Commentaar op de Lezingen van de 31e Zondag door het Jaar  ( C ) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Wijsheid 11:23 – 12:2)

De tekst van dit deuterocanonieke boek van het Oude Testament is in de laatste dertig jaar vóór Christus in het Grieks geschreven, waarschijnlijk in Egypte in de stad Alexandrië waar er een grote Joodse gemeenschap woonde. De schrijver was een gelovige Jood, zelf wonend in Alexandrië en goed vertrouwd met de Griekse taal en cultuur die toen toonaangevend was in die stad.  Hij schreef het boek voor jonge Joden die erg onder de indruk waren van de Griekse cultuur. De schrijver wil de schaduwkanten  van die cultuur zichtbaar maken en wijst op het materialisme, de genotzucht en de religieuze verdwazing van die samenleving. Hij wil aantonen dat de wijsheid waar de Grieken naar zochten, altijd al de geschiedenis van de Joden doortrokken heeft. Hij plaatst het werk op naam van koning Salomo die vele eeuwen eerder geleefd had, maar de schrijver doet dat om te benadrukken dat koning Salomo, geleid door Gods Geest, zich kon meten met de Griekse filosofie en wetenschap. In deze passage roemt de auteur Gods barmhartigheid, zoals die zich in heel het Oude Testament geopenbaard heeft. God toont Zijn almacht en mededogen door de zondige mens nieuwe kansen te geven zich van zijn verkeerde wegen af te keren en zijn leven opnieuw te richten op God en op Gods waarden en beloften. 

Eerste lezing: Wijsheid 11:23 – 12:2

Heer, heel de aarde is voor U als een stofje op de weegschaal, als een vroege dauwdruppel die neervalt op aarde. Maar Gij ontfermt u over allen, want Gij vermoogt alles; en Gij let niet op de zonden der mensen, opdat ze tot inkeer komen. Gij houdt immers van alles wat bestaat, en verafschuwt niets van wat Gij geschapen hebt; want zoudt Gij iets haten, dan hadt Gij het niet geschapen. Hoe zou er iets kunnen blijven bestaan tegen uw wil, hoe zou behouden kunnen blijven wat Gij niet gemaakt hebt? Ja, alles spaart Gij, want alles is van U, en Gij heerst vol liefde over al wat leeft! Uw onvergankelijke geest is aanwezig in alles wat bestaat. Daarom straft Gij de zondaars met mate, en herinnert ze waarschuwend aan hun zonden, opdat ze hun boosheid verlaten en trouw blijven aan U, Heer.

Tussenzang:  Psalm 145

Refrein: U wil ik loven, mijn God en Koning, uw Naam verheerlijken voor altijd.

U wil ik loven, mijn God en Koning, uw Naam verheerlijken voor altijd. U wil ik prijzen iedere dag, uw Naam verheerlijken voor altijd.

De Heer is vol liefde en medelijden, lankmoedig en zeer goedgunstig. De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte.

Uw werken zullen U prijzen, Heer, uw vromen zullen U loven. Zij roemen de glorie van uw heerschappij, uw macht verkondigen zij.

Achtergrond van de tweede lezing (2 Tessalonicenzen 1:11 – 2:2)

De komende drie weken zullen we als tweede lezing passages horen uit de tweede brief aan de Tessalonicenzen. De Kerk doet dat omdat we nu dicht bij het einde van het kerkelijk jaar komen, een tijd waarin de Kerk jaarlijks stilstaat bij de eindtijd en de wederkomst van Christus. Maar aan de hand van schriftlezingen laat de Kerk ons zien dat de tijd van de wederkomst door de hemelse Vader bepaald wordt en Hij alleen kan weten wanneer dat zal gebeuren. Het belangrijkste thema van deze brief is namelijk het uitblijven van de eindtijd. De eerste Christenen leefden in de verwachting dat de wederkomst van Christus spoedig zou gebeuren en dat dus het einde der tijden nabij was. Toen dat niet gebeurde, leidde dat tegen het einde van de eerste eeuw tot twijfel binnen de vroegchristelijke gemeenten. In deze brief wordt die twijfel weggenomen. Christus zal wel degelijk wederkomen in heerlijkheid, maar de brief waarschuwt dat die dag nog lang niet zal aanbreken. De gelovigen moeten zich daarom niet laten misleiden, zelfs niet door brieven die gepresenteerd worden alsof ze afkomstig zijn van Paulus maar het niet zijn. Er zal eerst een periode van geloofsafval komen en de antichrist zal ook nog eerst verschijnen. Daarom moeten Christenen zich inspannen voor een goed leven als actieve leerlingen van Jezus en zich niet laten meeslepen door gespannen voorspellingen over een spoedige wederkomst van de Heer.

Tweede lezing: 2 Tessalonicenzen 1:11 – 2:2

Broeders en zusters, telkens opnieuw bidden wij onze God, dat Hij u zijn roeping waardig maakt en al uw goede voornemens en elke daad van uw geloof met macht tot volkomenheid brengt. Dan zal de Naam van onze Heer Jezus in u verheerlijkt worden – en gij in Hem – door de genade van onze God en de Heer Jezus Christus. Wij moeten u echter verzoeken, broeders en zusters, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze hereniging met Hem niet zo gauw uw bezinning te verliezen. Laat u toch niet opschrikken door profetieën of uitspraken of een brief die van ons afkomstig zouden zijn, en die beweren dat de dag van de Heer is aangebroken.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Lucas 19: 1-10)

De evangelist Lucas is de enige die de bijzondere ontmoeting van Jezus met Zacheüs heeft vastgelegd. Hij moet het gelijk in het korte, beknopte evangelie van Marcus hebben gemist. Lucas had dit niet zelf meegemaakt: hij kende Jezus toen nog niet, want toen leefde Lucas nog in een ander land. Maar toen hij tot geloof gekomen was, moet hij zeker vaak over deze wonderlijke ontmoeting hebben gehoord van anderen die wel met Jezus waren meegetrokken en die in hun prediking vaak verteld zullen hebben over die moedige, soms bijna onbegrijpelijke barmhartigheid van de Heer. Lucas wist dat in dit gebeuren een diepgang van liefde en mededogen aan het licht kwam, dat hij dit absoluut moest vastleggen in zijn evangelie. Want alleen door vaak na te denken over wat er hier gebeurde, toen Jezus ervoor koos om een gehate hoofdtollenaar een bijzondere kans te geven door bij hem de dag door te gaan brengen, zullen we pas dieper doordringen in hoe Jezus de Messias is, in hoe Hij als Gods Zoon verlossing brengt en nieuw leven, en dus hoe wij Hem moeten navolgen.

Evangelie: Lucas 19: 1-10

In die tijd ging Jezus Jericho binnen. Terwijl Hij er doorheen trok poogde een zekere Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man, te zien wie Jezus was. Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte, want hij was klein van gestalte. Om Jezus toch te zien liep Zacheüs hard vooruit en hij klom in een wilde vijgeboom omdat Jezus daar langs zou komen. Toen Jezus bij die plaats kwam keek Hij omhoog en zei tot hem: “Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn”. Zacheüs kwam snel naar beneden en ontving Hem vol blijdschap. Allen zagen dat en merkten morrend op: “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!” Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak: “Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug”. Jezus sprak tot hem: “Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen,

 want ook deze man is een zoon van Abraham. De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en om te redden wat verloren was”.

Overweging:

We zijn nu al behoorlijk richting het einde en hoogtepunt van Lucas’ evangelie gekomen. De belangrijke reis naar Jeruzalem nadert zijn voltooiing en in de tweede helft van dit hoofdstuk 19 zal Lucas vertellen over Jezus’ feestelijke intocht in Jeruzalem op Palmzondag, het begin van Zijn lijden, kruisdood en verrijzenis. Nog maar enkele verzen tevoren, in 18:31, had Lucas nog verteld dat Jezus de leerlingen apart had genomen en hen gezegd had: “We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven, zal men de Mensenzoon laten ondergaan. Want Hij zal worden uitgeleverd aan de heidenen en worden bespot en mishandeld en bespuwd. En nadat hij is gegeseld, zal Hij worden gedood, maar op de derde dag zal Hij opstaan”. Maar Lucas moest eraan toevoegen dat de apostelen de betekenis van Jezus’ woorden niet konden begrijpen. Zij hadden nog zozeer een idee van een triomfantelijke Messias, die de gehate romeinse overheersing zou verjagen en het koningschap en de soevereiniteit van koning David zou herstellen, dat ze alleen maar onrustig en ongemakkelijk werden door Jezus’ woorden over naderend lijden en afwijzing.

Direct daarna had Lucas nog twee hele belangrijke dingen beschreven die Jezus deed alvorens Hij Jeruzalem op een ezel binnen zal trekken. Eerst geneest Hij in de buurt van Jericho, dicht bij Jeruzalem, de blinde Bartimeüs. Deze man had luid tot Jezus geroepen met de eeuwenoude Messiaanse titel: “Zoon van David, heb medelijden met mij!” Jezus had Bartimeüs eerst gevraagd: “Wat wil je dat Ik voor je doe?” alvorens hem de handen op te leggen en te genezen. Toen had Jezus, zoals zo vaak, gezegd: “Je geloof heeft je gered”. Het is alsof Jezus nog een laatste keer benadrukt dat als wij echt willen kunnen zien hoe Hij Messias is, als we Hem werkelijk als leerlingen willen volgen en niet slechts van op grote afstand af en toe aan Hem denken, we moeten geloven. Hij vraagt aan elk van ons: “Wat wil je dat Ik voor je doe?” Een belangrijke vraag: wat is Hij voor ons? Hoe zien we onze relatie met Hem? Wat voor een Messias willen we dat Hij zal zijn? En wat willen we geven om Hem te volgen?

Jezus gaat dan Jericho binnen en wanneer Hij Zacheüs, een rijke hoofdtollenaar, ziet in de takken van de vijgeboom, dan neemt Hij het initiatief. Want deze voorname hoofdambtenaar van het belastingkantoor is bijzonder gehaat door zijn mede-Joden. Zacheüs wordt gezien als een volksverrader, omdat hij de Romeinse bezetters helpt om belastingen van het Joodse volk te innen. Iedereen weet dat het er meestal corrupt aan toe ging: een rijke Jood bood veel geld onder de tafel aan de Romeinse gouverneur om die positie van hoofdtollenaar te kunnen verkrijgen. De Romeinen gaven de tollenaars geen vast salaris, maar gaven hen een percentage van de afgedragen belastingen. Zo hadden de Joodse tollenaars er persoonlijk belang bij om streng te zijn bij het afdwingen van de belastingen, omdat ze zelf een deel van het geld opstreken. Als arme Joodse boeren smeekten dat de oogst dat jaar heel mager was door erg droog weer, of als vissers protesteerden dat zij niet zo’n hoog bedrag konden opbrengen en dat zij hun gezin zo amper nog konden verzorgen, dan sloten vele tollenaars hun oren. Ze dwongen met dreiging van de Romeinse soldaten hun volksgenoten tot het betalen van de hoge belastingen omdat zij er zelf rijk van werden. Ook hadden de Joden er een afkeer van dat de tollenaars zo nauw met de heidense Romeinen omgingen: dat behoorde een gelovige Jood niet te doen. Die nauwe betrekkingen van Joodse tollenaars met de heidense Romeinen werden daardoor voor vele Joden tot een symbool van hun goddeloze drang naar geld en naar een rijk leven, terwijl zij amper nog als een oprecht Jood leefden.

Ondanks deze grote haat van Zijn mede-Joden tegen de tollenaars, blijft Jezus te midden van de grote massa mensen toch stilstaan bij die vijgeboom en ziet omhoog naar Zacheüs. En hoewel Jezus ook tevoren wist hoezeer Zijn mede-Joden kwaad en teleurgesteld in Hem zouden worden, zegt Hij toch tot Zacheüs: “Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn”. Jezus veroordeelt hem niet, maar ziet in hem iemand die op zich niet goed leeft maar waarin nog veel goeds is. Jezus kent het goede in het hart van Zacheüs. Het is duidelijk niet zomaar, dat Zacheüs zo’n verlangen had om Jezus te zien. Hij was zelfs in die boom geklommen.

Door de veroordeling en haat van de andere Joden, zag men hem slechts als volksverrader en verachtelijke, slechte Jood. Maar Jezus kijkt anders: Hij ziet het goede en niet alleen het kwade. Hij ziet dat Zacheüs ook lijdt onder dit leven, dat hij weliswaar eens zelf gekozen had, maar dat hem zo’n uitsluiting uit de kring der medemensen gebracht had. Jezus neemt een moedige stap om bij Zacheüs thuis te gaan eten, ondanks de vele boze reacties van andere Joden: “Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!” Maar dit is wat de goddelijke barmhartigheid die Jezus drijft, doet: nieuw leven geven, nieuwe kansen scheppen, een nieuwe waardigheid en een nieuwe hoop geven aan een mens die zich de haat van velen op zich gehaald had en toch nog veel goeds in zich droeg.

Zo vraagt Jezus ook aan ons, net als eerder aan de blinde Bartimeüs: “Wat wil je dat Ik doe?” Hoe groot is ons geloof? Maken we alleen af en toe tijd voor Jezus, en voor de Vader, en voor ons geloof: wanneer we ons zorgen maken, of wanneer er een sterfgeval in de familie is, of enkel om wat oppervlakkige momenten van devotie te hebben? Of willen we leren zien zoals Jezus ziet? Als we echt ons door Zijn barmhartigheid, Zijn visie en waarden laten vormen, dan zal dat ook doorwerken in ons omgaan met anderen, in hoe we zaken doen, in hoe we het goede blijven nastreven in het concrete dagelijks leven.

Jezus’ leerling zijn zal ons soms kritiek, of zelfs afwijzing brengen, zoals de Joodse omstanders veel kritiek hadden op Jezus’ besluit zich met Zacheüs in te laten. Als Jezus hun gevraagd had: “Wat wil je dat Ik doe?” dan hadden ze Hem gezegd dat Hij die volksverrader en zondaar flink op zijn donder moest geven, en hem met heldere woorden stevig veroordelen. Maar dan zouden ze daarmee laten merken dat ze nog blind waren voor datgene wat voor God zo belangrijk is en hoe God naar de mensheid en naar het leven kijkt.

Jezus’ barmhartigheid vroeg grote moed van Hem, maar Hij deed het omdat Hij wist dat dit was wat de Vader van Hem verlangde, dat dit was waartoe Hij in de wereld gekomen was. En deze stap om naar Zacheüs omhoog te zien en de dag in zijn huis door te brengen, bracht een enorme verandering in Zacheüs’ leven. Hij maakte mee wat we in een bekend lied uit Jubilate zingen: “De Heer heeft mij gezien en onverwachts ben ik opnieuw geboren en getogen. Hij heeft mijn licht ontsloten in de nacht, gaf mij een levend hart en nieuwe ogen. Zo komt Hij steeds met stille overmacht en zo neemt hij voor lief mijn onvermogen”. Zacheüs ziet nu helder wat voor God belangrijk is. Dat is duidelijk in zijn enthousiaste woorden: “Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug”. En zo begon hij op een levensreis van geloof en innerlijke bekering, van geestelijke groei en oog krijgen voor solidariteit met problematieken van armoede en onrecht, van liefde voor mensen vlak bij je, voor wie je iets moois kunt betekenen.

Dit is het wat het betekent leerling van Jezus te zijn: je steeds meer laten omvormen door hoe Hij kijkt naar het leven, door Zijn vreugde-brengende aanwezigheid, door Zijn prioriteiten. Leerling zijn van Jezus doet ons steeds beter begrijpen wat Hij die dag zei: “Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen,  want ook deze man is een zoon van Abraham. De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en om te redden wat verloren was”. Leerlingen zijn is Hem op deze weg navolgen, zo goed als je kan. Dan zullen ook wij vaak die vreugde ervaren van de barmhartigheid, de innerlijke vreugde van het kiezen voor de wil van God en samen met Hem te werken voor het goede. Dan zal ook ons huis heil ten deel vallen!



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: