Commentaar op de Lezingen van de 1e Zondag van de Advent (Jaar B) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 63: 16-17,19 64: 3-7)
Toen de Israelieten na de plundering van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel door de Babyloniërs, gevolgd door vijftig jaar ballingschap, onder heerschappij van koning Cyrus van Perzië terug mochten keren naar Jeruzalem, was er heel veel veranderd. Ze begonnen met de herbouw van Jeruzalem en het bouwen van een nieuwe tempel voor Jahweh, de God van hun voorvaderen. De Israelieten waren zich ervan bewust dat hun vroegere ontrouw aan het verbond met Jahweh en het steeds weer in de wind slaan van de oproepen van de profeten ertoe hadden geleid dat zo een zware straf over hen was gekomen. Ze roepen tot God om vergeving en mededogen.

Eerste lezing: Jesaja 63: 16-17,19 64: 3-7
Gij Heer, zijt onze Vader, Gij onze Verlosser en uw Naam is eeuwig! Waarom, Heer, liet Gij ons van uw wegen afdwalen, zodat ons hart verstokt werd en U niet meer vreesde? Keer U weer tot ons omwille van uw dienaren. Omwille van de stammen, die uw eigendom zijn. Scheur toch de hemel open en daal af en de bergen zullen beven voor uw aanblik. Gij alleen zijt God en Gij staat bij al wie op U durft hopen. Gij komt hen tegemoet, die met vreugde gerechtigheid beoefenen, die bij al wat ze doen aan U denken! Vertoornd waart Gij op ons, maar wij volharden in het kwaad: hoe zouden wij ooit redding kunnen vinden? Wij allen waren als onreinen, onze goede werken als kleding door stonden bevuild; als bladeren zijn we afgevallen en de wind van onze zonden heeft ons meegevoerd. Niemand die er aan dacht uw Naam aan te roepen, die op U zijn vertrouwen durfde stellen: Gij had immers uw aangezicht van ons afgewend en Gij had ons prijsgegeven aan onze zonden. Toch zijt Gij, Heer, onze Vader; wij zijn de klei, Gij de boetseerder: wij zijn slechts het werk van uw handen. Blijf niet eindeloos op ons vertoornd, Heer, en wil onze ongerechtigheid niet voor altijd indachtig zijn: zie op ons neer: wij zijn uw volk!

Tussenzang: Ps. 80
Refrein: GOD VAN DE HEERSCHAREN, RICHT ONS WEER OP:
LACH ONS WEER TOE EN WIJ ZULLEN GERED ZIJN.

  1. Herder van Israël, hoor ons aan,
    Die troont op de Cherubs, verschijn met luister.
    Werp Uw macht in de strijd,
    kom om ons bij te staan.
  2. God van de Heerscharen, keer toch terug,
    zie neer uit de Hemel en let op Uw wijngaard.
    Bescherm wat Uw eigen hand heeft geplant,
    het stekje dat Gij hebt gekweekt.
  3. Laat Uw hand op Uw gunsteling rusten,
    op het kind dat Gij groot gebracht hebt.
    Nooit meer zullen wij U verlaten:
    Bewaart Gij ons leven, dan prijzen wij U.

Achtergrond van de tweede lezing: (1 Korintiërs 1: 3-9)
De opening van Paulus’ eerste brief aan de gemeente van de Griekse havenstad Korinte begint met een groet die de wens om zegen inhoudt voor deze gemeente die Paulus zelf gesticht heeft en liefheeft. Dan volgt een dankzegging aan God, waarin Paulus de reden aangeeft voor zijn dankbaarheid. Vervolgens roept hij hen op om waakzaam te zijn, dat wil zeggen: om met geloof te leven in gemeenschap met Christus en zo gereed te zijn wanneer de dag en het uur is aangebroken dat de Heer wederkomt om de verlossing te voltooien.

Tweede lezing: 1 Korintiërs 1: 3-9
Broeders en zusters, genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! Steeds weer zeg ik God dank voor zijn genade, die u in Christus Jezus is gegeven. Want in Christus zijt gij, naarmate zijn getuigenis bij u ingang vond, in ieder opzicht rijk begiftigd met alle gaven van woord en kennis. Op dit punt komt gij niets te kort, terwijl gij vol verwachting uitziet naar de openbaring van onze Heer Jezus Christus. Hij zal u ook doen standhouden tot het einde, zodat u geen blaam treft op de dag van onze Heer Jezus. God is getrouw, die u geroepen heeft tot gemeenschap met zijn Zoon onze Heer Jezus Christus.

Achtergrond van de evangelielezing: (Marcus 13: 33-37)
Op de eerste zondag van de advent, kijkt de Kerk in haar liturgie nog niet zozeer naar de verwachting van die eerste komst van Christus, tweeduizend jaar geleden, toen Gods Zoon na eeuwen van aankondiging door de profeten geboren is in de stal van Bethlehem. Nee, aan het begin van de advent richt de liturgie zich op de tweede komst van Christus, wanneer Hij zal wederkomen in heerlijkheid, zal oordelen over de levenden en de doden, en de verlossing zal voltooien. Wanneer Zijn tweede komst zal zijn, weet niemand: noch voor ons persoonlijke leven, noch voor het einde der wereld. Daarom roept Christus op tot waakzaamheid en geloof.

Evangelie: Marcus 13: 33-37
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Weest op uw hoede, weest waakzaam; want gij weet niet wanneer het ogenblik daar is. Het is er mee als een man, die in het buitenland vertoeft. Bij het verlaten van zijn huis heeft hij aan zijn dienaars het beheer overgedragen, aan ieder zijn taak aangewezen en de deurwachter bevolen waakzaam te zijn. Weest dus waakzaam, want gij weet niet wanneer de heer des huizes komt, ‘s avonds laat of midden in de nacht, bij het hanengekraai of ‘s morgens vroeg. Als hij onverwachts komt laat hij u dan niet slapend vinden. En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen: weest waakzaam!”

Overweging:
Een centraal sleutelwoord voor de Adventstijd is het begrip “waakzaamheid”. Het woord roept ons allen op tot bezinning, tot nadenken over ons leven. De oproep “Weest waakzaam”, die we in de advent vaak zullen horen, roept ons op om met verwachting uit te zien naar datgene wat ons bestaan inhoud, levensvreugde en zin zal geven. We kunnen een moment denken aan een luchthaven, wanneer de vlucht al een tijdje geland is, en de tijd er ongeveer gekomen is dat de eerste passagiers uit de deuren van de aankomsthal zullen komen met hun baggage in de hand. Alle aanwezigen buiten kijken nu vol verwachting en waakzaam naar die deuren van de aankomsthal en zodra de passagiers eruit beginnen te komen, speuren de aanwezigen nog aandachtiger naar de gezichten van de passagiers, want ze willen voorkomen dat degene die ze zijn komen ophalen en die ze hartelijk willen verwelkomen, door hen niet zouden worden gezien. Als je niet waakzaam bent, zou het kunnen gebeuren dat je ze over het hoofd hebt gezien en dat ze verderop zullen staan rondkijken, in eerste instantie teleurgesteld dat ze niet worden verwelkomd en niet die enthousiaste begroeting krijgen die ze verwacht hadden. Om dat te voorkomen, kijken alle aanwezigen waakzaam en gespannen naar alle passagiers die naar buiten komen.

Zo roept de Adventstijd ons op, om met verwachting uit te zien naar God. En om waakzaam na te denken over wat in ons leven beter kan, en wel om te voorkomen dat de komst van God aan ons voorbijgaat. Om te voorkomen dat we leven alsof God er niet echt zou zijn. Daarom heeft de adventstijd ook een aspect van vergiffenis vragen voor de tekomtkomingen, fouten en zonden die ons traag maken in het geloofsleven en die maken dat we een stuk verwijderd raken van het enthousiasme voor de dingen van God.

We weten allemaal dat de aanwezigheid van God niet altijd even duidelijk en voor de hand liggend is. Het leven beproeft ons geloof op zovele manieren. Er zijn geregeld moeilijke beproevingen zoals de stress die armoede met zich meebrengt. Of de harde kanten van leven en maatschappij. Of het verlies van dierbaren door tragische ongelukken of door sluipende ziekten of moeilijke aandoeningen. Of het intense verdriet over relaties die stukliepen en je zoveel pijn en bitterheid brachten en je het gevoel gaven van onmacht en van stank voor dank te hebben gekregen voor alle opofferingen en inspanningen die je gegeven had voor die relatie. Dit soort beproevingen zullen we enkel goed doorstaan als we voldoende gewend zijn om te bidden, om zaken te overwegen, en ze in een groter perspectief te kunnen gaan zien, en zo de kracht en de moed kunnen vinden om sommige van onze verwachtingen los te laten als dat moet en in de veranderde situaties nieuwe mogelijkheden te gaan ontdekken.

Een andere reden om waakzaam te leven, dat wil zeggen in gelovige bezinning en regelmatig gebed de dingen van je leven te overdenken en beschouwen, is de verleiding van de materiële zaken. De ‘aardse dingen’, of de ‘wereldse dingen’ zoals we dat zo mooi kunnen zeggen, kunnen ons ongemerkt in hun greep krijgen. We veranderen dan beetje bij beetje, en heel geruisloos beginnen we de dingen van God te verwaarlozen. Zonder het te merken raken we steeds meer verwijderd van een spirituele, dankbare gerichtheid op God. Die godsdienstige gevoeligheid van het gebed, van naar de kerk gaan, van bezig zijn met het Woord, van onze inzet voor een goede, rechtvaardige samenleving en voor het milieu: al die dingen die onze gelovige binnenkant creatief, rijk en warm houden, gaan dan heel geruisloos meer en meer naar de achtergrond van ons bestaan. Als dit proces te lang doorgaat, dreigen ze op gegeven moment slechts een vage herinnering te gaan worden die niet veel meer met onze huidige levensstijl van doen heeft.

De adventstijd is daarom aan de ene kant wel een vreugdevolle tijd, een tijd van uitzien naar het naderende kerstfeest, gezellig en dankbaar voor alles wat ons licht en warmte brengt in het leven, maar de adventstijd is ook doortrokken van een oproep tot bezinning. De advent roept ons ook op tot dat besef van: we zijn uiteindelijk wel echt onvolmaakte mensen. Vaak hebben we veel van het gebed laten liggen, zijn we geleidelijkaan minder tijd en aandacht gaan besteden aan die religieuze binnenkant van onze persoon en is daardoor God ook in ons leven een mindere rol gaan spelen.

Deze bezinning hebben we echt nodig, gewoon omdat dit een stuk realiteit is. De eerste lezing is daarom heel belangrijk om in alle eerlijkheid tot die zelf-reflectie te komen. De tekst van Jesaja verwoordt heel krachtig dat besef van eigen onvolmaaktheid, dat besef van het geleidelijkaan afgedreven zijn van de dingen van God:: “Wij allen waren als onreinen, onze goede werken als kleding door stonden bevuild; als bladeren zijn we afgevallen en de wind van onze zonden heeft ons meegevoerd. Niemand die er aan dacht uw Naam aan te roepen, die op U zijn vertrouwen durfde stellen: Gij had immers uw aangezicht van ons afgewend en Gij had ons prijsgegeven aan onze zonden.”

Zelf-reflectie is wezenlijk om te kunnen komen tot innerlijke groei, tot ontwikkeling van visie en tot een steeds sterkere manier van omgaan met de uitdagingen van het leven, en met de taken die wij krijgen toevertrouwd. Zelf-reflectie ziet de eigen tekortkomingen onder ogen, maar het krachtige van ons geloof is dat die zelf-reflectie steeds weer kan steunen op het besef van Gods erbarmen. Ook dit is heel duidelijk in die eerste lezing van Jesaja. De profeet roept Israël op tot zelf-reflecie maar weet dat Gods Geest hem ook de barmhartigheid van God doet verkondigen. Gods vergeving naar ons mensen toe, wanneer wij oprecht ons weer tot God keren, is een houvast en zekerheid van het geloof. Daarom roept Jesaja met gelovige hoop tot God: “Toch zijt Gij, Heer, onze Vader; wij zijn de klei, Gij de boetseerder: wij zijn slechts het werk van uw handen. Blijf niet eindeloos op ons vertoornd, Heer, en wil onze ongerechtigheid niet voor altijd indachtig zijn: zie op ons neer: wij zijn uw volk!”

Laten we in deze adventstijd naast de gezellige dingen ook tijd en aandacht vrij maken voor bezinning en voor het weer versterken van onze religieuze binnenkant. De coronapandemie heeft ons allen bewust gemaakt van hoeveel van wat wij doen en belangrijk vinden, eigenlijk maar heel relatief is. Hoe snel is in maart en april een totale wereldbevolking, ja elke samenleving van Afrika, Azië, Noord en Zuid –Amerika, Europa en Oceanië totaal ontregeld en ontredderd geraakt. We hebben oudere mensen zien vereenzamen omdat ze als risicogroep plotseling geen contact meer mochten hebben met hun kleinkinderen en andere familieleden. We hebben dingen meegemaakt die we nooit hebben gekend, zoals met maar tien mensen aanwezig zijn bij een uitvaart, zonder brasa’s, zoveel familieleden die machteloos slechts via de video-call afstand afscheid moesten nemen van hun geliefde vader, moeder, kind, zus of broer, of opa of oma. Laten wij de wake-up call verstaan van dit alles.

Tegen dit alles overwegen wij wat Jezus tot ons zegt op deze eerste adventszondag: “Weest dus waakzaam, want gij weet niet wanneer de heer des huizes komt, ‘s avonds laat of midden in de nacht, bij het hanengekraai of ‘s morgens vroeg. Als hij onverwachts komt laat hij u dan niet slapend vinden. En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen: weest waakzaam!”



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: