Broko wagi

In bijna elke woonwijk is hij te vinden: de kleine monteur. Een ondernemer in de openlucht, een kunstenaar van de steeksleutel, een kampioen in het demonteren van auto’s waarvan niemand ooit meer heeft gezien dat ze ook weer werden gemonteerd.

Wat begint met een bescheiden reparatie van een kapotte auto, groeit al snel uit tot een permanent openluchtmuseum voor autowrakken. Een trottoir dat oorspronkelijk bedoeld was voor voetgangers verandert geleidelijk in een opslagplaats van voertuigen zonder kenteken, zonder ramen, zonder motor en soms zelfs zonder uitzicht op herstel. Sommige auto’s lijken zo vergroeid met de omgeving dat de buurtkinderen aannemen dat ze deel uitmaken van het straatbeeld. Menig wrak heeft inmiddels meer verjaardagen meegemaakt dan de nieuwste buurjongen.

De trottoirs verdwijnen onder bumpers, motorkappen en versnellingsbakken. Voetgangers mogen creatief zijn en uitwijken naar de rijweg. Kennelijk is wandelen tegenwoordig een extreme sport.

Maar het wordt pas echt gezellig wanneer de monteur bezoek krijgt. Dan verschijnt een stoet van vrienden, klanten, neven, achterneven en vermoedelijk ook enkele mensen die toevallig langsliepen ( oftewel de boroman) en dachten dat er een feestje was. Hun voertuigen worden geparkeerd volgens een revolutionair verkeerssysteem: waar ruimte lijkt te zijn, wordt geparkeerd. En als er geen ruimte is, dan wordt die gewoon gemaakt, liefst voor de poort van de buurman.

De buurman die voorzichtig opmerkt dat hij graag zijn erf zou willen verlaten, maakt vervolgens kennis met een andere specialiteit van de straatgarage: de onmiddellijke verbale escalatie. Een simpele opmerking over parkeren kan binnen enkele seconden uitmonden in een debat op olympisch niveau, compleet met handgebaren, stemverheffing en een publiek uit de hele straat.

Het meest opmerkelijke is echter niet de monteur, maar de overheid. Die heeft van deze situatie een ware filosofische kwestie gemaakt. Men kijkt ernaar, men weet ervan, men spreekt er soms over, maar handelen zou te veel lijken op daadwerkelijk bestuur. Vergunningseisen, bestemmingsplannen en verordeningen lijken vooral bedoeld om in archiefkasten stof te verzamelen. De zo geroemde buurtmanagers zijn in geen velden of wegen te bekennen. Om naar niet te spreken over de poltiek benoemde in kaki wandelende bestuursopzichters.

Het is natuurlijk begrijpelijk dat mensen hun brood moeten verdienen. Niet iedere monteur kan zich een volledig uitgeruste werkplaats permitteren. Maar tussen een bescheiden reparatie op eigen terrein en een complete autosloperij midden in een woonwijk ligt toch een wereld van verschil.

Misschien moeten we eens nadenken over werkbare oplossingen. De districtscommissaris en de overheid zouden bijvoorbeeld kleine bedrijfszones kunnen aanwijzen waar monteurs tegen een redelijke vergoeding een werkplek kunnen huren. Er zouden duidelijke regels kunnen komen over het aantal voertuigen dat op een woonerf mag staan, hoe lang een auto gerepareerd mag worden en hoeveel openbare ruimte daarvoor gebruikt mag worden. Handhaving zou daarbij geen luxe zijn maar een noodzaak.

En eerlijk gezegd: het liefst zou grootschalig autosleutelen in woonwijken gewoon verboden moeten worden. Een woonwijk is bedoeld om in te wonen. Om kinderen veilig te laten spelen, ouderen rustig te laten wandelen en buren vreedzaam naast elkaar te laten leven. Niet om dagelijks te functioneren als een geïmproviseerde garage met onbeperkte opslagcapaciteit.

Tot die tijd blijven we geduldig wachten op de wederopstanding van de auto’s die al jaren op het trottoir staan. Sommige bewoners geloven inmiddels zelfs dat zij eerder zullen worden opgenomen in de hemel dan dat die voertuigen ooit nog zelfstandig van hun plek vertrekken.



Categorieën:geloof en leven

Plaats een reactie