Commentaar op de Lezingen van de 2e Zondag van Pasen door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Handelingen der Apostelen 4: 32-35)

Handelingen der Apostelen is rond 62 n.Chr. geschreven door Lukas, de auteur van het derde evangelie. Hij was al enkele jaren een van de trouwe medewerkers geweest van de apostel Paulus. Lucas was een arts, dus een goed ontwikkelde persoon. Hij had veel aantekeningen gemaakt van zowel de verkondiging over Jezus die hij hoorde van Paulus en anderen, maar ook van de missionaire reizen van Paulus waarop Lukas hem had begeleid. In de paastijd leest de Kerk in de liturgie als eerste lezing altijd uit dit belangrijke werk: Handelingen der Apostelen. Lucas schetst voor ons een beeld van de geschiedenis van de jonge Kerk in Jeruzalem en Antiochíë, en van de belangrijke rol daarin van de apostelen Petrus en Paulus. De eerste lezing van vandaag spreekt over de jonge Kerkgemeenschap te Jeruzalem. Het geeft ons een beeld van de grote mate van eenheid, zorg en liefde voor elkaar, die er onder de eerste groep Christenen leefden. Zij wisten dat Jezus de verrezen Heer met hen was in het gebed, in de Eucharistie en in de verkondiging van het Woord. En dat was voor hen een bron van saamhorigheid en onderlinge verbondenheid.

Eerste lezing: Handelingen der Apostelen 4: 32-35

De menigte die het geloof had aangenomen was een van hart en een van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde, integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk. Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus en rijke genade rustte op hen allen. Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten om aan de voeten van de apostelen neer te leggen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte. 

Tussenzang:  Psalm 118

Refrein: BRENGT DANK AAN DE HEER, WANT HIJ IS GENADIG, EINDELOOS IS ZIJN ERBARMEN.

1. Stammen van Israël, dankt de Heer,

eindeloos is Zijn erbarmen.

Herhaalt het, dienaren van de Heer

eindeloos is Zijn erbarmen.

2. De Heer greep in met krachtige hand,

de hand van de Heer was machtig.

Geslagen, getuchtigd heeft mij de Heer,

maar niet ten dode gedoemd.

3. De steen die de bouwers hebben versmaad,

die is tot hoeksteen geworden.

Dit is de dag, die de Heer heeft gemaakt,

we zullen hem vieren in blijdschap.

Achtergrond van de tweede lezing (1 Johannes 5: 1-6)

De eerste brief van Johannes ademt heel duidelijk dezelfde sfeer, theologie en accenten uit als het evangelie van Johannes. De brief benadrukt dan ook, net als het evangelie, dat geloof ons met de levende Christus verbindt. Door te geloven in Hem, zullen wij delen in het goddelijk leven waarvan Hij de drager en Heer is. Let maar op hoe centraal daarom het begrip “geloof/geloven” in deze lezing is. Door het geloof blijft Christus in ons. Door te geloven worden wij kinderen van de Vader en leren wij steeds meer wat echte liefde betekent.

Tweede lezing: 1 Johannes 5: 1-6

Vrienden, iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is, is een kind van God. Welnu, wie de Vader liefheeft, bemint ook het kind. Willen wij God liefhebben en Zijn geboden onderhouden, dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben. Dat is onze maatstaf. God beminnen wil zeggen Zijn geboden onderhouden en Zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden want ieder die uit God geboren is, overwint de wereld. En het wapen waarmee wij de wereld overwinnen is geen ander dan ons geloof. Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Hij is het die gekomen is met water en bloed: Jezus Christus.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Johannes 20: 19-31)

De evangelielezing van deze tweede zondag van Pasen, dat is de achtste dag van Pasen, is altijd genomen uit het Johannesevangelie. Het doel van deze rijke tekst is heel duidelijk aangegeven in de laatste regel, die we hier extra aandacht willen geven: “deze [tekenen] zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven dat Jezus de Messias/de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven, moogt leven in Zijn Naam”.

Evangelie: Johannes 20: 19-31

In de avond van die eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: “Vrede zij u.” Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: “Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u.” Na deze woorden blies Hij over hen en zei: “Ontvangt de heilige Geest. Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, en wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven.” Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: “Wij hebben de Heer gezien.” Maar hij antwoordde: “Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.” Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: “Vrede zij u.” Vervolgens zei Hij tot Tomas: “Kom hier met je vinger en bezie Mijn handen. Steek je hand uit en leg die in Mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig.” Toen riep Tomas uit: “Mijn Heer en mijn God!” Toen zei Jezus tot hem: “Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.” In het bijzijn van Zijn leerlingen heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven, leven moogt in zijn Naam.

Overweging:

Ik wil de lezingen van deze tweede zondag van Pasen met u overwegen vanuit de woorden van de apostel Tomas: “Als ik niet in Zijn handen het teken van de nagelen zie”.

Deze woorden van Tomas zijn vol diepe betekenis. Voor hem zijn ze een uiting van zijn verbijstering die er in hem opkwam bij het horen van de verhalen van de andere apostelen over de verschijning van de verrezen Heer Jezus in de bovenzaal. Het is een hele begrijpelijke reactie van Tomas, want normaal is de dood toch echt het einde van alles. Vanaf het pijnlijke moment van het sterven van iemand die deel uitmaakte van je leven, hebben wij ons te schikken in die onomkeerbare, harde realiteit van de dood. Een ieder die de dood van een nabije persoon heeft meegemaakt, herkent dat. En daarom spreekt Tomas zich in eerste instantie met realiteitszin uit: “Als ik niet in Zijn handen het teken van de nagelen zie”.   

Het zien van de handen van de verrezen Jezus met het teken van de nagelen: de H.Antonius van Padua heeft in zijn uitgewerkte aantekeningen rond deze evangelielezing hier een hele belangrijke profetische tekst naast gelegd die God door de profeet Jesaja zo’n zes eeuwen eerder had gesproken. Ook daar gaat het over ‘zien’ en over ‘handen’. Antonius gaat uit van het belangrijke kerkelijke principe dat de teksten van het Oude Testament gelezen moeten worden in samenhang met die van het Nieuwe Testament, omdat de Heilige Geest de wording van beide Testamenten heeft geïnspireerd en ons dan kan laten zien hoe het Nieuwe Testament de vervulling, dus de volste betekenis, brengt van wat we in het Oude Testament lezen.

In Jesaja 49 lezen we een collectie van profetieën waarin God tot het volk Israël in moeilijke, pijnlijke tijden van lijden, verpaupering en ontmoedigende situaties, woorden spreekt over Zijn blijvende barmhartigheid en liefde voor de mens. Een situatie dus die heel veel overeenkomsten toont met de situatie waarin Tomas en de andere apostelen zich na de dood van hun Meester bevonden. In Jesaja 49: 15-16 zei God tot de ontmoedigde Israëlieten: “Zal een vrouw haar kleine baby vergeten? Zal een liefhebbende moeder het kind van haar schoot vergeten? En zelfs als die het zouden vergeten: Ik vergeet jullie nooit! Zie, in Mijn handpalmen heb ik jullie geschreven!”

Jesaja krijgt het door de Geest ingegeven om die beeldspraak te gebruiken dat God de namen van de mensen geschreven heeft in de palm van Zijn handen! Het is een beeldspraak waarmee God de ontmoedigde, eenzame, zieke, of op welke wijze ook lijdende mens wilt herinneren aan Zijn zorgzaamheid en trouw. Met het geven aan de mens van een vrije wil, lag er ook de mogelijkheid om te kiezen voor lelijke belangen, of voor kortzichtige genoegens, of zelfs om de rug te keren voor God en Zijn waarden en normen. Zo zijn voor de mensheid de realiteiten gekomen van lijden, dood, achteruitgang en zonde. Maar, zo zegt God in Jesaja 49, zelfs als er moeders zouden zijn die ondanks de diepe instinctieve moederliefde voor hun kleine baby dit kind van hun schoot zouden vergeten, de liefde van God voor alle mensen die Hij geschapen heeft gaat oneindig dieper. In Zijn trouw blijft God altijd werken aan de redding en de verlossing van de mens. Dat alles is de betekenis van die woorden: “Ik vergeet jullie nooit! Zie, in Mijn handpalmen heb ik jullie geschreven”.

De H.Antonius schrijft dan in zijn commentaar: Jezus, Gods Zoon, heeft als het ware met de nagelen van het kruis als pen, gedoopt in de inkt van Zijn eigen bloed dat Hij voor ons vergoten heeft aan het kruis, onze namen geschreven in de palm van Zijn eigen doorboorde handen! Zelfs als een menselijke moeder haar kleine kindje zou vergeten, Hij onze goede Herder vergeet ons nooit. Om ons te redden van het kwaad en van de eeuwige dood, heeft Hij Zijn leven neergelegd in de kruisdood. En zo zegt de verrezen Heer aan Tomas: “Kom hier met je vinger en bezie Mijn handen”. In Zijn doorboorde handen zien we met de ogen van geloof onze namen geschreven met Zijn eigen kostbaar bloed.

Antonius wijst vervolgens op de Ethiopische hoveling waarvan geschreven wordt in Handelingen 8: 26-40. Hij is een gelovig mens, hij was op de terugweg van een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Hij bestudeerde een tekst over lijden en dood, genomen uit diezelfde collectie van profetieën van Jesaja: “Als een schaap werd Hij ter slachtbank geleid; en evenals een lam dat stom staat voor zijn scheerder, opende Hij zijn mond niet” (Jes. 53: 7). Door de uitleg en het getuigenis van de diaken Philippus komt deze Ethiopische hoveling tot geloof in Jezus. Vanaf nu ‘ziet’ hij hoe de kruisdood van Jezus de vervulling is van deze profetieën van Jesaja en hoe Jezus het Lam is dat zich weerloos ter slachtbank liet lijden, door wiens striemen er voor ons genezing en verlossing is, en die als het ware met de nagels van het kruis, gedoopt in Zijn eigen bloed, ook de naam van deze Ethiopiër geschreven had in de palm van Zijn hand. De Ethiopische hoveling wil nu gedoopt worden. Hij wil vanaf nu gaan behoren tot Jezus. Hij wordt daar door Philippus gedoopt.

Zo wijst Antonius in zijn commentaar op de evangelielezing van deze tweede zondag van Pasen op die sleutelwoorden van “zien en “geloven”, en op het werken van de Heilige Geest. Ook wij allen zijn geroepen om missionair te zijn zoals Philippus dat was. Dan wordt ons eigen gelovig besef dat ook onze eigen namen geschreven staan in Gods hand, een kracht. Het wordt een bron van creativiteit en van actieve inzet die zich naar buiten richt om te kijken waar je iets kunt betekenen voor Gods werk. Zien en geloven worden dan echte “werk”-woorden: woorden die ons in beweging brengen, woorden die ons steeds meer laten ‘zien’ hoe Gods Woord, gelezen met die samenhang van Oude en Nieuwe Testament, steeds weer nieuwe inzichten brengt. Geloven wordt een “werk”-woord dat je steeds meer ondersteunt in het leven en dat je verbindt met de Kerkgemeenschap en met mensen in je omgeving, waarvoor je net als Philippus, iets goeds kunt betekenen.

Van Tomas eerste opmerking, “Als ik niet in Zijn handen het teken van de nagelen zie”, groeien we dan uit tot het geloof: ”Ik heb in Zijn handen het teken van de nagels gezien!” Ons geloof wordt dan standvastiger en robuuster. Ons geloof kleurt dan onze beleving van het leven steeds meer. Ons ‘zien en geloven’ laten ons dan steeds beter aanvoelen welke keuzen wij in ons dagelijks leven zullen maken, welke waarden wij zullen nastreven en met welke zaken wij evetueel niet meer zullen meedoen. Dit wens ik ons allen toe in deze Paastijd: de bezinning op die gelovige belijdenis: ”Ik heb in Zijn handen het teken van de nagels gezien!”   Zalig Pasen! Gado blesi!



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Plaats een reactie