Commentaar op de Lezingen van de 30e Zondag door het Jaar (Jaar A) door pater Esteban Kross

Geplaatst door

Achtergrond van de eerste lezing (Exodus 22: 20-26 )
In de hoofdstukken 20 tot en met 23 van het boek Exodus, vinden we eerst de Tien Geboden en daarna een collectie van wetgevingen, die tezamen ondanks hun sterk juridische karakter, Israël vormen in een diep respect voor de menselijke persoon. Telkens weer wordt Israël eraan herinnerd hoe zij een moeilijk, uitzichtloos bestaan hadden als slaven in Egypte. Deze herinneringen moeten hen ertoe bewegen om degenen die kwetsbaar waren in de samenleving van die tijd, namelijk de vreemdelingen, weduwen en wezen, en ongeschoolde arbeiders, te benaderen met respect en medemenselijkheid. Het financieel-zakelijke moet zo altijd verbonden blijven met een oprechte bewogenheid en respect voor de medemens.

Eerste lezing: Exodus 22: 20-26
Zo spreekt de Heer:
“Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want gij hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. Weduwen en wezen zult ge geen onrecht aandoen. Als ge hun tekort doet en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen. Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal Ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen. Als gij aan iemand van mijn volk geld leent, aan een noodlijdende in uw omgeving, gedraag u dan niet als een geldschieter. Ge moet geen rente van hem eisen. Als gij iemands mantel in pand neemt, dan moet ge die vóór zonsondergang hem teruggeven. Hij heeft iets anders om zich mee toe te dekken, het is de beschutting van zijn blote lichaam, hij moet er in slapen. Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden.”

Tussenzang: Ps. 18 (17)
Refrein:
Heer, ik heb U lief, mijn sterkte zijt Gij.

Heer, ik heb U lief, mijn sterkte zijt Gij,
mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.
Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind,
mijn schild, mijn behoud en bescherming.

Wanneer ik de Heer aanroep, Hij zij geprezen,
dan doet geen vijand mij kwaad.
De Heer zij geprezen, gezegend mijn rots,
verheerlijkt zij God, mijn Verlosser.

Want Gij hebt uw koning de zege geschonken,
Uw gunsten bewezen aan uw gezalfde.
Eer aan de Vader, de Zoon en de Geest,
van nu af tot in eeuwigheid. Amen.

Achtergrond van de tweede lezing: (1 Tessalonicenzen 1: 5-10)
Toen Paulus een aantal maanden intens het evangelie van Christus had verkondigd onder een groep inwoners van de drukke handelsstad Tessalonica, en hen had samengesmeed tot een Christengemeente, werd hij met geweld gedwongen om de stad te verlaten. Paulus stuurde zijn medewerker Timoteüs kort daarop naar Tessalonica en aan de hand van diens verslag schreef hij vanuit de stad Korinte zijn brief aan de gemeente te Tessalonica. Zijn brief kent twee delen: eerst staat centraal de dankbare herinneringen aan zijn contacten met de Tessalonicenzen. In het tweede deel blijft Paulus de jonge gemeente vormen in het geloof door aansporingen en onderricht. De verzen van onze tweede lezing behoren tot het eerste deel. Paulus prijst de Tessalonicenzen voor de vreugde ondanks lijden, waarmee zij het evangelie aanvaard hebben. Hierdoor zijn zij voorbeelden en verkondigers van het woord geworden voor hun medechristenen in heel Griekenland.

Tweede lezing: 1 Tessalonizensen 1: 5-10
Broeders en zusters,
gij weet hoe ons optreden bij u is geweest. Het was gericht op uw heil. En gij van uw kant zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met de vreugde van de heilige Geest. Gij zijt een voorbeeld geworden van alle gelovigen in Macedonië en in Achaïa.
Ja, van Tessalonica uit heeft het woord van de Heer weerklonken, en niet enkel in Macedonië en Achaïa; allerwegen is uw geloof in God bekend geworden. Wij hoeven niets meer te zeggen, zij vertellen zelf wel hoe wij bij u zijn gekomen en hoe wij door u zijn ontvangen; hoe gij u van de afgoden tot God hebt bekeerd, om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemel zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de dood heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn.

Achtergrond van de evangelielezing: (Matteüs 22: 34-40)
De Farizeeën doen een derde poging om Jezus te strikken. Met slechte bedoelingen gebruiken ze een wetgeleerde, dus een rabbijn die de Torah, Gods woord, heel diep bestudeerd had. Ze willen Jezus lokken in een rabbijnse discussie over welke het grootste gebod is, in de hoop dat ze op grond van Zijn uitspraken Hem kunnen beschuldigen van ontrouw of onorthodoxe uitleg van de Torah. Jezus neemt als eerste het beroemde Sjema-gebed uit Deuteronomium 6:4-9 over het gebod om God te beminnen met hart, ziel en verstand, en plaatst daarnaast de woorden van Leviticus 19:18 over het beminnen van de naaste gelijk jezelf. De twee geboden vormen een onlosmakelijke eenheid, leert Jezus, want men kan niet God liefhebben, zonder respect en goedheid te tonen jegens de medemensen, die net als jijzelf, het werk zijn van Gods hand.

Evangelie: Mt. 22: 34-40
In die tijd kwamen de Farizeeën bijeen, toen zij vernamen dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had. En een van hen, een wetgeleerde, vroeg Jezus om Hem op de proef te stellen: “Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?” Hij antwoordde hem: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.”

Overweging:
Net als vorige week zondag, horen we ook vandaag in het evangelie Christus zich richten tot de Farizeeën die Hem proberen te strikken en in de val te lokken. Maar met Zijn woorden toont Jezus de Farizeeën en ook ons allen, een weg naar een innerlijke diepgang en vrede die we zullen bereiken wanneer we steeds meer enkele wezenlijk prioriteiten gaan stellen temidden van alles wat we doen. Jezus wil geen theoretische discussie, zoals de Farizeeën dat graag willen. Voor Hem gaat het om het vinden van een centrale rode draad in je bestaan.

Het fundament is om steeds meer je van God bewust te worden, je bewust te worden dat je eens van God bent uitgegaan en ook eens wezenlijk tot God zult terugkeren. Deze gelovige bewustwording is het eerste en voornaamste gebod. Jezus zegt dat de meest wezenlijke roeping van verbondenheid met God gelegen is in de liefde. Maar wat is liefde? Het woord ‘liefde’ wordt zo vaak gebruikt en misbruikt, dat het veel van de eigenlijke betekenis verloren heeft. In onze samenleving bedoelen velen met het woord ‘liefde’ in feite alleen maar gevoelens of emoties, of aardig zijn. Maar liefde omvat zoveel meer dan dat. Ons christelijk begrip van liefde houdt ook dit in: geven aan de ander zonder er zelf beter van te willen worden. Liefde zoals God het bedoelt, heeft altijd te maken met relaties. Te zeggen dat je iemand bemindt wil dan niet alleen zeggen dat je fijne gevoelens hebt voor iemand, maar vooral dat je er voor die persoon zult zijn, dat je je zult inzetten voor die persoon, bereid bent offers te brengen voor die persoon, zodat die persoon mag beleven op jou te kunnen rekenen. Liefde is in feite een keuze. Het is de keuze om van jezelf te geven voor ‘beiden gelukkig zijn’.

Met dit in gedachten, laten we nogmaals Jezus’ woorden overwegen: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand“. Dit zijn niet gewoon nuchtere woorden zoals “Gij zult niet stelen”. Nee, dit eerste gebod is veel dieper. Het roept op tot een relatie van liefde, en het heeft zelfs iets in zich van aanbidding. Want wat is aanbidding? Aanbidding wordt geboren vanuit een fundamentele nederigheid binnen de relatie met God. Het is dat diepe besef van menselijke nietigheid en toch gekend zijn door God, gedragen door God, bemind door God, vergeven door God.

Echte liefde is dus altijd een relatie, een verbondenheid. Daarom verbindt Jezus dat eerste gebod met een tweede gebod dat de relatie, de verbondenheid met de medemens benadrukt. En Hij legt een wezenlijke band tussen die twee geboden.

Hij vertelt ons op zoveel plaatsen in het evangelie dat vijandigheid, onverschilligheid, en hardheid jegens de mensen om je heen, ernstige schade brengen aan de relatie met God die liefde is. We leren van Jezus dat hoogmoed of corruptie onverenigbaar zijn met de God van zuiverheid en waarheid. En zo komen we zelf ook tot het inzicht dat vervuiling van de natuur en het onbeheerst uitbuiten van de schepping niet samen gaan met de diepste verbondenheid met de God die dit alles geschapen heeft.

Het christelijk leven kan dus worden samengevat in het gebod van echte liefde voor God en ‘Bemin uw naaste gelijk uzelf”. Dat is heel eenvoudig met het verstand te begrijpen, maar naar mate we er steeds dieper over nadenken, weten we hoezeer dit een grote uitdaging is voor iedere mens. Soms zullen teleurstellingen, zwaar lijden of groot onrecht het ons een tijd heel moeilijk maken om met dezelfde overgave God te beminnen met hart, ziel en verstand. Het niet kunnen begrijpen en de vragen van ‘waarom’ trekken ons dan van God weg. Tot we een innerlijke rust hervinden waarin we aanvaarden dat we niet altijd alles kunnen begrijpen, maar wel kunnen leren van alles. Door te leren zullen we uiteindelijk een beter, wijzer en rijper mens worden.

In andere tijden van ons leven voelen wij de grootste uitdaging op het vlak van het beminnen van onze naaste gelijk onszelf. Dan is het loslaten van het negatieve moeilijk, dan willen we onszelf echt in het middelpunt houden. Dan is er weerstand in ons om die of die naaste, of die groepen van naasten, toe te laten in ons hart en in onze liefde. Dan ervaren we weerstand om een relatie te hebben met anderen en willen liever volstaan met de relatie met onszelf alleen.

Daarom: wanneer wij de inhoud van Jezus’ woorden echt tot ons toelaten, zullen we aan de ene kant een grote bewondering voelen voor de enorme kracht en inhoud van deze woorden, maar zullen wij tegelijkertijd ook een diepe nederigheid voelen. We worden ons dan steeds weer bewust van een innerlijke noodzaak tot bekering, tot het naar God toe fluisteren van “Vergeef mij, Heer!”

Laten we daarom nogmaals Jezus’ woorden doen weerklinken in ons midden:
“Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s