Liturgie-46-10 december 2017

Geplaatst door

 

Jaargang 61, editie 46, 10 december 2017

 

Tweede zondag van de Advent jaar (B)

 Eerste lezing: Jesaja 40, 1 – 5.9 – 11

Troost, troost toch mijn stad, – zegt uw God -; spreek Jeruzalem moed in; roep haar toe dat haar straftijd voorbij is, dat haar ongerechtigheid vergeven is, dat zij van Gods hand haar zonden dubbel betaald heeft gekregen. Een stem roept: ‘Baan de Heer een weg in de steppe; effen voor onze God een heerbaan in de woestijn; elk dal moet gevuld, elke berg en heuvel geslecht worden; alle oneffenheden moeten vlak, de rotsmassa’s een valei worden. En verschijnen zal de glorie des heren, en alle vlees zal daarvan getuige zijn. De mond des Heren heeft het gezegd!’ Beklim de hoogste berg, gij Sion, vreugdebode. Verhef krachtig uw stem, Jeruzalem, vreugdegezant. Verkondig het luide, ken geen vrees; roep tot de steden van Juda: ‘Uw God is op komst! Zie, God, de Heer, komt met Kracht. Zijn arm voert de heerschappij; zijn loon komt met Hem mee; zijn beloning gaat voor Hem uit. Als een herder zal Hij zijn schapen weiden, in zijn armen ze samenbrengen, de lammeren dragen tegen zijn boezem, de schapen met zachte hand geleiden.

LIT-002a-B1-Liturgie-46-1012

Tweede lezing: II Petrus 3, 8 – 14
Eén ding mag u niet ontgaan: voor de Heer is één dag als duizend jaren en duizend jaren als één dag. De Heer talmt niet met zijn belofte zoals sommigen menen, maar Hij heeft geduld met u daar Hij wil dat allen tot inkeer komen en dat niemand verloren gaat. Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Dan zullen de hemelen dreunend vergaan en de elementen zullen door vuur worden verteerd; en de aarde en de daden op aarde verricht zullen zich bevinden voor Gods oordeel. Wanneer alles zo vergaat, hoe moet gij dat uitmunten door een heilig leven en innige vroomheid, de komst verwachtend en verhaastend van de dag Gods, waardoor de hemelen in vlammen zullen opgaan en de elementen zullen wegsmelten in de vuurgloed. Maar volgens zijn belofte verwachten wij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen. In deze verwachting, geliefden, moet gij u beijveren onbevlekt en onberispelijk voor Hem te verschijnen, in vrede met God.

Evangelielezing: Marcus 1, 1 – 8

Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de zoon van God. Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen; een stem van iemand roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht. Zo trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden. Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. Johannes ging gekleed in kameelhaar met een leren gordel om zijn lendenen; hij at sprinkhanen en wilde honing. Hij predikte: ‘Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water maar Hij zal u dopen met de heilige Geest’.

 

Gedachten bij de Schriftlezingen:
Alle lezingen van vandaag ademen verwachting, hetgeen voor de hand ligt in de advent. Toch blijkt dat waarop precies gewacht wordt, behoorlijk te verschillen. Er zijn eigenlijk maar drie constanten: God speelt een beslissende rol. Daarnaast gaat het in alle toekomstbeelden om herstel van humaniteit. De
laatste constante is de hoop zelf.

Zorgzaam leidt Hij de ooien
Het gedicht in Jesaja 40 is het begin van het boek Deutero-Jesaja (hoofdstukken 40-55), een dichterlijke beschrijving van de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Dit verhaal is echter pas veel later, mogelijk eeuwen na de feitelijke terugkeer, geschreven. Het gaat dan ook niet zozeer om een historisch verslag, maar om een oproep aan de lezer. Babel, de woestijn, Jeruzalem: het zijn beelden voor een situatie van vervreemd, weggeraakt zijn bij waar het in het geloof om gaat. ‘Sta op en begin opnieuw,’ roept de tekst. Dat klinkt al in deze eerste verzen. De ballingschap is voorbij. Leg een weg aan door de woestijn, een weg waarover de Heer naar ‘Babel’ kan komen, maar ook de weg waarop wij Hem kunnen volgen, terug naar ‘Jeruzalem’. Dat volgen van de Heer is in feite de weg, de weg van de geboden. Dit blijkt ook uit 40,11: de Heer heeft de lammeren en ooien bij zich, die Hij verzorgt en beschermt. Dat wekt associaties met de wezen en weduwen, in de Thora hét symbool voor kwetsbare en gemarginaliseerde mensen. In alle beeldspraak is in elk geval glashelder: zorg voor kwetsbaren hoort wezenlijk bij de terugkeer naar Jeruzalem.

Trouw en waarheid omhelzen elkaar
De historische achtergrond van Psalm 85 is onzeker. Het zou de Babylonische ballingschap kunnen zijn, maar ook iets anders. Er is iets vreselijks gebeurd, zoveel is wel duidelijk, iets wat het volk in zijn voortbestaan raakt. En ook de oorzaak is volgens de psalmist helder: Gods afschuw en toorn (vers 6) over de dwaasheid (vers 9) van zijn volk. Gezien de verzen 11-12 zal die ‘dwaasheid’ wel gaan om sociale misstanden en onrecht. Nu rest er niets anders dan God te herinneren aan zijn vroegere daden van genade, Hem om genade te smeken en te wachten. Toch is de psalm daar heel hoopvol over. Vanaf vers 7 is de toon er een van hoop en verwachting: hoop op de trouw van God, verwachting van zijn hulp, en een nieuw begin, een begin waarin trouw en waarheid, recht en vrede weer bloeien (vers 11-12).

Waar gerechtigheid woont
Jesaja 40 en Psalm 85 zijn wel wat verwant, maar de lezing uit de tweede Petrusbrief lijkt uit een compleet andere wereld te komen. Het gaat er over de ondergang van de hemel en de aarde, die heel concreet wordt voorgesteld: niet meer door water, zoals bij de zondvloed, maar door vuur. De schrijver vraagt zich af: waarom is het nog niet zo ver? De eerste gemeente, Jezus zelf waarschijnlijk ook, verwachtte inderdaad dat het einde heel snel zou aanbreken. Maar op het moment dat deze Petrusbrief geschreven wordt, ligt het leven van Jezus al minstens vijftig jaar in het verleden. De eerste generatie gelovigen begint te overlijden. Hoe kan dat? De schrijver roept op tot geduld: voor God zijn duizend jaar als één dag. Maar blijf alert, blijf heilig en vroom, want de dag van de Heer komt als een dief, het kan ieder moment zover zijn. Vuur en verwoesting klinken angstaanjagend. Toch ziet de schrijver juist alle reden tot hoop en hooggespannen verwachting: ‘Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont’ (2 Petrus 3,13). De voorstellingen in de Petrusbrief zijn volstrekt verschillend van die in Jesaja 40 en Psalm 85. De drie schriftgedeelten zijn het echter roerend eens in het besef dat God de bron is van de verwachting, en dat het nieuwe waarop gewacht wordt, met gerechtigheid te maken heeft.
Een stem in de woestijn
In de evangelielezing wordt de verwachting helemaal verwarrend, zeker als we daarbij ook nog bedenken dat we haar lezen in de advent. Advent is het wachten op kerst, de geboorte van Jezus. Maar op het moment dat Johannes de Doper aantreedt, is Jezus al lang en breed volwassen. De advent wacht op een pasgeboren kind, Johannes kondigt een volwassen Messias aan. Toch ziet de traditie kennelijk geen probleem in het combineren van de twee. Ook het citaat in Marcus 1,2-3 is wat verwarrend. Hier
wordt duidelijk Jesaja 40 geciteerd, maar met een subtiele wijziging. Bij Jesaja is de weg van de Heer in de woestijn, bij Marcus is het de stem. In de Hebreeuwse grondtekst is dit verschil alleen een kwestie van interpunctie. Toch wordt het zo wel een heel andere tekst: De ‘roepende in de woestijn’ slaat rechtstreeks op Johannes de Doper, niet langer op de weg van Babel naar Jeruzalem. Bovendien: ‘de Heer’ is bij Jesaja uiteraard God, maar bij Marcus verwijst deze titel naar Jezus. De verwachting bij Marcus is dus, ondanks de vrijwel gelijkluidende woorden, een heel andere dan die bij Jesaja. Toch zet Marcus Johannes nadrukkelijk in de profetische traditie. Zijn kameelharen mantel, zijn werken bij de Jordaan en zijn oproep tot omkeer zijn daarinheel helder. En in de meer uitgewerkte versies van dit verhaal bij andere evangelisten (Matteüs 3,1-12 en Lucas 3,1-20) komen ook machtsmisbruik en oneerlijk verdeelde rijkdom aan de orde. Johannes verwacht Jezus de Heer, maar net als in de overige lezingen heeft deze verwachting alles te maken met hoe mensen met elkaar omgaan.
De hoop zelf
Zo zien we drie (en zelfs vier, als we de kerkelijke advent meerekenen) heel verschillende verwachtingen. Toch hebben ze wel raakpunten, en het voornaamste dat ze delen is de hoop zelf. Bijbels geloof, in welke tijd of vorm dan ook, is altijd gericht op de toekomst: een toekomst van vrede, trouw, waarheid en gerechtigheid. Een toekomst, zeggen we er vandaag op de dag van de Universele Verklaring van de Rechten van de mens, bij, waarin de rechten van de mens weer mogen bloeien.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s