Geloofsverdieping

Zondag 15 april 2018

Derde zondag van Pasen

Eerste lezing: Uit de Handelingen van de apostelen 3, 13-15. 17-19
In die dagen zei Petrus tot het volk: ‘De God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van onze vaderen, heeft zijn dienaar Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en voor Pilatus verloochend, ofschoon deze geoordeeld had Hem in vrijheid te moeten stellen. Maar gij hebt de heilige en gerechte verloochend, en als gunst de vrijlating van een moordenaar gevraagd. De vorst des levens daarentegen hebt gij gedood. God heeft Hem evenwel uit de doden doen opstaan; daarvan zijn wij getuigen. Maar ik weet, broeders, dat gij in onwetendheid gehandeld hebt, evenals uw overheden. Maar wat God tevoren had aangekondigd bij monde van alle profeten, dat zijn Messias zou sterven, heeft Hij zo in vervulling doen gaan. Bekeert u dus, en hebt berouw, opdat uw zonden worden uitgewist.

Tweede lezing: Uit de eerste brief van de heilige apostel Johannes 2, 1-5a
Vrienden, ik schrijf u met de bedoeling dat gij niet zoudt zondigen. Maar ook al zou iemand zonde bedrijven: we hebben een voorspreker bij de Vader, Jezus Christus, die geheel zondeloos is, die al onze zonden goedmaakt en niet die van ons maar die van de hele wereld. Hoe weten wij dat wij God kennen? Er is maar één bewijs: dat we ons houden aan zijn geboden. Wie zegt dat hij Hem kent maar zich niet stoort aan zijn geboden is een leugenaar; in zo iemand woont de waarheid niet; maar in een mens die gehoorzaam is aan Gods woord (heeft zijn liefde werkelijk haar volmaaktheid bereikt.)

Evangelielezing: Uit het heilig evangelie volgens Lucas 24, 35-48
In die tijd vertelden de twee leerlingen wat er onderweg gebeurd was, en hoe Jezus door hen herkend werd aan het breken van het brood. Terwijl ze daarover spraken, stond Hijzelf plotseling in hun midden en zei: ‘Vrede zij u.’ In hun verbijstering en schrik meenden ze een geest te zien. Maar Hij sprak tot hen: ‘Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart? Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij en kijkt: een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals ge ziet dat Ik heb.’ En na zo gesproken te hebben toonde Hij hun zijn handen en voeten. Toen ze het van vreugde en verbazing niet konden geloven, zei Hij tot hen: ‘Hebt ge hier iets te eten?’ Zij reikten Hem een stuk geroosterde vis aan; Hij nam het en at het voor hun ogen op. Hij sprak tot hen: ‘Dit zijn mijn woorden, die Ik sprak toen Ik nog bij u was: Alles moet vervuld worden, wat over Mij staat in de wet van Mozes, in de profeten en in de psalmen.’ Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Hij zei hun: ‘Zo spreken de Schriften over het lijden en sterven van de Messias en over zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag, over de verkondiging onder alle volkeren, van de bekering en de vergiffenis der zonden in zijn naam. Te beginnen met Jeruzalem moet gij van dit alles getuigen.’

 


B1-LiturgieAfb-15-1504

Gedachten bij de Schriftlezingen
Pasen is verrijzenis vieren. Maar wat is verrijzenis? Jezus’ leerlingen zijn er sinds de ontdekking van het lege graf over in gesprek. De vrouwen hebben hun ervaring daar met hen gedeeld. Maar de leerlingen geloven hen niet. Petrus gaat nog kijken, maar komt niet verder dan de constatering dat het graf
inderdaad leeg is. Dan maken twee leerlingen zich van de groep los en gaan op weg naar Emmaüs. Ze krijgen onderweg gezelschap van een onbekende tochtgenoot. Hij is nieuwsgierig naar het hoe en waarom van hun tocht. Ze vertellen hem wat er met Jezus gebeurd is en hoe het verhaal lijkt te eindigen met een leeg graf. Dan geeft hij hun uitleg. Hun harten worden er warm van. Maar nog weten we niet met wie ze van doen hebben. Pas als ze ’s avonds met hem aan tafel zitten en hij het brood voor ze breekt, zien ze in een flits: de dode is niet dood, Hij leeft! Ze gaan terug naar Jeruzalem.
Daar vertellen de leerlingen dat Jezus inmiddels ook aan Petrus verschenen is (Lucas 24,35). Nu hebben alle betrokkenen dezelfde ervaring opgedaan. Toch blijven er vragen. Was het geen geest, bijvoorbeeld? Of was het een hallucinatie die hen troostte in hun verdriet? Daarover zijn ze aan het begin van de evangeliepassage van vandaag aan het praten. In het Grieks staat hier het werkwoord laleo. Het betekent naast ‘spreken’ ook ‘een geluid maken’ en ligt zo aan tegen ons woord ‘lallen’.
Een ordelijk gesprek was het niet.

Jezus in hun midden
Midden in hun onsamenhangend, misschien wel onkundig gesprek is Jezus er plotseling. Zij zijn verbijsterd en verschrikt, staat er in 24,37. Ze denken dat ze met een geestverschijning te maken hebben. Jezus ontkracht dat in drie stappen. Hij laat hun zijn handen en voeten zien en vraagt ze die aan te raken. Een geest is onaanraakbaar. Die heeft geen substantie. Dan eet Hij een stukje vis. Een geest heeft ook geen honger. De verbijstering en schrik van het begin worden vreugde en verbazing in 24,41. In 24,39 lezen we de woorden die de ommekeer teweeg brengen. Daar zegt Jezus: ‘Ego eimi outos’, IK-BEN-HEMZELF, een verwijzing naar de Godsnaam uit Exodus 3,14. Ten slotte opent Hij hun geest voor de Schriften. De hun vertrouwde, oude woorden tonen nu een betekenis die ze er nog nooit in gelezen hebben. Ze ontdekken dat wat met Abraham, Isaak en Jakob begonnen was, nu in Jezus voltooid is. De God van hun voorvaderen is dezelfde als die van Jezus. In al die tijd is God ‘ego eimi’. God was uitermate trouw aan zijn naam, toen Hij Jezus uit de dood weg haalde.

Verbinden
Dat is ook wat Petrus preekt in de eerste lezing. Eerder in Handelingen 3 genas hij een lamme man. Deze man blijft nu achter hem aan lopen. Vele mensen zien het en gaan mee. Ze kunnen niet begrijpen dat de verlamde man na zoveel jaren zomaar weer kan lopen. Petrus moet wel een wonderdoener zijn. In de zuilengang van Salomo spreekt Petrus hen aan: ‘Israëlieten’. Hij duidt wat er voorvalt als een gebeuren tussen God en zijn volk. Deze God blijkt toch nog onbekend (3,17), zo constateert hij. Anders hadden de mensen van zijn volk anders gehandeld. Nu hebben ze Jezus overgeleverd en verloochend. Ze hebben Hem die het leven schonk, geruild voor hem die het leven nam. God heeft op zijn beurt niet gereageerd op die daden. Dan zou straf voor de daders op zijn plek geweest zijn. God is trouw gebleven aan zijn Naam en heeft Jezus uit de dood en hier en nu de man uit zijn verlamming gehaald.
Petrus probeert ook te verbinden. Hij herinnert zijn gehoor aan hun eigen geloof. Het gaat niet om een nieuwe God. Het gaat om de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van hun vaderen. Ook voor Jezus’ diepste identiteit gebruikt Hij een verbindend woord. Christenen noemen Hem ‘Zoon van God’, Israëlieten niet. Hier staat het Griekse woord pais. Het kan vertaald worden als ‘kind’ of ‘zoon’. Maar het kan ook een vertaling zijn van het Hebreeuwse woord ebed dat ‘dienstknecht’ betekent. In combinatie met ‘God’ herinnert de dienstknecht aan de onschuldig lijdende figuur uit Jesaja 53. Deze was
bekend voor Petrus’ gehoor.

Getuigen
Geloven in de verrijzenis vraagt een bekering (Handelingen 3,19; Lucas 24,47). De eerste bekering is ‘tot weten’ (Handelingen 3,17) komen. In Lucas 24,45 opent Jezus de geest van de leerlingen voor het begrip van de Schriften. Zowel in ‘openen’ als in ‘geest’ en in ‘begrip’ zit hetzelfde Griekse woord nous. Het lijkt er op alsof de geest van Jezus’ leerlingen moet gaan resoneren met de geest van de Schriften, zodat hun geest open kan gaan voor de werkelijkheid van de verrijzenis. Dat zien en begrijpen is een goddelijke gave. Jezus schenkt het zijn leerlingen. Petrus kan het volledige begrip zelf niet afdwingen bij zijn publiek. Hij kan zijn luisteraars hoogstens overtuigen de Schriften met ‘open geest’ te benaderen en hun begrip ervan zo ver mogelijk oprekken. In de taal van de verrijzenisverhalen zou je kunnen zeggen: op de aanraking, op de ontmoeting, op het volledige begrip is het dan wachten.
Die zullen de mens en zijn kijk op de wereld veranderen. Buitenstaanders worden dan leerlingen en leerlingen getuigen. Ze zullen de wereld in trekken en hun oproep richten aan wie het maar horen wil: richt je op deze nieuwe werkelijkheid. Ze zullen anderen helpen hun harten en geesten zo open mogelijk te houden voor de Schriften. De goddelijke werkelijkheid daarachter zal op een dag worden getoond, herkend en verinnerlijkt. Maar denk niet dat deze klus in één moment geklaard is. Zelfs Jezus’ leerlingen moeten wachten, totdat dat werk aan hen is voltooid.

OMHOOG Jaargang 62, editie 15, 15 april 2018