Liturgie-47 – 17 December 2017

Geplaatst door

 

Jaargang 61, editie 47, 17 december 2017

 

Derde zondag van de Advent jaar (B)

Eerste lezing: Jesaja 61, 1 – 2a. 10 – 11
De geest van de Heer God rust op mij; Hij heeft mij gezalfd om aan armen de blijde boodschap te brengen. Hij heeft mij gezonden om te genezen allen wier hart gebroken is, om de gevangenen vrijlating te melden, aan wie opgesloten zijn, vrijheid; om aan te kondigen het genade jaar van de Heer. Ik wil jubelen en juichen in de Heer. Mijn ziel wil zich verheugen in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met het kleed des heils, en mij de mantel der gerechtigheid omgehangen als een bruidegom die zich het hoofd feestelijk omhult, of als een bruid die zich met haar sieraden tooit. Want zoals de aarde haar vruchten voortbrengt, en zoals een tuin het zaad laat rijpen, zo laat de Heer de gerechtigheid ontluiken en zijn glorie voor het oog der volken.

Tweede lezing: I Tessalonicenzen 5, 16 – 24
Broeders en zusters, Weest altijd blij, Bidt zonder ophouden. Dankt God voor alles. Dit is het wat God van u verlangt in Christus Jezus. Blust de Geest niet uit: kleineert de profetische gaven niet, keurt alles, behoudt het goede. Houdt u verre van alle soort van kwaad. De God van de vrede, Hij moge u heiligen, geheel en al. Heel uw wezen: geest, ziel en lichaam moge ongerept bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. Die u roept is getrouw: Hij zal zijn woord gestand doen.

Evangelielezing: Johannes 1, 6 – 8. 19 – 28
Er trad een mens op, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. Deze kwam tot getuigenis van het Licht opdat allen door hem tot geloof zouden komen. Niet hij was het Licht maar hij moest getuigen van het Licht. Dit dan is het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en levieten naar hem toezonden om hem te vragen: ‘Wie zijt gij?’ Daarop verklaarde hij zonder enig voorbehoud en met grote stelligheid: ‘Ik ben de Messias niet’. Zij vroegen hem: ‘Wat dan?’ Zijt gij Elia?’ Hij zei: ‘Dat ben ik niet’. Zijt gij de profeet?’ Hij antwoordde: ‘Neen’. Toen zeiden zij hem: ‘Wie zijt gij dan? Wij moeten toch een antwoord geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wat zegt gij over uzelf? Hij sprak: ‘Ik ben, zoals de profeet Jesaja het uitdrukt, de stem van iemand die roept in de woestijn: Maakt de weg recht voor de Heer!’ De afgezanten waren uit de kring van de Farizeeën. Zij vroegen hem: ‘Wat doopt gij dan als gij de Messias niet zijt, noch Elia, noch de profeet?’ Johannes antwoordde hun: ‘Ik doop met water maar onder u staat Hij die gij niet kent, Hij die na mij komt, ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken’. Dit gebeurde te Betanië, aan de overkant van de Jordaan waar Johannes aan het dopen was.

Gedachten bij de Schriftlezingen:
Het lectionarium zet voor deze adventszondag Jesaja 61 naast de lezing uit het eerste hoofdstuk van Johannes. Op het eerste gezicht geen voor de hand liggende keuze: afgaande op Johannes 1,23 zou Jesaja 40 eerder in aanmerking komen. Johannes legt hier net als de andere evangelisten de verbinding tussen Johannes de Doper en de aanzegger van de bevrijding uit Jesaja 40,3. Toch valt er wel iets te zeggen voor het samen lezen van Johannes 1,6-28 en Jesaja 61. In beide teksten is namelijk sprake van een persoon die van godswege gezonden wordt (Jesaja 61,1; Johannes 1,6) met goed nieuws.
Trito-Jesaja
Jesaja 61 staat precies in het centrum van dat deel van het boek Jesaja dat onder exegeten bekend staat als Trito Jesaja (hoofdstuk 56-65). Een groot deel van het Joodse volk was in 597 en 587 voor Christus afgevoerd naar Babel en had daar veertig jaar in ballingschap geleefd, op de been gehouden door de hoop op terugkeer naar Jeruzalem. Profeten als Ezechiël en de onbekende profeet die we kennen als Deutero-Jesaja (zie de hoofdstukken 40-55) hadden in Babel deze hoop levend gehouden. In de tijd van de eveneens onbekende Trito-Jesaja zijn de omstandigheden ingrijpend veranderd: de ballingschap is ten einde, de verwoeste tempel in Jeruzalem wordt weer opgebouwd, grote groepen ballingen, inclusief de profeet zelf, zijn naar Judea teruggekeerd. Nog steeds is echter het ideaal van de Thora: recht en gerechtigheid, zowel in de eredienst als in de samenleving, geen werkelijkheid geworden. Daartegen protesteert de profeet en hij laat het aanklachten regenen tegenover degenen die zich schuldig maken aan het overtreden van de Thora. De aanklachten worden afgewisseld met heilswoorden, waarbinnen ook plaats is voor mensen die niet tot het volk Israël behoren. Trito-Jesaja begint met de insluiting van proselieten en castraten (56,1-8) en eindigt met de insluiting van vreemdelingen en mensen uit de volkeren (66,7-24). De teksten over mensen en volken die zich verbinden met de God van Israël vormen een inclusie rond de teksten met aanklachten en heilsaanzeggingen tot het volk Israël. Precies in het midden staan de teksten over Sion (60,1 – 62,12): stad van licht (60,1-2) en van gerechtigheid (62,1).

Bevrijding en vreugde
In Jesaja 61 is de niet nader aangeduide gezalfde van de Eeuwige God aan het woord (vers 1). Hem is de opdracht gegeven degenen die het meest te lijden hebben de bevrijding aan te zeggen (vers 1-3). Dat het om meer dan alleen sociaal onrecht gaat, wordt duidelijk inde omschrijving van deze slachtoffers. ‘Armen’ of ‘nederigen’ zijn niet in staat hun stem te verheffen (Jesaja 29,19; Psalm 22,27), verslagenen van hart zijn gebroken (Jeremia 23,9). Met gevangenen worden degenen bedoeld die weggevoerd zijn (Jeremia 41,10; 1 Koningen 8,46.48), geketenden zitten letterlijk vast (Genesis 40,3; Numeri 30,3; Rechters 15,13). De slachtoffers in Jesaja61,1-2 lijden aan de ondergang van Sion en aan het ontbreken van gerechtigheid in de stad. Tegelijk wordt in 61,2 de tijd van verandering aangekondigd, een genadejaar van de Eeuwige. Mogelijk wordt hier gezinspeeld op het jubeljaar, waarin scheefgegroeide verhoudingen hersteld worden (vergelijk Leviticus 25,10-13.40). In Jesaja 61,1-2 wordt de tijd van God geschilderd als het einde van rouwbeklag, en zelfs meer dan dat. De zichtbare tekens van rouw – stof op het hoofd, rouwkleding – worden tot voorwerpen die bij een feest horen. De rouwende slachtoffers worden tot teken van Gods gerechtigheid en luister (61,2e-f). Het beeld van vreugde wordt door de ik-persoon in 61,10-11 in de vorm van een lofprijzing verder uitgewerkt. Anders dan in 61,2-3 ontbreekt elke verwijzing naar rouw en ellende. Het is een en al feest van bevrijding en gerechtigheid (61,10), een bruiloft zelfs, als uiterste contrast met de rouw in 61,2-3. In 61,11 wordt het perspectief verbreed naar de volkeren en naar de hele aarde. Het ontkiemen van de gerechtigheid wordt vergeleken met het ontkiemen van het zaad in een tuin en de aarde die gewassen voortbrengt. De woorden ‘tuin’, ‘aarde’ en ‘voortbrengen’ roepen het beeld op van de schepping in Genesis 1 en dat van de tuin in Genesis 2. De bevrijding van Sion straalt uit naar heel de wereld. Tussen aankondiging en lofprijzing schetst de profeet in 61,4-9 het herstel van Israël (zonder dat deze naam klinkt) en het einde van de dienstbaarheid aan anderen. De rollen worden in 61,4-5 en 6c-9 zelfs omgedraaid. Deze omdraaiing omsluit op haar beurt de definitie van het volk als priester van JHWH en als zijn dienaar (in cultische zin). In deze definitie klinken verschillende teksten uit de Thora door: Exodus 19,6, waarin Israël ‘een volk van priesters’ genoemd wordt, en teksten als Numeri 1,50 en Deuteronomium 10,8; 18,5.7 over de dienst van de levieten.
Getuigen van het licht
Het getuigenis van Johannes de Doper (Johannes 1,19- 33), waarvan we vandaag een deel lezen, sluit aan bij de proloog (1,1-18). Binnen de proloog wordt Johannes de Doper geïntroduceerd (1,6-8), als verwijzing naar diens getuigenis. Anders dan bij de synoptici staat in het Johannesevangelie de verkondiging van Johannes de Doper niet in het teken van boete en ommekeer, maar vormt zij het getuigenis van het licht (1,6-8). De autoriteiten in Jeruzalem, aangeduid als ‘de Joden’, sturen priesters en levieten naar hem toe om te onderzoeken wie deze getuige is. Zij stellen vragen omtrent zijn identiteit (1,19-22): Wie ben jij? Elia? De profeet? Met deze laatste vraag wordt verwezen naar de profeet uit Deuteronomium 18,15. Precies deze vragen stelt Jezus in de synoptische evangeliën aan zijn leerlingen met betrekking tot zichzelf (Matteüs 16,13-18; Marcus 8,27-30; Lucas 9,18-19; vergelijk Lucas 9,7-8). In onze tekst nemen de priesters en levieten een voorschot op de vragen die in de loop van
het Johannesevangelie door verschillende personen aan Jezus gesteld worden. De vraag: ‘Wie ben jij?’ wordt later woordelijk door de autoriteiten ook aan Jezus zelf gesteld (8,25; 10,24), daar echter zonder de associatie met Elia en de profeet. De evangelist maakt zo duidelijk dat Jezus als Zoon van de Vader tot een andere categorie behoort dan Johannes. Het antwoord van de Doper op de hem gestelde vragen is twee keer negatief (‘Ik ben de Messias, de profeet niet’), pas na de derde vraag geeft hij door een afgekort citaat van Jesaja 40,3 te kennen wie hij wel is: iemand die voorbereidend werk doet (1,23). De afgevaardigden uit Jeruzalem vragen verder: ‘Waarom doop je?’ (1,25), waarop Johannes getuigt van
degene die na hem komt en die reeds in hun midden is (1,27). En zo zijn we terug bij de proloog, bij het licht dat in de wereld gekomen is (1,9). Het is nu aan de wereld om het licht te (h)erkennen.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s