Commentaar op de Lezingen van de 4e Zondag van Pasen(Jaar B) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Handelingen der Apostelen 4: 8-12)
Om deze korte passage uit Handelingen der Apostelen goed te kunnen volgen, moeten we iets weten van de context. In hoofdstuk drie vertelde de schrijver Lukas over een genezing van een lamme, die liggend bij een van de tempelpoorten, de kracht mag ervaren van de naam van de verrezen Heer Jezus. Petrus, die bij dit wonder centraal staat, had heel sterk benadrukt dat deze genezing niet plaats had gevonden door zijn eigen kracht of door zijn nabijheid tot God, maar gebeurd was door het aanroepen van de naam van Jezus. Omdat er vele pelgrims op het tempelplein waren die dit wonder gezien hadden, greep Petrus dit aan om tot hen over Jezus te prediken. Hij en Johannes werden echter al snel door de priesters en de tempelgarde gearresteerd, omdat dezen zich bedreigd voelden door de verkondiging over Jezus als de verrezen Messias. De volgende dag moesten Petrus en Johannes voor het Sanhedrin en de hogepriesters verschijnen. Petrus deed toen wat Jezus de apostelen eens had gezegd: “Tegen jullie die Mijn vrienden zijn, zeg Ik: Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, maar daarna tot niets meer in staat zijn..Als ze jullie voor synagogen, overheden en gezagsdragers leiden, maak je dan geen zorgen over hoe je je zult verdedigen of wat je zult zeggen, want de Heilige Geest zal jullie op dat ogenblik leren wat je moet zeggen” (Lukas 12: 4.11-12).

Eerste lezing: Handelingen der Apostelen 4: 8-12
In die tijd sprak Petrus, vervuld van de heilige Geest: “Overheden van het volk en oudsten! indien wij vandaag ter verantwoording geroepen worden voor een weldaad aan een gebrekkige bewezen waardoor deze genezen is, dan zij het u allen en het gehele volk van Israël bekend dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër die gij gekruisigd hebt maar die God uit de doden heeft doen opstaan – dat door die Naam deze man hier gezond voor u staat. Hij is de steen die door u, de bouwlieden, niets waard werd geacht en toch tot hoeksteen geworden is. Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden.”

Tussenzang: Psalm 118
Refrein: DE STEEN DIE DE BOUWERS HEBBEN VERSMAAD, DIE IS TOT HOEKSTEEN GEWORDEN

  1. Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig,
    Eindeloos is Zijn erbarmen!
    Want beter is het te gaan tot de Heer,
    dan op een mens te vertrouwen;
  2. En beter is het te gaan tot de Heer,
    dan te vertrouwen op vorsten.
    Ik dank U, dat Gij mij hebt gehoord,
    dat Gij mij redding gebracht hebt.
  3. Het is de heer die dit heeft gedaan,
    een wonder voor onze ogen.
    Gezegend die komt met de naam van de Heer:
    Wij zegenen U uit het huis des Heren.

Achtergrond van de tweede lezing (1 Johannes 3: 1-2)
Johannes de evangelist had in het openingsgedicht van zijn evangelie, het proloog, over Christus gezegd: “Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld. Hij was in de wereld, de wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld Hem niet. Aan allen echter die Hem wel aanvaarden, aan hen die in Zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden” (Joh. 1: 9-10.12). Deze gedachte komt heel duidelijk terug in de passage van Johannes’ eerste brief die wij als tweede lezing beluisteren. Hij geeft aan, dat echt geloven in Christus niet alleen iets is van het hoofd, van het weten en het aannemen van feiten over Jezus, maar dat werkelijk geloven veel dieper gaat. Geloven in Jezus betekent je vertrouwen stellen op Zijn verborgen leiding en kracht, geregeld in gebed je tot Hem wenden, tijd vrijmaken om Zijn woorden te overwegen om ervan te leren en erdoor gevormd te worden. Geloven in Jezus wordt dan een verbondenheid met de levende Heer die heel je wezen, en je doen en laten, vormt en steeds duidelijker richting geeft.

Tweede lezing: 1 Johannes 3: 1-2
Vrienden, hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook. De wereld begrijpt ons niet en ze kent ons niet omdat zij Hem niet heeft erkend. Vrienden, nu reeds zijn wij kinderen van God en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt wij aan Hem gelijk zullen zijn omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is.

Achtergrond van de evangelielezing: (Johannes 10: 11-18)
In hoofdstuk 10 introduceert het Johannesevangelie weer een belangrijke titel van Jezus, die ons inzicht biedt in wie Jezus is. In hoofdstuk 2 in het gebeuren bij de bruiloft te Kana was Jezus de goddelijke Bruidegom, in hoofdstuk 3 is Hij het ware Licht, in hoofdstuk 6 het Brood des Levens, en nu in hoofdstuk 10 denken we over Hem na vanuit het beeld van de Goede Herder. Jezus laat ons namelijk zien wie de Vader is, die in geheel het Oude Testament reeds bezongen werd als de Herder van Israël. Omdat de Zoon van eeuwigheid de Vader kent, en Hij leeft van alles wat Hij van de Vader gehoord heeft, is ook Hij de goede Herder. Jezus is de Herder, die Zijn leven vrijwillig neerlegt, niet door een noodlot, maar enkel omwille van de verlossing en het eeuwig leven van Zijn schapen.

Evangelie: Johannes 10: 11-18
In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen: “Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder. Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef om het later weer terug te nemen. Niemand neemt Mij het af maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.”


Overweging:

Vandaag wil ik met u de lezingen van deze zondag overwegen met als thema: ons aller roeping tot herder zijn.

Het beeld van de herder, als symbool van zorgzaamheid, oprechte betrokkenheid bij het wel en wee van anderen, en goed integer leiderschap, is heel bekend in de Bijbel. Natuurlijk denken we dan als eerste aan psalm 23: “De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets”. Die beroemde psalm spreekt over God als een Vader zich over het welzijn van de mens bezorgd maakt. De beeldspraak van “Hij doet mij geleide aan groene weiden en leidt mij aan stille wateren” zijn voor een ieder herkenbaar als een prachtige beeldspraak voor de barmhartigheid waarmee God wilt dat het ons goed gaat, dat wij datgene in het leven mogen hebben, waarin wij tot levensgeluk, tot ontplooiing en innerlijke vrede kunnen komen.

Maar in psalm 23 is er dan ook sprake van een dal van diepe duisternis. Dit verwijzt naar de moeilijke tijden van een slopende ziekte, of het sterven van geliefden, of werkloosheid, of het in brand opgaan van je huis met al wat je bezit, of van welke zware beproevingen dan ook, die ons mensen onzeker maken, soms angstig of opstandig, of juist depressief en innerlijk verlamd. Een oudere bijbelvertaling noemt dit zelfs “het dal van de schaduw des doods”. Maar de psalmist vindt kracht in het gelovig weten dat ook dan God de mens niet zal vergeten, maar dat Hij –op Zijn eigen wijze en met Zijn eigen tijd- bij ons aanwezig zal zijn: “Al moet ik gaan door het dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt met mij, Uw stok en Uw staf zij vertroosten mij”.

Dit beeld van God als herder van Zijn volk komt op vele plaatsen van het Oude Testament voor. Heel belangrijk zijn teksten uit de profeten Ezechiël en Jeremia, waarbij deze twee profeten het beeld van de herder oppakten om het gebrek aan integer leiderschap en de arrogantie en hebzucht van corrupte leiders in de samenleving van toen, aan te klagen. De twee profeten hadden het daarbij over zowel politici en vooraanstaanden in de maatschappij, alsook over religieuze leiders. De profeten klaagden al deze leiders aan, die geen zorgzame herders voor de mensen waren, maar die bezig waren met hun eigen invloed, zichzelf verrijkten en niet begaan waren met de kleine mens. Ezechiël sprak heldere woorden die niet mis te verstaan zijn: “Het woord van de Heer werd tot mij gericht: “Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tegen de herders: “Zo spreekt de Heer God: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden. Moeten de herders niet hun schapen weiden? U eet het vet, u kleed zich met de wol, u slacht het vetgemeste dier, maar u weidt de beesten niet. Het zwakke dier geeft u niets om aan te sterken, het zieke dier geneest u niet, het gewonde dier verbindt u niet, het verdwaalde dier brengt u niet terug en het verloren dier zoekt u niet. U behandelt de dieren hard en ruw. Ze raken verspreid omdat ze geen herder hebben. Zo spreekt de Heer God: Ik keer Mij tegen de herders! Ik zal Mijn schapen van hen opeisen en henzelf als herder ontslaan. Want, zo spreekt de Heer God, Ik zal zelf omzien naar Mijn schapen en ervoor zorgen” (Ezechiël 34: 1-5.10)

Ezechiël had deze kritiek op corrupte, zichzelf verrijkende leiders, middels het beeld van de herders die geen aandacht en hart hebben voor hun schapen, overgenomen van de profeet Jeremia. Jeremia had net iets eerder als Ezechiël in Israël als profeet opgetreden. Mogelijk heeft Ezechiël Jeremia nog meegemaakt als jongeman. In Jeremia 23: 1-6 vinden wij een soortgelijke aanklacht van de politieke, maatschappelijke en religieuze leiders die door gebrek aan integer leiderschap bijdroegen aan armoede, aan groeiende ongelijkheid in de samenleving en aan de stagnatie van de economie. Maar daarnaast spreekt Jeremia in vers 5 toch ook van de hoop die God Zijn volk voorhoudt. God kondigt nogmaals de komst aan van Zijn Messias, die namens God Israël als een goede Herder zal regeren. Jeremia 23:5: “Geloof Mij, de tijd komt dat Ik een wettige afstammeling van David laat opstaan, godsspraak van de Heer. Hij zal met bekwaamheid regeren en het land rechtvaardig en eerlijk besturen. Dan wordt Juda bevrijdt en leeft Israël veilig”.

Jezus de Messias, heeft met geheel Zijn wezen geleefd vanuit de liefde, de zorgzaamheid en de toewijding die God de Vader eigen zijn. De Zoon leeft vanuit alles wat Hij van de Vader hoort en wat Hij van Hem weet. Jezus leeft zozeer naar de wil van de Vader, dat Hij zichzelf ook de goede Herder mag noemen.

Maar ook Jezus, net als Jeremia en Ezechiël eeuwen vóór Hem, maakt het duidelijk dat dit beeld wel iets van ons vraagt. Jezus is zich er zeer van bewust dat er in alle tijden veel mensen zijn die geen integer leiderschap voorleven en die in de drang naar geld, invloed en materiële welvaart oneerlijk, onbetrouwbaar en egoïstisch zijn geworden. Hij vergelijkt ze met een huurling, dat was in Zijn tijd een werker die de herder had ingehuurd om hem te helpen met de zorg voor de schapen, maar vaak bleek dat zo’n persoon uiteindelijk alleen aan zijn eigen belangen dacht. Daarvan zegt Jezus: “Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen”.

Deze zondag roepen de lezingen ons op om na te denken hoe elk van ons nog beter een goede herder kan zijn, in navolging van Christus, de Goede Herder. Johannes, die Jezus van nabij heeft gekend en in het evangelie ons heel diepzinnig verkondigt wie Jezus in feite is, roept ons in zijn eerste brief in de tweede lezing ook op Jezus niet alleen te bewonderen voor Zijn goedheid en integriteit, maar om Hem na te volgen en je te laten vormen door alles wat we weten van Zijn woorden en daden. Zo zei Johannes in zijn brief: “Vrienden, nu reeds zijn wij kinderen van God en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn”.

Dit “aan God gelijk zijn” zal in ons groeien wanneer wij ons leven in geloof verbinden aan Christus, wanneer wij geregeld Zijn nabijheid zoeken in het gebed. Zonder regelmatig dagelijks gebed zullen wij onbewust van Hem wegdrijven en zullen de aardse, materiële dingen steeds meer subtiel ons meeslepen. De drang naar aardse goederen en gemakken, het willen meedoen met anderen die ze ook hebben, en het veiligstellen van voldoende invloed om zeker te zijn steeds meer geld te hebben, kan een groot gevaar in zich meedragen. Onze innerlijke waarden kunnen heel geruisloos aan integriteit gaan verliezen. Onze mentaliteit in het dagelijks omgaan met anderen, dus ons herder zijn voor anderen, wordt dan steeds minder gevoed door het voorbeeld van Christus.

Daarom zegt Johannes in zijn brief: “maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is”. “Hem zien zoals Hij is” is iets dat we pas ten volle zullen ervaren in de hemel, maar toch zien we Hem al ten dele wanneer wij in ons aardse leven Christus’ nabijheid zoeken in de sacramenten, en wij Gods Woord steeds vaker overwegen en diep laten doordringen in ons denken, in onze verantwoordelijkheden en in ons gezinsleven, in onze prioriteiten en in onze wijze van werken. Er groeit dan als het ware een Christelijke cultuur in ons, een wijze van menszijn die doortrokken is van de visie, de barmhartigheid en de betrokkenheid van God: God die betrokken is bij het welzijn van alle mensen, ongeacht van welk ras, continent of afkomst zij ook zijn. Er groeit dan ook in ons een aanvoelen dat er vormen van handelen, denken, zaken doen of in relaties leven zijn, die níet passen bij de navolging van Christus. Deze moeten we aan een kant laten, omdat ze niet overeenkomen met de waarden en het hart van de Goede Herder. We kunnen anders niet echt “aan Hem gelijk worden”.

Allemaal zijn wij geroepen om herder te zijn: ieder op zijn of haar eigen plekje in het leven. De Kerk wereldwijd bidt God de Heer deze zondag om roepingen tot het priesterschap. Dat doen we van harte omdat de kerkgemeenschap altijd voldoende goede herders nodig heeft. Maar toch zou ik daarbij dit willen zeggen: als wij allemaal op de eerste plaats missionaire discipelen van Christus willen zijn, gelovigen die Hem willen zien zoals Hij is, dat wil zeggen, mensen zijn die Hem beter en van meer nabijheid willen leren kennen, dan zullen er zeker ook wel voldoende personen zijn, die als priester, of als diaken, of als religieus, of als katechist, geheel willen leven vanuit die liefde voor Christus en vanuit de voldoening die we vinden wanneer we leven vanuit Zijn goedheid voor de medemens. Dan zullen er voldoende priesterroepingen zijn.

Laten we ons daarom vooral focussen op ons aller roeping tot herder zijn: dat houdt in ons aller roeping om de Goede Herder te zoeken en Hem te eren in gebed, in zang en inspirerende liturgie, en onszelf door Hem te laten vormen tot mensen die goede oprechte en integere herders zijn. Wij zijn allen geroepen om herder te zijn. Iedereen, elke gelovige, ieder op zijn eigen wijze. Dat de wijsheid en de kracht van de Heilige Geest ons daarin moge leiden. Amen.



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: