Achtergrond van de eerste lezing (Handelingen der Apostelen 10: 34a.37-43)
In de eerste lezing luisteren wij naar een preek van Petrus over de verrijzenis van Jezus. Deze preek zal Petrus talloze keren hebben verkondigd in de loop der jaren en is opgetekend door Lukas in het werk “de Handelingen der Apostelen”. In deze preek spreekt Petrus over Jezus’ leven, kruisdood en verrijzenis. Petrus getuigt ervan dat de verrezen Heer de kracht geeft aan de jonge Kerk, om onder leiding van de apostelen het evangelie van Jezus te verspreiden. Petrus spreekt in deze preek ook over Jezus’ nabijheid in de levens van allen die in het doopsel, in gebed en in de andere sacramenten Jezus belijden als Heer en Hem volgen.
Eerste lezing: Handelingen der Apostelen 10: 34a.37-43
In die tijd nam Petrus het woord en sprak: “Gij weet wat er overal in Judea gebeurd is: hoe Jezus van Nazaret zijn optreden begon in Galilea na het doopsel dat Johannes predikte, en hoe God Hem gezalfd heeft met de heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas allen die onder de dwingelandij van de duivel stonden, want God was met Hem. En wij getuigen van alles wat Hij in het land van de Joden en in Jeruzalem gedaan heeft. Hem hebben ze aan het kruishout geslagen en vermoord. God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen, niet aan het hele volk maar aan de getuigen die door God tevoren waren uitgekozen, aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan. Hij gaf ons de opdracht aan het volk te prediken, en te getuigen dat Hij de door God aangestelde rechter is over de levenden en de doden. Van Hem leggen alle profeten het getuigenis af, dat ieder die in Hem gelooft door zijn Naam vergiffenis van zonden verkrijgt”.
Tussenzang: Psalm 118
Refrein: Dit is de dag die de heer heeft gemaakt: we zullen hem vieren in blijdschap.
1. Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig,
eindeloos is Zijn erbarmen!
Stammen van Israël, dankt de Heer,
eindeloos is Zijn erbarmen!
2. De Heer greep in met krachtige hand,
de hand van de Heer heeft mij opgericht.
Ik zal niet sterven maar blijven leven
en alom verhalen het werk van de Heer.
3. De steen die de bouwers hebben versmaad,
die is tot Hoeksteen geworden.
Het is de Heer, die dit heeft gedaan,
een wonder voor onze ogen.
Achtergrond van de tweede lezing (Kolossenzen 3: 1-4)
Voor de apostel Paulus is zijn geloof in de verrezen Christus de kracht van zijn leven geworden. Paulus had vroeger de jonge Kerk vervolgd. Hij meende dat zij een valse profeet volgden, tot hij zelf in een visioen een aangrijpende ervaring had beleefd van de grenzeloze liefde van Christus, God Zoon en Messias. Die religieuze ervaring werd het begin van een nieuw leven voor Paulus. Wij horen in de tweede lezing een hele persoonlijke oproep van Paulus tot geloof en overgave aan Jezus, de levende verrezen Heer.
Tweede lezing: Tweede lezing: Kolossenzen 3: 1-4
Broeders en zusters, als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse. Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God. Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.
Achtergrond van de evangelielezing: (Johannes 20: 1-9)
We lezen elk jaar op Paasmorgen uit het evangelie van Johannes, omdat hij er zelf bij was geweest. Johannes is zelf de leerling waarnaar hij verwijst met de uitdrukking: “de andere, de door Jezus beminde leerling”. Aan de ene kant wilt Johannes niet zijn eigen naam noemen in het evangelie, omdat alles om Jezus, Gods Zoon, gaat. Maar ook wilt Johannes steeds weer zeggen dat een ieder die gelooft in Jezus, een ieder die werkelijk door doopsel, gebed en geloof, met Jezus verbonden is, ook “een door Jezus beminde leerling” is. Dat zien we ook weer terug in dat zinnetje aan het einde van deze evangelielezing: “hij zag en geloofde”. Dit is waartoe Johannes zoveel mogelijk mensen wilt brengen: zien en geloven, en zo ‘een door Jezus beminde leerling’ worden. En in Jezus eeuwig leven, kracht en inspiratie vinden. Dit zal met vallen en opstaan gaan, want we zijn allen maar onvolmaakte mensen. Maar daar ligt wel de kern van de verkondiging van het evangelie.
Evangelie: Johannes 20: 1-9
Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena vroeg in de morgen – het was nog donker- bij het graf en zag dat de steen van het graf was weggerold. Zij liep snel naar Simon Petrus en naar de andere, de door Jezus beminde leerling en zei tot hen: “Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.” Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. Ze liepen samen vlug voort, maar die andere leerling snelde Petrus vooruit en kwam het eerst bij het graf aan. Voorover bukkend zag hij de zwachtels liggen maar hij ging niet naar binnen. Simon Petrus die hem volgde kwam ook bij het graf en trad wel binnen. Hij zag dat de zwachtels er lagen, maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats. Toen ging ook de andere leerling die het eerst bij het graf was aangekomen naar binnen; hij zag en geloofde want zij hadden nog niet begrepen hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.
Overweging:
Ik zou deze overweging voor Pasen dit thema willen meegeven: “Van verwarring naar verrijzenis”.
Het is nog donker wanneer Maria Magdalena naar het graf gaat. Het evangelie van deze Paasmorgen begint niet met licht, begint niet met vreugde, maar begint met duisternis, met verwarring en gemis. Dat maakt het zo herkenbaar. Want ook onze wereld lijkt vandaag gehuld in een soort morele en geestelijke duisternis. Het nieuws uit het Midden-Oosten en andere conflictgebieden laat zien hoe spanningen steeds verder escaleren, hoe geweld zich opstapelt, hoe woorden als “vrede” en “verzoening” soms verdacht of zelfs politiek beladen klinken. Alsof het verlangen naar vrede zelf onder vuur ligt. In die werkelijkheid wijst het Paasevangelie een weg, maar wel een weg die begint in verwarring.
Maria Magdalena staat voor het lege graf en is in feite in paniek. Haar eerste reactie is niet geloof maar angst: “Ze hebben de Heer uit het graf weggenomen.” Haar wereld is opnieuw ingestort. Alles wat zij van de Heer in de afgelopen tijd had ontvangen – waardigheid, hoop, een nieuw begin – lijkt haar weer ontnomen. Het is de ervaring van iemand die diep heeft liefgehad en nu opnieuw geconfronteerd wordt met leegte.
Misschien herkennen wij iets van haar. Ook wij kunnen kijken naar de wereld, naar de escalerende oorlogen, de beelden op het nieuws die steeds grimmiger worden. Zoveel wordt kapot gebombardeerd, zoveel menselijke ellende. Sommigen denken nu misschien: waar is God? Waar is gerechtigheid? Hoe wordt zoveel weggenomen?
Terug naar het evangelie. Petrus en Johannes horen over het lege graf en komen gelijk in beweging. Beide zijn apostelen maar het zijn twee mannen die veel in leeftijd van elkaar verschillen en die in feite twee verschillende geschiedenissen hebben, twee verschillende innerlijke werelden.
Petrus draagt de last van zijn verloochening. Hij weet dat hij gefaald heeft op het moment dat het erop aankwam. Zijn leiderschap, zijn geloofwaardigheid – alles lijkt beschadigd. En toch gaat hij naar het graf. Misschien aarzelend, zeer zeker verscheurd van schaamte, maar hij gaat. Dat alleen al is genade: dat hij niet wegvlucht van de plek waar zijn pijn en zijn hoop samenkomen.
Johannes, de andere leerling, loopt sneller, want hij is een heel stuk jonger dan Petrus. Hij komt als eerste bij het graf, maar wacht. Uit respect voor Petrus. Uit liefde. Hij laat Petrus voorgaan. En dan, wanneer hij zelf binnengaat, staat er dat kleine, maar zo diepe zinnetje: “Hij zag en geloofde.”
Maria Magdalena, Petrus en Johannes: drie mensen en drie verschillende wegen. Geen van hen begrijpt het volledig. Zelfs Johannes, die gelooft, doorgrondt nog niet wat er gebeurd is. De verrijzenis openbaart zich niet als een plotselinge zekerheid, maar als een proces: een proces van zien, van zoeken, van groeien in vertrouwen.
Dat is misschien wel de eerste Paasboodschap voor ons vandaag: God begint iets nieuws, juist midden in onze verwarring. Niet nadat alles helder is, niet nadat wij alles begrijpen, maar terwijl wij nog zoeken, nog twijfelen, nog gewond zijn.
In de eerste lezing uit Handelingen horen we Petrus een tijd later spreken als een andere mens: iemand die door zijn eigen falen heen is gegaan en nu getuigt van Jezus, “die rondging: weldoende en genezend.” Petrus spreekt over vrede – niet als een politieke slogan, maar als een gave van God, als een werkelijkheid die begonnen is in Jezus. Dat is het keerpunt: vrede is geen ideologie en geen strategie. Vrede is een vrucht van de verrijzenis. Zij komt voort uit het feit dat de dood niet het laatste woord heeft, dat haat niet definitief overwint, dat God zelf de cirkel van geweld doorbreekt.
En toch… hoe moeilijk is het om dat vandaag te geloven. Wanneer we beelden zien van oorlog, van onschuldige slachtoffers, van verharde standpunten, van tot puin gebombardeerde gebouwen met huilende mensen rond gesneuvelde geliefden en ziekenhuisbedden met gewonde, bloedende kleine kinderen: dan kan het spreken over vrede bijna naïef lijken. Alsof het niet meer past in de harde realiteit van geopolitiek en macht.
Maar juist daar ligt onze roeping als mensen van Pasen. Wij zijn niet geroepen om de wereldpolitiek op eigen kracht te veranderen. Maar wij zijn wél geroepen om in onze eigen kring dragers te zijn van die andere werkelijkheid die met Pasen begonnen is. Om mensen te zijn die zoals Petrus ondanks hun eigen gebrokenheid toch opstaan en getuigen. Om mensen te zijn die zoals Johannes leren zien met de ogen van het hart, en ruimte maken voor geloof. Om mensen te zijn die zoals Maria Magdalena blijven zoeken, ook wanneer alles donker lijkt.
Vrede begint zelden op het wereldtoneel, zij begint in het hart. In kleine keuzes. In woorden die niet verharden maar verbinden. In de bereidheid om te luisteren. In het weigeren om mee te gaan in cynische denkwijzen, vooroordelen of haat. Dat is de kracht van de verrijzenis die zich in het verborgene ontvouwt.
Pasen zegt ons: het nieuwe leven van God is al begonnen. Niet zichtbaar in overweldigende macht maar in stille tekenen: in een leeg graf, in een opgerolde zweetdoek, in een leerling die begint te geloven zonder alles te begrijpen.
Misschien is dat ook onze weg: niet alles begrijpen maar toch geloven dat God aan het werk is. Geloven dat liefde sterker is dan angst. Geloven dat vrede mogelijk blijft zelfs wanneer de wereld het tegendeel lijkt te bewijzen. En dan: vanuit dat geloof handelen. In ons gezin: door geduld, door vergeving, door aandacht. In ons werk: door integriteit, door respect en samenwerking. In onze samenleving: door dialoog te zoeken, door hoopvolle woorden te spreken, door niet toe te geven aan de verleiding van verdeeldheid. Zo worden wij, heel concreet, mensen van de verrijzenis.
De eerste Paasmorgen begon in duisternis, maar eindigde niet in duisternis: er kwam beweging, er kwam zoeken, er kwam geloof. En uiteindelijk kwam er een ontmoeting met de Levende. Dat is ook onze hoop: dat wij, midden in een wereld vol spanningen en onzekerheid, stap voor stap mogen groeien van verwarring naar vertrouwen. Dat wij mogen ontdekken dat God iets nieuws begonnen is – niet alleen toen, maar ook nu. En dat wij, hoe klein ook, deel mogen zijn van dat nieuwe begin.
Christus is verrezen. Hij leeft. En in Hem is vrede geen illusie, maar een belofte. Maar de levende Heer zoekt naar handen en harten die Zijn belofte van vrede dragen: “van verwarring naar verrijzenis”. Een zalig Pasen!
Pasen is een feest van hoop. Dit komt tot uitdrukking vooral in de liturgie van de Paaswake. De Paaswake begint in het donker. De duisternis in het kerkgebouw spreekt dan tot ons over een wereld zonder hoop, een universum zonder verlossing, over een wereld zonder Gods reddend ingrijpen. In dat duister wordt dan een vuur gewijd, toegewijd aan God wiens liefde net als dat vuur altijd zal blijven branden. Dan wordt vanaf dat vuur de paaskaars aangestoken en de kerk ingedragen, en dan wordt tot driemaal toe gezongen: “Lumen Christi”, “Licht van Christus”. En dan licht van de paaskaars wordt door iedereen doorgegeven totdat de kerk een zee van lichtjes is.
Dit is de kern van Pasen: het licht verdrijft de duisternis. We vieren de verrijzenis van Jezus en daarmee, ons geloof in het eeuwig leven. We vieren met Pasen dat de dood niet het einde is, maar dat er een nieuw toekomst zal komen. Waarom? Omdat het kruis overwinning en verlossing is! Omdat het kruis het begin is van de overwinning op de machten van het kwaad, dat de wereld en de mensheid in zijn greep houdt. Pasen is en zal altijd zijn: een verhaal van hoop en vertrouwen in de kracht van Gods liefde.
Er is veel in ons leven, in onze Surinaamse samenleving en in de wereld, dat ons soms somber stemt. Het hardnekkige van de corruptie en de zelfverrijking van de machtigen en van vele politici, maakt heel veel mensen vaak moedeloos. Maar ook het lijden van een zorgzame moeder of van een hardwerkende broer met kleine kinderen, komt heel hard aan. Iedere mens voelt soms twijfels in zijn of haar hart. Er is nooit altijd hetzelfde gevoel van zekerheid.
Maar met Pasen vieren wij iets dat eigenlijk ons menselijk begrijpen te boven gaat en dat heel diep vervat ligt in de woorden van Jezus: “Want Ik leef, en ook gij zult leven” (Joh. 14:19). Op die eerste Goede Vrijdag tweeduizend jaar geleden, had het geleken of ook Jezus, deze uitzonderlijke mens die zoveel inspiratie had opgewekt in de harten van zovele mensen om Hem heen, ten onder was gegaan in geweld, door de macht van de hogepriesters en de Romeinen en door het kwaad van de wereld. Toen leken degenen gelijk te hebben die sarcastisch zijn en die het geloof in God bespotten. Maar op de derde dag begon iets duidelijk te worden: eerst heel aarzelend, maar toen met het verloop van de daarop volgende dagen, weken en maanden, steeds helderder: “Want Ik leef en ook gij zult leven”.
Ik wil u daarom met Pasen allen oproepen om niet toe te geven aan de machten van het duister die aan ons trekken. Ik zie de machten van het duister in ruzies en bitterheid, in het kwetsen van een medemens gewoon omdat je sterker bent of in de positie bent om met die andere mens iets te kunnen doen wat je voor jezelf nooit zou willen. Ik zie de machten van het duister aan het werk in de groeiende corruptie zowel hier in Suriname en als overal in de wijde wereld: de corruptie die probeert te verbergen dat het gaat om eigen verrijking, om eigen macht en invloed, en die goedpraat wat niet overeenkomt met waarachtigheid en waarheid, en die zwak bestuur en maatschappelijke stagnatie veroorzaakt. Ik zie de machten van het duister ook in het grote aantal abortussen die ook in Suriname een eind maakt aan zovele ongeboren mensenlevens.
Maar ondanks dat alles is Pasen een feest van verrijzenis, van het licht en van de hoop. Pasen is ervoor kiezen Jezus te volgen op Zijn weg van het duister naar het licht. Pasen is ervoor kiezen ook het duister in jezelf om te vormen door het licht van Gods verrijzenis. Pasen is de kracht van het gebed ervaren en daar steeds weer de hoop in vinden die je helpt opstaan uit de duister van ontmoediging, zonde of pijn, omdat je weet: “De Heer is mijn Herder en mij ontbreekt niets!”
Ik wens u allen en heel de Surinaamse samenleving daarom een zalig Pasen toe. De onoverwinnelijke kracht van het goede van God, van het zuivere van God, moge ons een nieuwe toekomst geven. Moge Hij ook over ons geliefde Suriname en over elk van u de genade en het licht van Pasen uitstorten.
Zalig Pasen.
Categorieën:geloof en leven
Plaats een reactie