Commentaar op de lezingen van de 26e zondag door het Jaar 2026 (Jaar A) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Ezechiël 18: 25-28)

De profeet Ezechiël houdt zijn tijdgenoten, en ook ons, een heldere spiegel voor. Ezechiël heeft steeds grote nadruk gelegd op Gods heiligheid en verhevenheid, en was diep bewust van dat grote contrast dat je ziet wanneer je dan kijkt naar de religieuze en morele onverschilligheid van vele mensen. De mensenlijke samenleving is vaak hard. Daarom roept Ezechiël met krachtige woorden op tot inkeer en werkelijke verandering. Dan zal God hen weer nieuw leven schenken.

Eerste lezing: Ezechiël 18: 25-28

Dit zegt de Heer: “Gij beweert: De weg van de Heer is niet recht! Huis van Israël, luister toch! Zou het werkelijk Mijn weg zijn, die niet recht is? Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht? Als een rechtvaardige zich van zijn rechtvaardigheid afkeert en kwaad gaat doen, dan zal hij daaraan sterven, sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft. En als de boosdoener zich van zijn boze daden afkeert en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd, dan zal hij in leven blijven. Als hij tot inzicht komt en zich afkeert van zijn slechte daden, dan blijft hij zeker leven, dan zal hij niet sterven”.

Tussenzang:  Psalm 25

REFREIN: GEDENK UW BARMHARTIGHEID, HEER.

1. Wijs mij Uw wegen, Heer,

leer mij Uw paden kennen.

Leid mij volgens Uw Woord,

want Gij zijt mijn Verlosser.

2. Op U stel ik altijd mijn hoop,

omdat ik vertrouw op Uw goedheid.

Gedenk Uw barmhartigheid, Heer,

Uw altijd geschonken ontferming.

3. Herinner U niet het kwaad van mijn jeugd,

maar denk aan mij met erbarmen.

De Heer is goed en rechtschapen,

daarom wijst Hij zondaars de weg.

Achtergrond van de tweede lezing (Filippenzen 2: 1-11)

De vorige week zondag hoorden we hoe de apostel Paulus vanuit zijn gevangenschap omwille van de verkondiging van het evangelie, een brief schreef aan de kerkgemeenschap in de stad Filippi in het noorden van Griekenland. In deze brief spreekt Paulus over de liefde die hij deelt met deze geloofsgemeenschap. Hij herinnert hen aan het werken van de Heilige Geest in hen allen en spoort de Filippenzen dan aan om in harmonie en nederigheid te blijven leven. Paulus weet hoe gemakkelijk mensen, ook Christelijke gelovigen, tot onderlinge spanningen kunnen geraken. Hij roept hen daarom met klem op, zich te blijven richten op de gezindheid en de levenshouding die wij allen kennen van Christus onze Heer.

Tweede lezing: Filippenzen 2: 1-11

Broeders en zusters, als vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging iets vermogen, als gemeenschap van Geest, als hartelijkheid en mededogen u iets zeggen, maakt dan mijn vreugde volkomen door uw eenheid van denken, uw eenheid in de liefde, uw saamhorigheid en eensgezindheid. Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf. Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar liever die van zijn naasten. Die gezindheid moet onder u heersen welke Christus Jezus bezielde: Hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan een kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: “Jezus Christus is de Heer”. 

Achtergrond van de evangelielezing:  (Matteüs 21: 28-32)

In een gespannen conflict met de religieuze leiders van Zijn tijd, wijst Jezus ons middels een parabel erop, dat gehoorzaamheid aan God alleen blijkt uit daden, niet uit woorden. Deze parabel is een oproep om je concrete gedrag steeds beter in overeenstemming te brengen met de visie van het evangelie. De parabel is tegelijkertijd ook een getuigenis over de grote barmhartigheid en liefde van God voor ons, onvolmaakte mensen.

Evangelie: Matteüs 21: 28-32

In die tijd zei Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: “Wat denkt ge van het volgende? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste toe en zei: “Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard”. “Goed vader” – antwoordde deze, maar hij deed het niet. Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde. Deze antwoordde: “Neen, ik wil niet”, maar later kreeg hij spijt en ging toch. Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan ?” Zij antwoordden: “de laatste!”. Toen zei Jezus hun: “Voorwaar, Ik zeg u: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen. Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid; toch hebt gij hem geen geloof geschonken, terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen hem wel geloof schonken. Maar zelfs, nadat ge dit hadt gezien, zijt ge toch niet tot inkeer gekomen en hebt ge hem geen geloof geschonken!

Overweging:

Wanneer we Matteüs hoofdstuk 21 lezen, dan zien we dat Jezus nu op het tempelplein in Jeruzalem is en daar een stevige confrontatie heeft met de hogepriesters en de oudsten: de vooraanstaande religieuze leiders van Israël. Jezus had op het tempelplein met een zweep een einde gemaakt aan het kabaal van het verkopen van runderen, schapen en duiven voor de offers, en aan de veel te hoge prijzen die vele verkopers en geldwisselaars vroegen aan de Joodse pelgrims die van ver gekomen waren. Jezus had opgetreden met profetisch gezag en de religieuze leiders vielen Jezus hierop aan. De sfeer was erg gespannen.

Al langere tijd hadden de religieuze leiders vooroordelen tegen Jezus: Zijn populariteit onder het gewone volk, Zijn maatschappij-kritische houding en Zijn duidelijke solidariteit met de armen en de kwetsbaren in de samenleving. Om deze en nog andere redenen begonnen zij Jezus steeds meer te zien als een valse profeet.

Het is in deze gespannen confrontatie dat Jezus tot hen deze korte parabel spreekt om hen iets duidelijk te maken. Hij spreekt over een vader die twee zonen heeft. Als hij aan de ene zoon vraagt om die dag in de wijngaard te gaan werken, antwoordt deze zoon met uiterlijke gehoorzaam en respect. Maar ondanks al die uiterlijke eerbied doet hij helemaal niet wat hij zijn vader zo vroom beloofd had te doen en gaat hij gewoon niet werken.

Die andere zoon denkt in eerste instantie ook meer aan zichzelf dan aan zijn vader en antwoordt vrij ruw: “Nee, ik wil niet”. Maar hij komt tot inkeer en beseft dat het niet juist was hoe hij zich heeft gedragen naar zijn vader toe. Hij toont een innerlijke verandering die blijkt in zijn daden wanneer hij alsnog naar de wijngaard gaat en begint te werken zoals zijn vader hem dat gevraagd had.

Jezus stelt de hogepriesters en oudsten nu een schijnbaar hele eenvoudige vraag: “Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?” De religieuze leiders moeten wel antwoorden dat het de zoon is die uiteindelijk wel naar de wijngaard is gegaan en is gaan werken.

Jezus past nu de parabel rechtstreeks toe op de hogepriesters en oudsten! Zij hadden Johannes de Doper afgewezen als een authentieke profeet van God en zij stonden op het punt om ook Jezus af te wijzen als de Messias, door God gezonden. Zij zijn als die eerste zoon uit de parabel. Met uiterlijke vroomheid en uiterlijke woorden van gehoorzaamheid etaleren ze hun geloof, maar in de werkelijkheid beleven zij die vroomheid niet oprecht! Ze zijn arrogant en koppig, en leven niet werkelijk naar wat God ons allen voorhoudt in Zijn Woord en waar Johannes de Doper zo krachtig over had gepredikt.

Maar Jezus herinnert hen aan de zondaars en prostituees die wel tot echte bekering waren gekomen toen zij Johannes hadden gehoord en gezien. Dat bleek in een oprechte verandering van hun hart en vooral in een ommekeer van hun levensstijl en gedrag. Zij waren als die andere zoon van de parabel die in eerste instantie vele jaren geweigerd hadden naar God te luisteren. Een lange tijd in hun leven hadden zij geen tijd en ruimte voor Hem gehad, maar op gegeven moment begonnen zij zich wel laten raken door de woorden, het levensvoorbeeld en de heiligheid van Johannes.

Lieve vrienden, het gaat dus uiteindelijk om welke innerlijke houding je hebt als mens. Het gaat erom hoe je in feite in het leven staat. Er zit in elk van ons iets van de houding van die hogepriesters en oudsten! Het is die houding in ons die zich niet wenst te laten raken door een oproep tot bekering. Het is het stukje in ons dat in feite koppig vindt dat wij geen bekering nodig hebben. We zien dan onze zonden niet, of we vergoelijken ze. We zien dan niet de echte omvang van onze oneerlijkheden, of van onze discriminerende manier van omgaan met sommige groepen mensen. Of misschien doen we mee aan corruptie, maar kijken we de andere kant uit of zeggen: anderen doen het ook. Of we weten eigenlijk wel dat ook wij met de duizenden plastic zakjes en flesjes en onze levenswijze, evengoed bijdragen aan de vervuiling en de vernietiging van het milieu, maar we willen er ons niet door laten verontrusten. We sluiten ons af van deze zaken, omdat we eigenlijk helemaal niets willen veranderen aan onze levensstijl.

Maar gelukkig zit er in de meesten van ons ook een stukje van die andere zoon. Gelukkig zijn wij niet afgestompt, maar voelen we vaak ook de kracht van Gods Woord. Dan trekken de idealen van Gods Woord krachtig aan ons en begint er in ons hart een diep verlangen te branden om een goed mens te zijn, om ons in te zetten, en de medemens hoop en respect te brengen. Dat stukje in ons vindt inspiratie bij de visie van het geloof en weet dat we in God de diepste waarheid vinden, dat God ons aanspreekt en het beste in ons naar boven roept. Dan weten wij dat we nog veel te veranderen hebben! En we willen ons daar ook in verdiepen. We voelen dan het verlangen om onze oppervlakkigheid om te keren tot een inspirerend leven met diepgang.

Jezus’ boodschap vandaag tot ons is helder: zorg ervoor dat het in jouw leven niet blijft bij mooie voornemens en edele gevoelens. Geen woorden maar daden! Neem echte keuzen en maak je bekering waar in daden en in veranderingen. Werk aan jezelf daar waar nodig. Laat los of zet aan een kant datgene wat je afremt of zelfs blokkeert op de weg naar God. Kies er voor om waar nodig nieuwe gewoonten aan te leren om je nog daadkrachtiger te richten op de waarden en de inhoud van het Woord.

“Wie van de twee zonen heeft de wil van de Vader gedaan?” Een indringende vraag die ons eigenlijk geen uitweg laat, maar ons toeroept: “Geen woorden maar daden”. Bidden we dat de Heer ons hierin Zijn wijsheid en kracht schenkt om in deze bekering te volharden.



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Plaats een reactie