Commentaar op de Lezingen van het Hoogfeest van Sacramentsdag (Jaar C) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Genesis 14: 18-20)
Melchisédek neemt een hele belangrijke plaats in in de Bijbel, ook al wordt hij eigenlijk maar enkele keren genoemd. Hij was de koning-hogepriester van het kleine stadje Salem, gelegen op de berg Sion. Hij had een band met Abraham en erkent Abrahams positie en roeping als een invloedrijk man, door over hem Gods zegen af te smeken met een offer van brood en wijn. Melchisédek roept God aan als “God de Allerhoogste”, een van de titels die in heel de Bijbelse traditie gebruikt wordt voor Jahweh, de God van Israël. Hij is daarom door Abraham en heel de Bijbelse traditie erkent als de meest waarachtige hogepriester van God. Dit vinden we bijvoorbeeld terug in psalm 110, die straks als antwoordpsalm gelezen wordt, waar God tot Zijn Gezalfde zegt: “Zit aan Mijn rechterhand. Ik leg uw vijanden als voetbank voor uw voeten. Gezworen heeft de Heer en het zal Hem niet berouwen: “Gij zijt voor eeuwig priester als Melchisédek”. God zal Abraham enige jaren later in een visioen vragen om zijn zoon Isaak ten offer te brengen en dat zal geschieden op de berg Moría, dat direct naast de berg Sion is gelegen, waar de offerhoogte was waar Melchisédek zijn offers van aanbidding en verzoening aan God opdroeg. We weten dat God in feite niet de dood van Abrahams zoon wilde, maar slechts wilde zien hoe diep het geloof en vertrouwen van Abraham was. God voorziet daar in een ram dat in plaats van Isaak aan God ten offer wordt gebracht. In de jonge Kerk wordt een band gelegd tussen deze belangrijke hogepriester Melchisédek en Christus. In de Brief aan de Hebreeën lezen we bijvoorbeeld in 5: 5-6 het volgende: “Zo heeft Christus niet zichzelf de eer van het hogepriesterschap toegekend; dat heeft God gedaan, die Hem zei: “Gij zijt Mijn Zoon, ik heb U heden verwekt” (Psalm 2:7). Zoals God ook elders zegt: ““Gij zijt voor eeuwig priester als Melchisédek”. Als hogepriester heeft Christus zichzelf als het ware Lam ten offer gebracht op het kruis om de wereld te verlossen van de last der zonde en de machten der duisternis. Zo ziet de Kerk dat het offer van brood en wijn van Melchisédek reeds Gods voorafbeelding is van het offer van brood en wijn van de Eucharistie. In de Eucharistie wordt het kruisoffer van Gods Zoon tegenwoordig gebracht met alle genade van verlossing en verzoening. Brood en wijn worden het Lichaam en Bloed van Christus.

Eerste lezing: Genesis 14: 18-20
In die dagen bood Melchisédek, de koning van Salem, Abram brood en wijn aan. Daar hij priester was van de Allerhoogste God, zegende hij hem met deze woorden: “Gezegend zij Abram door de Allerhoogste God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, en gezegend zij de Allerhoogste God die uw vijand aan u heeft overgeleverd!” En Abram gaf hem van alles een tiende deel.

Tussenzang: Psalm 110
REFREIN: Gij zijt voor eeuwig priester als Melchisédek

De Heer sprak tot mijn heer; zit aan mijn rechterhand; Ik leg uw vijanden als voetbank voor uw voeten. Uit Sion reikt de Heer de scepter van uw macht; regeer te midden van uw tegenstanders.

Uw volk staat om u heen in blanke wapenrusting, de jongemannen op het veld als morgendauw. Gezworen heeft de Heer, het zal Hem niet berouwen: Gij zijt voor eeuwig priester als Melchisédek.

Achtergrond van de tweede lezing (1 Korintiërs 11: 23-26)
In de Eerste Brief aan de Korintiërs vinden we de oudste weergave van de instelling van de Eucharistie door Christus. Deze brief heeft Paulus in de stad Efeze geschreven, waarschijnlijk in het voorjaar van 54 of 55 n.Chr. Dat is nog enkele jaren vóór het Marcusevangelie, de oudste van de vier evangelies. Paulus noemt de Eucharistie een overlevering die hij van de Heer ontvangen heeft en die hij op zijn beurt aan de geloofsgemeenschap van Korinte had doorgegeven. Hierdoor getuigt Paulus ervan dat al vanaf het allerprilste begin de jonge Kerk de Eucharistie vierde als een door de Heer gegeven sacrament waarin de genade tegenwoordig komt van het kruisoffer, waar Jezus waarlijk het is: “Lam Gods dat wegneemt de zonde der wereld”, zoals Hij in Johannes 1:29 genoemd wordt. Dat betekent het, wanneer Paulus in deze tekst zegt: “Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt verkondigt gij de dood des Heren totdat Hij wederkomt”. De dood des Heren aan het kruis brengt de wereld vergeving van zonden en verlossing van het kwaad. De Eucharistie is daarom een groot geschenk dat Christus aan de Kerk gegeven heeft. Hij zal zo op hele bijzondere wijze in de Kerk aanwezig blijven de eeuwen door, de Kerk de genade van Zijn kruisoffer schenken en die verzoenende gave in ons hernieuwen in elke Eucharistieviering en ons geestelijk voeden en sterken in het geloof en in de liefde.

Tweede lezing: 1 Korintiërs 11: 23-26
Broeders en zusters, zelf heb ik van de Heer de overlevering ontvangen die ik u op mijn beurt heb doorgegeven: dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, brood nam en na gedankt te hebben het brak en zei: “Dit is mijn lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis.” Zo ook nam Hij na de maaltijd de beker met de woorden: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit elke keer dat gij hem drinkt tot mijn gedachtenis”. Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt verkondigt gij de dood des Heren totdat Hij wederkomt.

Achtergrond van de evangelielezing: (Lucas 9: 11b -17)
Het wonder van de broodvermenigvuldiging heeft een diepe Eucharistische betekenis. Zoals Mozes het manna gegeven had aan de Israëlieten in de woestijnjaren als een teken dat God hen altijd zou voeden en beschermen, zo geeft Christus de Kerk in de Eucharistie Zijn Lichaam en Bloed om ons te voeden en te verlossen. Bij dit wonder van de broodvermenigvuldiging geeft Christus brood in overvloed: het feit dat er twaalf korven met stukken brood overblijven getuigt door dat bijbelse getal twaalf van die overvloed van leven en verlossing die Gods Zoon de wereld wilt schenken. De vis doet denken aan de vis die door God eens gezonden werd om Jona in het diepste duister van de zee te redden van de dood en hem op de derde dag uitspuwde op het strand, weer in de warmte van de zon, een nieuw begin dus voor Jona’s leven en roeping. Zo is het verhaal van deze vis en Jona uit het Oude testament reeds Gods verborgen verwijzing naar de redding en verlossing van de mensheid door het Paasmysterie van Zijn Zoon: door lijden, dood en verrijzenis op de derde dag, brengt Christus ons nieuw leven en redding van de machten der duisternis. Hij voedt ons met Zijn Lichaam en Bloed, met de bedoeling dat wij op onze beurt aan anderen om ons heen Zijn liefde doorgeven en zo getuigen van Christus’ evangelie.

Evangelie: Lucas 9: 11b -17
In die tijd sprak Jezus tot de menigte over het Rijk Gods; en wie genezing nodig hadden genas Hij. Toen de dag ten einde begon te lopen kwamen de twaalf naar Hem toe en zeiden: “Stuur de mensen weg; dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak te vinden, want hier zijn we op een eenzame plek”. Maar Hij antwoordde: “Geeft gij hun maar te eten”. “Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen”, zeiden ze; “of we zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen”. Er waren naar schatting wel vijfduizend mannen. Hij gelastte nu zijn leerlingen: “Laat ze gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig”. Dat deden ze en ze lieten allen plaats nemen. Daarop nam Hij de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, sprak er de zegen over uit, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte voor te zetten. Allen aten tot ze verzadigd waren en wat zij overhielden haalde men op, twaalf korven met brokken.

Overweging:
Jezus heeft de Eucharistie ingesteld toen Hij op die Witte Donderdag, op de avond vóór Zijn sterven, temidden van Zijn leerlingen het joodse paasfeest vierde. Het joodse paasfeest herdacht de uittocht uit Egypte, dat God de Israëlieten eens bevrijd had uit slavernij. Volgens de wet van Mozes moest daarbij een lam geslacht worden. Jezus gaf die avond het Joodse paasfeest echter een totaal andere betekenis. Hijzelf is het Paaslam! Van het brood zegt Hij: ‘Dit is mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt’, en bij de wijn zegt Hij: ‘Dit is de beker van het nieuwe, altijddurende Verbond, dit is Mijn Bloed dat vergoten wordt voor velen tot vergeving van de zonden.’ Aan het kruis zal een nieuw verbond gesloten worden, niet met het bloed van offerdieren, maar met het bloed van Christus zelf.

Dat is wat we deze zondag vieren: dat Jezus de Eucharistie instelde, waarbij Hijzelf het Paaslam is. Zijn blijvende verbondenheid met ons gaf Hij gestalte in het Brood dat Hij tot Zijn Lichaam maakt en in de Wijn die Hij maakt tot Zijn kostbaar Bloed.

Als wij te communie gaan, zeggen we ‘ja’ tegen Hem, worden wij op mystieke wijze één met Christus, één met Zijn barmhartigheid en vergeving, één met de verlossing, genade en verzoening die Hij ons schenkt in het kruisoffer. In de Eucharistie, ja, telkens weer, in iedere Eucharistieviering, maakt Christus het woord waar dat wij Hem horen zeggen in het evangelie van Johannes, hoofdstuk 6: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld”.

In de Eucharistie komen we thuis bij Christus, thuis bij Zijn genade van het kruis, dat tegenwoordig wordt in de Eucharistie. De Eucharistie is een geheim aan het hart van ons christelijk geloof: het neemt ons op in het verhaal van Jezus, in het verhaal van Zijn leven, Zijn lijden, Zijn dood en verrijzenis. Het lijden van heel de wereld is door Gods Zoon gekend: en Christus’ antwoord op dat lijden is dat Hij ons Brood wilt zijn, hier en nu, levend Brood dat sterkt, dat vertroost, levend Brood dat ons leidt op wegen van geloof en goedheid. In deze wereld die verstoken lijkt van vrede en geluk, daar wil Christus aanwezig zijn bij de mensen.

Eucharistie vieren is echter niet vrijblijvend. Eucharistie vieren wordt pas zinvol als wij die eenwording met Christus in de heilige communie meenemen in ons leven van elke dag: als we daar Jezus’ woorden en daden omzetten in onze eigen woorden en onze eigen daden. Dat wij ons vanuit die verbondenheid met Christus als mensen die in Hem gedoopt zijn, en door Hem geestelijk gevoed worden, dit geloof delen met anderen. De bedoeling van de Heer is dat door het deelnemen aan de Eucharistie wij actief worden en ons inzetten in de Kerk waar wij kunnen; dat wij van ons geloof in Christus getuigen; dat wij de waarden van het evangelie doorleven, omzetten in daden en zo getuigen van Christus! Dan zullen wij steeds meer met Paulus kunnen zeggen, die in zijn brief aan de Galaten 2:20 getuigt: “Niet ik leef: Christus leeft in mij”.



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: