Commentaar op de Lezingen van de 4e zondag van de Veertigdagentijd (Jaar A) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (1 Samuël 16:  1b. 6-7. 10-13a)

Wanneer er een onherstelbare breuk ontstaat tussen de profeet Samuël, de grote religieuze leider van Israël en koning Saul, de eerste koning van Israël, die door Samuël gezalfd was, dan botsen deze twee invloedrijke mannen hevig. In hoofdstuk 15 lezen we een beknopte versie van de krachtmeting, maar er zal ongetwijfeld veel meer gebeurd en gezegd zijn dan wat er in dit beknopte verslag staat. Duidelijk is dat de profeet zich niet laat intimideren door koning Saul en het einde van diens koningschap aankondigt en tevens dat God een ander het koningschap over Israël zal geven. In het daarop volgende hoofdstuk 16, dat we in de eerste lezing van deze zondag horen, vertelt de bijbelse schrijver dan hoe Samuël in alle stilte een opvolger zalft. Hij moet echter ervaren dat ook hij als profeet en religieus leider lang niet alles weet en dat ook voor hemzelf dat profetische woord geldt: Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart”. De volgende koning van Israël zal niet een van de eerste zeven sterke, grote zonen van Isaï uit Bethlehem zijn, maar de jongste en schijnbaar minstbelovende zoon, David.

Eerste lezing: 1 Samuël 16:  1b. 6-7. 10-13a

In die dagen zei de Heer tot Samuël: “Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet, want een van zijn zonen heb Ik voor het koningschap bestemd”. Toen Samuël daar aankwam, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: “Die daar voor de Heer staat is ongetwijfeld Zijn gezalfde!” Maar de Heer zei tot Samuël: “Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil Ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart”. Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor, maar Samuël zei tot Isaï: “Geen van hen heeft de Heer uitverkoren”. Daarop vroeg hij aan Isaï: “Zijn dat al uw jongens?” Hij antwoordde: “Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen”. Toen zei Samuël tot Isaï: “Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel voordat hij hier is”. Isaï liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei de Heer: “Hem moet gij zalven: hij is het”. Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van de Heer vaardig over David.

Tussenzang:  Psalm 23

Refrein: DE HEER IS MIJN HERDER, NIETS KOM IK TEKORT

1. De Heer is mijn Herder, niets kom ik tekort;

Hij laat mij weiden op groene velden.

Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten,

Hij geeft mij weer frisse moed.

2. Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden

omwille van Zijn Naam.

Al voert mijn weg door donkere kloven,

ik vrees geen onheil, waar Hij mij leidt.

3. Uw stok en Uw herderssstaf

geven mij moed en vertrouwen.

Gij nodigt mij aan Uw tafel,

tot ergernis van mijn bestrijders.

Achtergrond van de tweede lezing (Efeziërs 5: 8-14)

Deze zondag staat centraal het symbool van licht. Paulus noemt Jezus, zoals dat ook in de evangelielezing gebeurt, het Licht der wereld. Paulus werkt dit symbool in deze tekst heel krachtig uit. De hechte gemeenschap met Christus maakt van de gelovige Christen een mens die zich innerlijk laat vormen door het licht van Christus’ woord en door het licht van Zijn verborgen aanwezigheid in de sacramenten en het gebed. Dit maakt de gelovigen zelf ook tot ‘kinderen van het licht’: tot mensen die Christus’ liefde en visie uitdragen en beleven. Maar Paulus kent de vele verleidingen die aan de gelovigen trekken en spoort hen daarom aan om waakzaam te blijven en zichzelf steeds eraan te herinneren om in het concrete leven van iedere dag die weg van Christus trouw te blijven.

Tweede lezing: Efeziërs 5: 8-14

Broeders en zusters, eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht. De vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waarheid. Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. Neemt geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken, brengt ze liever aan het licht. Wat die mensen in het geheim doen is te schandelijk om er ook maar over te spreken. Alles echter wat aan het licht wordt gebracht, komt in het licht tot helderheid. En alles wat verhelderd wordt, is zelf “licht” geworden. Zo zegt ook de hymne: “Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus’ licht zal over u stralen”.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Johannes 9: 1-41)

Net zoals vorige week zondag de Kerk zich op Pasen voorbereidde vanuit dat krachtige hoofdstuk 4 van het Johannesevangelie met het thema van Christus die ons het levend water van het Heilige Geest schenkt, zo houdt de liturgie ons deze zondag bij onze voorbereiding op Pasen het fascinerende hoofdstuk 9 voor. Nu is het centrale symbool dat van het licht. Christus is het Licht van de wereld. Er volgt een boeiende genezing van een man die al vanaf geboorte geen licht in de ogen had en die als blinde in de duisternis is opgegroeid, maar die het unieke wonder mag ervaren om in de ontmoeting met Jezus het licht in zijn ogen te mogen ontvangen. Maar nog belangrijker is dat hij steeds meer het licht van het geloof in zijn denken en in zijn hart voelt groeien. In het hele conflict met de farizeeën die Jezus afwijzen als Messias, krijgt de man juist een steeds dieper inzicht in wie Jezus in feite is, zodat hij aan het einde van het verhaal, wanneer hij Jezus nog een keer mag ontmoeten, en Deze hem vraagt: “Geloof je in de Mensenzoon?’, de man zich voor Jezus neerwerpt en zegt: “Ik geloof, Heer”. De context van dit indrukwekkende genezingsverhaal is, zoals we in het voorafgaande hoofdstuk 8 kunnen lezen, het Joodse Loofhuttenfeest. Dit religieuze feest herdacht hoe eens, in de veertig jaren woestijn ten tijde van Mozes, toen de Israëlieten in hutten moesten wonen, God steeds met hen meegetrokken is als een licht in de nacht. Zo is ook Zijn Zoon het Licht der wereld, die verlossing en redding brengt aan allen die in geloof werkelijk willen zien wie Hij is.

Evangelie: Johannes 9: 1-41

In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af. Zijn leerlingen vroegen Hem: “Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?” Jezus antwoordde: “Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden. Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld”. Toen Hij dit gezegd had, spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man en zei tot hem: “Ga u wassen in de vijver van Siloam” – wat betekent: ‘gezondene’. Hij ging ernaar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bédelen, zeiden: “Is dat niet de man, die zat te bédelen?” Sommigen zeiden: “lnderdaad, hij is het”. Anderen: “Neen, hij lijkt alleen maar op hem”. Hijzelf zei: “Ik ben het”. Toen vroegen ze hem: “Hoe zijn dan uw ogen geopend?” Hij antwoordde: “De man die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: “Ga naar de Siloam en was u”. Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien”. Ze vroegen hem toen: “Waar is die man ?” Hij zei: “Ik weet het niet”. Men bracht nu de man die blind geweest was bij de Farizeeën; de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend, was namelijk een sabbat. Ook de Farizeeën vroegen hem dus, hoe hij het gezicht herkregen had. Hij zei hun: “De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie”. Toen zeiden sommige Farizeeën: “Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet”. Anderen zeiden: “Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?” Zo was er verdeeldheid onder hen. Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen: “Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?” Hij antwoordde: “Het is een profeet”.

De Joden wilden niet van hem aannemen, dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had, eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen. Zij stelden hun toen de vraag: “Is dit uw zoon, die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?” Zijn ouders antwoordden: “Wij weten, dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren, maar hoe hij nu zien kan, weten we niet; of wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet. Vraagt het hemzelf, hij is oud genoeg en zal zelf zijn woord wel doen”. Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden hadden reeds afgesproken dat alwie Jezus als Messias beleed, uit de synagoge gebannen zou worden. Daarom zeiden zijn ouders: “Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf”. Voor de tweede maal riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest, bij zich en zeiden hem: “Geef eer aan God. Wij weten dat die man die Jezus heet, een zondaar is”. Hij echter antwoordde: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie”. Daarop vroegen zij hem wederom: “Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?” Hij antwoordde: “Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden?” Toen zeiden zij smalend tot hem: “Jij bent een leerling van die man, wij zijn leerlingen van Mozes. Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten we niet waar Hij vandaan is”. De man gaf hun ten antwoord: “Dit is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet vanwaar Hij is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend. Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en Zijn wil doet, dan luistert Hij naar zo iemand. Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als deze man niet van God kwam, had Hij zo iets nooit kunnen doen”. Zij voegden hem toe: “In zonden ben je geboren, zo groot als je bent, en jij wilt ons de les lezen?” Toen wierpen ze hem buiten. Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had en toen Hij hem aantrof, zei Hij: “Gelooft ge in de Mensenzoon?” Hij antwoordde: “Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven”. Jezus zei hem: “Gij ziet Hem, het is Degene die met u spreekt”. Toen zei hij: ” Ik geloof, Heer”. En hij wierp zich voor Hem neer. En Jezus sprak: “Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat de niet-zienden zouden zien en de zienden blind worden”. Enkele Farizeeën die bij Hem stonden, hoorden dit en zeiden tot Hem: “Zijn ook wij soms blind?” Jezus antwoordde: “Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: “Wij zien”, blijft uw zonde”.

Overweging:

Ik zou de lezingen van deze vierde zondag van de veertigdagentijd met u willen overwegen met het volgende thema: “Hoe zien we eigenlijk? En hoe kunnen we ervoor zorgen dat God licht kan brengen in ons denken en in ons zijn?”

De eerste woorden van dit vers 1 van hoofdstuk 9: ”In het voorbijgaan zag Jezus een man die blind was van zijn geboorte af” maakt duidelijk dat dit aansluit bij wat Jezus in het voorafgaande hoofdstuk 8 aan het doen was. Hij was op het Loofhuttenfeest op het grote tempelplein de mensen aan het toespreken. Het Loofhuttenfeest vierde hoe God in de veertig jaren in de woestijn, toen de Israëlieten geen permanente huizen hadden maar in tenten leefden, God als een licht in de nacht hen nabij was geweest. Hij was, en blijft altijd, de God die met mensen meetrekt in hun leven.

Zoals in de eerste lezing de profeet Samuël ook heeft ervaren, is God geen God die kijkt naar het uiterlijk van de mensen, of naar hun maatschappelijke status of rijkdom, of naar andere uiterlijke zaken. Nee, God laat aan de profeet Samuël zien dat Hij een God is die naar het binnenste van een mens kijkt. Daar is God in geïnteresseerd. Daarom kiest Hij niet de eerste zeven stevige, sterk gebouwde zonen van Isaï tot de opvolger van koning Saul, maar kiest Hij de jongste zoon David. God heeft reeds toen gezien dat David een zorgzaam, trouw en stabiel karakter had en wist dat Hij David in de loop der jaren zou kunnen kneden als klei, dus dat David zich niet hooghartig zou gaan opstellen als een “sabi-so” die meent de wijsheid in pacht te hebben.

Daar op het tempelplein tijdens het Loofhuttenfeest, in hoofdstuk 8, had Jezus toen al naar zichzelf verwezen met dat symbool van licht. Hij had toen gezegd: “Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt, dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht van het leven bezitten” (8:12). Er was een felle woordenwisseling ontstaan met een groep farizeeën die zich in het geheel niet wensten open te stellen voor wat God de Vader in en door Jezus aan het doen was. Zij wilden de diepere betekenis niet zien van de wonderen, genezingen en andere tekenen die Jezus deed. Het gaat dus over het wel of niet openstaan voor het licht dat God heel concreet in je leven brengt. Jezus had toen gezegd: “Indien gij trouw blijft aan Mijn woord, zijt gij waarlijk Mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken” (8:31-32).

Maar dat zal alleen gebeuren wanneer wij ons open stellen en mee willen werken met wat de Vader probeert te doen. Dit is de reden, denk ik, dat Jezus klei maakte van speeksel en aarde: alleen als wij onszelf openstellen om als klei door God gevormd te worden, kan Zijn licht ons brengen tot een diepere vorm van ‘zien’, dus tot diepere inzichten in waar wij werkelijk staan op dit moment van ons leven, wat onze kracht is, maar ook waar onze zwakke kanten zijn. Alleen als God ons kan kneden zoals een pottenbakker het klei kneedt, krijgt God de kans om ons echt te maken tot “kinderen van het licht”. Dit is ook waar Paulus in de tweede lezing de gemeente van Efeze aan herinnert: “Eens waren jullie duisternis, nu zijn jullie licht door jullie gemeenschap met de Heer”. Dus met andere woorden, niet langer is alleen Jezus een Licht in de wereld, maar door hun gemeenschap met Hem, door hun verlangen Zijn Woord te kennen, te overwegen en er door gevormd te worden, zijn nu ook zij allen een licht in hun omgeving. Maar Paulus weet dat alles in ons menselijk bestaan een groeiproces is en een weg van vallen en opstaan. Daarom heeft Paulus ook hele praktische voorstellen voor de gelovigen van Efeze: Leeft dan ook als kinderen van het licht. De vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waarheid. Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. Neemt geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken, brengt ze liever aan het licht. Zo zegt ook de hymne: “Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus’ licht zal over u stralen”.

Toen Jezus in het voorbijgaan deze man zag die van geboorte af blind was, stelden de leerlingen Hem de vraag: “Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?”. Jezus wist toen dat dit een krachtige gelegenheid zou worden om door een ingrijpend wonder het geloof, de inzichten en de oproep tot openheid onder de mensen te verdiepen. De leerlingen, en vele andere mensen om hen heen, gingen er namelijk van uit dat ziekte altijd wel een straf zal zijn van God voor de een of andere zonde. Indien iemand dan van geboorte af zo’n erge ziekte had als blindheid, dan moest de persoon ofwel al in de moederschoot hebben gezondigd, of de ziekte was een straf voor ernstige zonden van de ouders. Sommige Joodse geleerden leerden namelijk dat het bijbelse verhaal over de strijd tussen Esau en Jakob die al in de moederschoot in ruzie en rivaliteit met elkaar leefden, en daardoor een problematische bevalling veroorzaakten voor hun moeder Rebekka, liet zien dat sommige mensen al in de moederschoot zondigden en als straf daarvoor bijvoorbeeld blind geboren werden. Andere farizeeën leerden de mensen dat zware zonden van de ouders gestraft werden in hun kinderen.

Maar voor Jezus ligt de diepere betekenis van het begrip “zonde” anders: zonde gaat voor Jezus vooral over de vraag of je je open wilt stellen voor al die initiatieven die God onderneemt om de mensen in de concrete omstandigheden van het soms moeilijke bestaan, tot het goede en tot het licht te brengen. Dus in de concrete setting van je leven: ben jij als klei in Gods hand? Laat je je vormen, laat je je tot nieuwe inzichten brengen en omvormen, weg van de invloeden van het kwade, het egoïstische, het agressieve en zondige, tot een positieve levenshouding waarin Gods initiatieven een goede bodem zullen vinden en veel moois door jou tot stand zal kunnen brengen? Dus ook de vraag of de leerlingen en de farizeeën, de blindgeborene en de andere mensen daar, zich zouden openstellen voor wat de Vader daar in hun tijd, in hun concrete omgeving, aan bijzondere initiatieven aan het doen was?

En daarom is het dat Jezus over deze blindgeborene zegt dat noch hij noch zijn ouders gezondigd hebben, maar dat God een grote teken zal laten zien door de unieke genezing van deze man. De Vader zal zo getuigen dat Jezus Zijn uitverkoren instrument van verlossing is. Dit unieke wonder zal een machtig teken zijn voor wat de Vader in en door Jezus aan het doen is, maar dan wel voor hen die het willen zien, die zich ervoor openstellen.

De groep farizeeën echter, bleven de genezen man en zijn ouders onder grote druk zetten, en hen intimideren en beledigend behandelen, om maar gedaan te krijgen dat ze zouden zeggen dat Jezus geen goede persoon was, niet een ware profeet van God, laat staan Gods Messias. Deze farizeeën waren werkelijk geestelijk blind en verstokt van hart. Zij bleven hardnekkig vasthouden aan hun verbeten overtuigingen, hoe helder en indrukwekkend deze wonderbaarlijke genezing ook was. En daarmee sloten zij zich wrokkig af wat van de Vader hier aan het doen was. Daarom zegt Jezus aan het einde van het verhaal tot hen: “Tot een oordeel ben Ik in de wereld gekomen, opdat de niet-zienden zouden zien en de zienden blind worden. Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: ‘Wij zien’, blijft uw zonde”.

Deze drie lezingen van de vierde zondag van de veertigdagentijd plaatsen ons dus voor een stuk zelf-reflectie. Als het ware roepen ze elk van ons op om met een open mind over de lezingen na te denken en onszelf te bezinnen over de vragen: “Hoe zien we eigenlijk? En hoe kunnen we ervoor zorgen dat God licht kan brengen in ons denken en in ons zijn?” Zelfs de profeet Samuël heeft ervaren in de eerste lezing dat ondanks zijn indrukwekkende staat van dienst als de belangrijkste religieuze leider in Israël van die tijd, ook hij maar mens was: een mens die net als iedereen steeds weer open moet staan om te leren, om de eigen tekorten te zien en aanvaarden, om open te staan voor de groei die God op dat moment in je leven wilt brengen. Ook horen we Paulus ons allen oproepen om het licht van Christus ons te laten omvormen tot mensen die elk op zijn of haar eigen manier bijzonder is en die een bijdrage zal leveren aan het Rijk Gods. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat God licht kan brengen in ons denken en in ons zijn? Door open te blijven, door kritische vragen te blijven stellen bij hoe we dingen doen, of hoe we naar andere mensen kijken, of naar onze manier van omgaan met anderen, of hoe we ons opstellen. Als we als dat klei blijven dat Jezus kon vormen toen Hij de blindgeborene zou gaan genezen, als we kneedbaar klei zijn in Zijn handen, dan zullen er ook in en door ons, hele goede en mooie dingen gebeuren. Want de Heer blijft werken, blijft bezig en blijft Zijn licht laten stralen daar waar Hij open harten tegenkomt. Dat Hij zulke open harten moge vinden bij ons. Dat wij, net als die genezen man, Jezus steeds oprechter zullen zeggen: “Heer, ik geloof!” En dat Hij ons steeds dieper zal doen zien: zien wie Hij is en hoe we Hem kunnen dienen, en zien wat Hij van ons wil maken!



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: