Commentaar op de Lezingen van het feest van Christus Koning (Jaar A) door pater Esteban Kross

Geplaatst door

Achtergrond van de eerste lezing (Ezechiël 34: 11-12. 15-17)
In het boek van de profeet Ezechiël neemt hoofdstuk 34 een belangrijke plaats in. Het benadrukt in detail hoezeer God de Koning en zorgzame Herder is voor Zijn volk Israël. Vanuit Zijn eigen liefde voor het volk, en dan vooral voor de armen en kwetsbaren, heeft God in dit hoofdstuk ook veel scherpe kritiek op de corruptie en zelfverrijking van een aantal koningen en sommige priesters. Hij noemt ze slechte herders die geen hart hebben voor het volk maar enkel gericht zijn op hun eigen rijkdom en invloed. God kondigt echter aan dat Hij zelf als een zorgzame Herder zal blijven omzien naar Zijn schapen en eens de Messias uit het geslacht van David als de Goede Herder en Verlosser zal zenden.

Eerste lezing: Ezechiël 34: 11-12. 15-17
Zo spreekt God de Heer: “Ik zoek mijn kudde op en bezoek mijn eigen schapen. Zoals een herder omziet naar zijn kudde, en zich onder zijn schapen begeeft wanneer ze verstrooid zijn, zo zal Ik omzien naar mijn schapen en ze in veiligheid brengen, hoe ver ze ook afgedwaald zijn ten gevolge van mist en nevel. Ik zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze laten rusten, spreekt God de Heer. Het vermiste schaap ga Ik zoeken, het verdwaalde breng Ik terug, het verwonde verbind Ik, het zieke geef Ik weer kracht en het gezonde en sterke blijf Ik verzorgen. Ik zal ze laten weiden zoals het behoort. En gij, mijn schapen – zo spreekt God de Heer – Ik zal recht doen aan het ene dier tegenover het andere, tegenover ram en bok.”

Tussenzang: Ps. 23
Refrein: DE HEER IS MIJN HERDER, NIETS KOM IK TE KORT.

  1. De Heer is mijn herder, niets kom ik te
    kort; Hij laat mij weiden op groene velden.
    Hij brengt mij aan water, waar ik kan
    rusten, Hij geeft mij weer frisse moed.
  2. Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden
    Omwille van Zijn Naam.
    Gij nodigt mij aan Uw tafel
    tot ergernis van mijn bestrijders.
  3. Met olie zalft Gij mijn hoofd,
    Mijn beker is overvol. Voorspoed en zegen
    verlaten mij nooit, elke dag van mijn leven.
    Het huis van de Heer zal mijn woning zijn
    voor alle komende tijden.

Achtergrond van de tweede lezing: (1 Korintiërs 15: 20-26. 28)
Om Paulus’ boodschap in hoofdstuk 15 van zijn eerste brief aan de Korintiërs goed te begrijpen, is het nodig te letten op vers 12b: sommige Korintiërs beweren dat er geen opstanding is van de doden. Dit is het punt waar het Paulus in dit hoofdstuk om gaat. Hij schrijft zijn brief waarschijnlijk in de begin van het jaar 54, dus iets meer dan twintig jaar na de kruisdood en de verrijzenis. Paulus benadrukt dat het gemeenschappelijk beleden geloof in Christus’ verrijzenis teruggaat tot het allereerste begin van de jonge Kerk en dat velen van de getuigen van de verschijningen van de verrezen Christus, nog in leven zijn. Door te verrijzen van de dood, openbaart Christus Zijn overwinning over zonde en dood. Zoals de eerste Adam de mensheid vertegenwoordigt die in de strikken geraakt is van het kwaad, de zonde en de dood, zo is de verrezen Christus de nieuwe Adam die de mensheid verlost en zal leiden als Koning en Herder.

Tweede lezing: 1 Korintiërs 15: 20-26. 28
Broeders en zusters,
Christus is opgestaan uit de doden als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want omdat door een mens de dood is gekomen, komt door een mens ook de opstanding van de doden. Zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven. Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus, vervolgens bij zijn komst, zij die Christus toebehoren; daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader zal overdragen, na alle heerschappijen en alle machten en krachten te hebben onttroond. Want het is vastgesteld dat Hij het koningschap zal uitoefenen, tot Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. En de laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood. En wanneer alles aan Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Degene, die het al aan Hem onderwierp. Dan zal God zijn alles in allen.

Achtergrond van de evangelielezing: (Matteüs 25: 31-46)
In hoofdstuk 24 van het evangelie van Matteüs hoorden we Jezus spreken over het einde der wereld en Zijn wederkomst in heerlijkheid en het laatste oordeel over alle mensen. Jezus zegt daarvan: “Van die dag en dat uur weet niemand iets af, ook niet de engelen in de hemel, zelfs niet de Zoon, maar alleen de Vader” (24:36). Daarom roept Hij ons in hoofdstuk 25 op om altijd gereed te zijn om voor de Heer te verschijnen wanneer Hij komt. Wij doen dat, door steeds te leven volgens Gods waarden en normen, die allen gericht zijn op heel concrete liefde, betrokkenheid en barmhartigheid voor de medemensen in nood. God is liefde en slechts door concrete liefde kunnen wij voor eeuwig met Hem verbonden zijn en delen in Zijn hemels bruiloftsfeest.

Evangelie: Mt. 25: 31-46
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker. Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.
Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken? De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan. En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en hebt Mij niet gekleed. Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken. Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd? Daarop zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven”.

Overweging:
Het feest van Christus Koning is de laatste zondag van het liturgisch jaar. En de Kerk spoort ons vandaag aan om terug te kijken naar dit achter ons liggende kerkelijk jaar en die belangrijke vraag te stellen: “Wat hebben we terechtbracht van Jezus’ woorden en daden?”

Dit kerkelijk jaar door, hebben we het evangelie van Matteüs gehoord. Een paar zondagen geleden hoorden we hoe Jezus aan het begin van dat evangelie die indringende woorden tot ons sprak: “Zalig wie nederig van geest is, zalig wie op zoek is naar vrede en gerechtigheid, zalig wie helpt en troost waar nodig, zalig wie zuiver is van hart, zalig wie hongert en dorst naar gerechtigheid en bij tegenwerking of bespotting toch moedig trouw blijft aan dit geloof”. Dat waren niet zomaar woorden, nee, dat is de kern van ons geloof. Want al die woorden zijn belevingen van Jezus’ enige wet: “Bemin God met hart en ziel, en uw naaste gelijk uzelf”.

Vandaag, op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar, houdt Jezus ons in dit opzicht een spiegel voor, en vraagt: “Wat heb je met Mijn woorden gedaan? Wat heb je ervan terechtgebracht?” Voor ons in Suriname valt deze laatste zondag ook altijd dicht bij de viering van Srefidensi, onze Onafhankelijkheidsdag. Dat is goed, want dat geeft ons de gelegenheid om onszelf als volk te evalueren in het licht van die vraag: “Wat hebben wij terecht gebracht van Jezus’ woorden?”
Deze afsluitende zondag van het kerkelijk jaar eren wij Jezus met de titel “Christus, Koning van het heelal”. Jezus is een Koning die zichzelf wegcijfert, die meeleeft met de armen en zich in liefde en barmhartigheid openstelt voor de zieken en hongerigen in zowel lichamelijke als geestelijke zin. Hij toont ons een vorm van leiderschap waarin de leider zich werkelijk inspant om de leefomstandigheden voor anderen beter te maken. Een leider dus die door Zijn dienstbaarheid het voorleeft wat het in het concrete leven wilt zeggen: “Bemin God met hart en ziel, en je naaste gelijk jezelf”.

Wat doen we met Jezus’ woorden? Wat brengen we ervan terecht? Proberen we echt te leven naar Zijn woorden en daden, of horen we bij het soort mensen dat zegt: ‘Het heeft geen zin dat ik iets doe, want er verandert toch niets. Het is altijd zo geweest en het zal altijd zo blijven. En buitendien, anderen doen die verkeerde dingen ook, ze moeten me niets komen zeggen’ Verschuilen ook wij ons achter dit soort woorden, om niets te moeten doen, en om alleen maar voor onszelf, voor ons eigen plezier, ons eigen bezit, ons eigen welzijn te leven?

Wellicht is Jezus in dat opzicht nooit duidelijker geweest dan vandaag. Hij zegt: “Alles wat je voor een van de geringsten van mijn broeders hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan, en alles wat je niet voor een van de geringsten van mijn broeders hebt gedaan, heb je ook voor Mij niet gedaan”. Duidelijker kan niet. Hij geeft ons een hele heldere leer: wij mensen mogen niet leven alleen maar voor onszelf. Wat Jezus ons heeft geleerd en wat Hij zelf ons heeft voorgeleefd, dat is Zijn zorg voor armen en zieken, voor machtelozen en vervolgden, voor blinden en kreupelen, voor zwakken maar ook voor sterken en gelukkigen. Voor alle mensen dus.

‘Christus, Koning van het heelal’ is natuurlijk geen feest dat alleen maar op vandaag slaat, net zo goed als Srefidensi niet alleen een feest is dat terugkijkt naar de dag toen we staatkundig onafhankelijk werden. Nee, beide feesten richten zich vooral op de toekomst. En die toekomst, dat is de doorbraak van het Rijk Gods: dat is het Rijk van liefde, vrede en gerechtigheid zoals God het zich bij Zijn schepping heeft gedroomd. Die droom komt zo mooi ter sprake in de eerste lezing. Bij monde van de profeet Ezechiël zegt God wie Hij is: een goede Herder die omziet naar heel zijn kudde, die zorgt voor al zijn schapen, ook al zijn ze vermist of verdwaald, ziek en gewond of sterk en gezond. Zo zorgt God de Heer ook voor heel Zijn schepping, voor de zeeën en bossen, voor planten, dieren, insecten, vogels en vissen. En God vraagt steeds weer via Jezus Zijn Zoon dat wij daaraan willen meehelpen.

Volgende week zondag begint een nieuw kerkelijk jaar met de eerste zondag van de adventstijd. En met Srefidensi gaan we weer een volgend levensjaar in van de Republiek Suriname. Daarvan kunnen we iets heel belangrijks leren, namelijk dat God ons steeds weer opnieuw kansen geeft tot groei, kansen om te leren van vroegere fouten en van de zaken die we lieten liggen. Hij is een God die zich richt op de toekomst en steeds weer kansen geeft tot leven. Maar Hij vraagt daarbij wel van ons een hele concrete inzet om aan onszelf te werken: vanuit de wijsheid van Zijn Woord, ondersteund door de genade en de kracht die Hij ons schenkt in de sacramenten en het gebed, en geleid door het voorbeeld van Zijn Zoon en alle heiligen. Laten we bidden dat Zijn woorden een leidraad en visie mogen zijn, zowel voor ons persoonlijk leven als voor de Surinaamse samenleving: “Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s