Liturgie & leven

Zestiende zondag door het jaar A

Eerste lezing: Wijsheid 12, 13.16 – 19
Naast U is er geen andere God die zorg draagt voor alles, geen andere God, voor wie Gij waar zoudt moeten maken dat Gij niet onrechtvaardig hebt geoordeeld. Uw macht is de grond van uw rechtvaardigheid, en omdat Gij over allen heerst, behandelt Gij allen ook met zachtheid. Waar men aan uw volstrekte macht niet gelooft, daar toont Gij uw kracht en bij hen die haar ervaren hebben, neemt Gij alle grond tot overmoed weg. Gij echter, die over de macht beschikt, met veel zachtheid spreekt Gij uw oordeel uit en Gij bestuurt ons met veel goedertierendheid, want Gij kunt uw macht tonen, wanneer Gij maar wilt. Door zó te doen hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige een vriend van de mensen moet zijn, en hebt Gij uw zonen hoopvol gestemd dat Gij, daarwaar gezondigd wordt, de kans tot inkeer biedt.

Antwoordpsalm: Psalm 86, 5 – 6.9 – 10.15 – 16a

Tweede lezing: Romeinen 8, 26 – 27
Broeders en zusters, de Geest komt onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling.

Evangelielezing: Matteüs 13, 24 – 43 (of: 24 – 30)
In die tijd hield Jezus de menigte deze gelijkenis voor: ‘Het rijk der hemelen gelijkt op een man die op zijn akker goed zaad had gezaaid; maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tussen de tarwe en ging heen. Toen de halmen opgeschoten waren en vrucht hadden gezet, was ook het onkruid te zien. Nu gingen de knechten naar hun meester en zeiden hem: Heer, ge hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat? Hij antwoordde hun: Dat is het werk van een vijand. De knechten zeiden tot hem: Wilt ge dat we het bijeengaren? Maar hij zei: Neen, ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt. Laat beide samen opgroeien tot de oogst, en met de oogsttijd zal ik de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bussels om te verbranden; maar slaat de tarwe op in mijn schuur’. (Een ander gekijkenis hield Jezus hun voor: ‘Het rijk der hemelen gelijkt op een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide. Dat is wel het allerkleinste zaadje, maar wanneer het is opgeschoten, is het groter dan de andere tuingewassen; het wordt een boom, zodat de vogels in zijn takken komen nestelen’. Nog een andere gelijkenis vertelde Jezus hun:’Het rijk der hemelen gelijkt op gist, die een vrouw in drie maten bloem verwerkte, totdat deze in hun geheel gegist waren’. Dit alles sprak Jezus tot het volk in gelijkenissen en zonder gelijkenissen leerde Hij hun niets, opdat in vervulling zou gaan het door de profeet gesproken woord: ‘Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, Ik zal openbaren wat verborgen is geweest vanaf de grondvesting der wereld’. Toen liet Hij de menigte gaan en keerde naar huis terug. Zijn leerlingen kwamen nu naar Hem toe en zeiden: ‘Leg ons de gelijkenis uit van het omkruid op de akker’. Hij gaf hun ten antwoord: ‘Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon; de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het rijk; het onkruid de kinderen van het kwaad, en de vijand die het zaaide, is de duivel. De oogst is het einde van de wereld en de maaiers zijn de engelen. Zoals nu het onkruid wordt bijeengebracht en in het vuur verbrand, zo zal het ook gaan op het einde van de wereld. De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn rijk bijeenbrengen allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven om hen in de vuuroven te werpen, waar geween zal zijn en tandengeknars, Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader schitteren als de zon. ‘Wie oren heeft, hij luistere’.


Gedachten bij de Schriftlezingen

Jezus is met zijn leerlingen aan het Meer van Galilea. Hij onderwijst hen en de toegestroomde menigte over het rijk van God. De passage van vandaag bevat drie parabels: die van het zaad dat vermengd raakt met onkruid, die van het mosterdzaadje dat uitgroeit tot een grote boom en ten slotte die over een vrouw die het zuurdesem door het meel kneedt. De wereld die Jezus schetst, is herkenbaar voor zijn toehoorders. De evangelist benadrukt in Matteüs 13,34-35 dat de parabels ook verborgen diepten hebben. In 13,36 komen de leerlingen Jezus om uitleg vragen van de parabel van het tarwe en het onkruid. Dat is de enige van de drie parabels waarvan de leerlingen kennelijk de diepte niet verstaan.

Vragen genoeg
De wereld van de parabel over de tarwe en het onkruid is alledaags. Toch zullen Jezus’ toehoorders ook met stijgende verbazing geluisterd hebben. Er zitten ongebruikelijke elementen in. Ik noem er drie. Waarom zou deze zaaier zelf zaaien, bijvoorbeeld? Hij is een man van stand. Hij heeft knechten (13,27-28) en maaiers (13,30) in dienst. Hij blijkt bovendien de eigenaar van de grond (13,27). Dan heeft deze zaaier kennis over het onkruid. Hij noemt dat ‘het werk van een vijand’. Hoe kan dat? Het was nacht, iedereen sliep (13,25). Het derde element betreft die vijand: waarom heeft die het zich zo moeilijk gemaakt? Hij had ook kunnen vernielen, verbranden, vergiftigen of wat dan ook. Waarom zo’n arbeidsintensief, onzeker werkje als zaaien, wachten tot het opkomt en dan zien of het zijn werk doet? En dat nog in de nacht ook? De leerlingen hebben gelijk: er is dringend uitleg nodig.

Verrassende uitleg
Jezus vult in. De akker is de wereld. De zaaier is de Mensenzoon. Het goede zaad zijn de kinderen van het koninkrijk, het onkruid de kinderen van de duivel. De vijand is de duivel. De oogst is het einde der tijden. En de maaiers zijn de engelen. Daar ligt de verrassing dus niet. Die is er wel als we het element tijd onderzoeken. De tekst laat een spanning zien tussen nu en het einde der tijden. In de werkelijke wereld zouden we nu het onkruid wieden, verzamelen en verbranden. In de verbeelding van de parabel is dat een beeld voor het einde der tijden. De knechten willen nu zelf iets doen wat hun niet past. Het is aan de eigenaar. Hij zal het nu niet doen, maar straks, ten slotte. Zouden de knechten het wel nu zelf doen, dan zou het ten koste gaan van de oogst. Met het oordeel van de knechten is overigens niets mis. Ze constateren dat het onkruid, lees: het kwaad, er is. Zij filosoferen niet over hoe het daar gekomen is. Zij willen er meteen wat aan doen. Het klinkt energiek en plichtsgetrouw. Maar de eigenaar zegt desgevraagd: ‘Nee, niets doen, nu!’ Nemen we de beeldspraak, dan zegt de Mensenzoon – die heel zijn doen en laten afstemde op het goede en het verdrijven, helen, vergeven van het kwade – tegen zijn volgelingen dus dat ze niet in actie moeten komen om het kwaad met wortel en tak uit te roeien. Dat zullen Jezus’ toehoorders niet direct als Gods woord willen horen. De volgelingen moeten toch
op hun Meester lijken? Er is een reden voor. Onkruid en tarwe zijn in elkaar verwikkeld. Haal je het uit elkaar, dan gaan ook de wortels van de tarwe kapot. Met het oog op de groei van hetgoede moet het kwade dus (voorlopig) blijven. Het is nog genuanceerder wanneer we het Grieks lezen. Het woord voor onkruid, zizania, lijkt te wijzen naar een grassoort (raaigras) dat in zijn ontwikkeling erg op tarwe lijkt. Pas bij de oogst schijnt met zekerheid gezegd te kunnen worden wat het is. Een landeigenaar moet ze daarom wel naast elkaar laten bestaan, wil hij aan het eind kunnen oogsten. Het kwaad is ook subtiel. Het lijkt een parallelle wereld aan die van het goede. Net als bij het goede zaad is hier sprake van een zaaier, van ontkiemen en groeien en wachten op een oogst. Deze wereld heeft alleen een andere intentie: het goede uiteindelijk vernietigen.

Niets doen
De knechten moeten hun (correcte) oordeel laten voor wat het is. Ze mogen goed en kwaad niet eigenhandig uit elkaar halen om het kwaad te vernietigen. Het is het eerste werkwoord van 13,30: loslaten (afièmi). Het werkwoord heeft de bijklank van vergeven. Dat is hier niet onbelangrijk. Wie de strijd tegen de uitroeiing van het kwaad moet loslaten, staat voor de opgave de wereld (of God) te vergeven voor de voortdurende mengeling van goed en kwaad.

Het einde der tijden
In een ambigue wereld mogen de leerlingen van Jezus zich het oordeel over diezelfde wereld niet aanmeten. Aan hen is het de ambigue wereld te verdragen, geduld te hebben met haar toestand, zelf het goede te doen, anderen uit te nodigen zich bij hen aan te sluiten. Maar ook: de eigen angst te verdragen dat het niet goed komt, dat het einde der tijden niet aanbreekt, dat God machteloos is tegenover het kwaad. Op zijn tijd zal God scheiden (net als in het begin met de schepping), de goeden bij de goeden bijeenbrengen en de slechten bij de slechten. Opvallend is hier trouwens dat Matteüs twee woorden voor ‘bijeenbrengen’ gebruikt. Bij het onkruid staat het werkwoord sullego, bij de tarwe staat het werkwoord sunago.In betekenis is er nauwelijks verschil, maar van sunagois het woord synagoge afgeleid. Zou het dan zo zijn dat de ware verzameling van licht-mensen pas aan het einde der tijden blijkt en niet nu al vastligt in synagoge of kerk?

Wijsheid
Wijsheid is de ideale houding van Jezus’ leerlingen. Zij leren van God het milde oordeel (eerste lezing; Wijsheid 12,18) en dat een rechtvaardige (kind van het koninkrijk in de parabel) vriend van mensen is (12,19). Deze houding is gefundeerd in het wezen van God, dat mild is en gelegenheid tot inkeer geeft. God zelf gaat het kwaad dus niet met harde hand te lijf. Hij wil een zo groot mogelijke oogst: zoveel mogelijk rechtvaardigen, zoveel mogelijk tarwe van de akker. Tot die tijd geeft Hij alle kans om te kiezen voor het licht.