelen. Dit koninkrijk zal zijn inwoners beschermen en hen in vrede en welvaart doen leven. Zo zal Gods rijk zijn: een rijk waarin mensen leven in gerechtigheid en vrede.

OMHOOG Jaargang 65, editie 24, editie 13 juni 2021

%d bloggers liken dit: