Commentaar op de Lezingen van de 5e Zondag van de Veertigdagentijd (Jaar C) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 43: 16-21)

“Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?” Door de profetische woorden van Jesaja spreekt God tot de Israëlieten over hoop, geloof en vertrouwen. De profeet had vaak en heel helder het volk aangesproken op hun onrecht, hun onoprechtheid en hun veelvuldig overtreden van Gods geboden en normen. Maar nu kondigt God Zijn barmhartigheid en mededogen aan. Hij zal iets nieuws beginnen, vergeving schenken en niet meer acht slaan op het negatieve dat er geweest is. God gedenkt Zijn liefde voor Israël en biedt hen een nieuwe start aan.

Eerste lezing: Jesaja 43: 16-21

Zo spreekt de Heer, die door de zee een weg legt, een baan door de onstuimige golven; en die wagen en paard daarover laat gaan, leger en strijdmacht, gesloten aaneen, maar dan gaan ze rusten, staan niet meer op, uitgeblust zijn ze, uitgedoofd als een vlaspit. Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet? Een weg leg Ik door de steppe, rivieren laat Ik stromen door de woestijn. De wilde dieren zullen ontzag voor Mij hebben, de jakhalzen en de struisvogels; want door de steppe laat Ik beken stromen, rivieren door de woestijn, zodat mijn uitverkoren volk zich kan laven: en dit volk dat Ik Mij gevormd heb zal mijn lof verkondigen!

Tussenzang:  Psalm 126

Refrein: Geweldig was het wat de Heer ons deed, daarom zijn wij zo blij.

De Heer bracht Sions ballingen terug: het was alsof wij droomden. Toen lachten alle monden en juichte elke tong.

Toen zei men bij de volken: ‘Geweldig is het wat de Heer hen deed’. Geweldig was het wat de Heer ons deed, daarom zijn wij zo blij.

Keer nu ons lot ten goede, Heer, zoals een beek doet in de Zuid-woestijn. Die onder tranen zaaien, zij oogsten met gejuich.

Vol zorgen gaan zij uit, met zaaizakken beladen; Maar keren zingend weer, beladen met hun schoven.

Achtergrond van de tweede lezing (Filippenzen 3: 8-14)

Paulus geeft de gelovigen van de kerkgemeenschap te Filippi een ontroerend getuigenis van zijn liefde voor Christus. Paulus heeft alles wat hem eens voornaam en gerespecteerd had gemaakt in de Joodse samenleving opgegeven om Christus te volgen. Sinds zijn bekering, heeft Paulus zich gegrepen gevoeld door de Heer en heeft hij alles gedaan om Christus steeds meer te kennen en het evangelie te verkondigen. Hij ziet in tegenslagen en beproevingen kansen om nog inniger met Christus verbonden te zijn en op die momenten één te zijn met Christus’ lijden.

Tweede lezing: Filippenzen 3: 8-14

Broeders en zusters, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Christus heb ik alles prijsgegeven en houd ik alles voor afval als het er om gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem. Ik heb geen eigen gerechtigheid op grond van de wet; mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus,  ze is een gave van God en steunt op het geloof. Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt. Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus. Nee, vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn. Alleen dit: ik vergeet wat achter me ligt, ik reik naar wat voor me ligt ik storm af op het doel: de prijs van Gods heerlijke roeping.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Johannes 8: 1-11)

De Farizeeën en schrifgeleerden willen Jezus in een strik vangen. In de Wet van Mozes wordt bij bewezen overspel de doodstraf door steniging geëist. Zie staat er bijvoorbeeld in Leviticus 20:10: “Hij die overspel pleegt met de vrouw van een ander, de vrouw van zijn naaste, moet ter dood worden gebracht, hijzelf en de vrouw met wie hij overspel heeft gepleegd”. Maar de Romeinen hadden bij wet de Joden verboden om elke vorm van doodstraf uit te voeren. Dat was alleen voorbehouden aan het Romeins gezag. Toch werden er geregeld illegaal mensen gestenigd in Israël, zoals een paar jaren de diaken Stefanus gestenigd zal worden. De Farizeeën denken dus een kans te hebben gevonden om Jezus in de val te lokken. Als Hij zal opkomen voor de Joodse Wet van Mozes, uitgaande van het principe dat die boven de Romeinse wetten staat, dan kunnen zij gelijk Jezus bij de Romeinse overheid gaan beschuldigen als iemand die het volk opzet te doen wat de Romeinen bij wet verboden hebben. Maar als Hij aangeeft haar niet te stenigen, kunnen ze Hem bij de Joodse bevolking ervan beschuldigen dat Hij de Wet van Mozes ontrouw is en aan een kant zet, en dus onmogelijk de Messias kan zijn. Maar Jezus laat zich niet vangen, integendeel, Hij maakt het gebeuren tot een moment van diepe inzichten voor eenieder die zich daarvoor openstelt.

Evangelie: Johannes 8: 1-11

In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg. ’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: “Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?” Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen zij bij Hem aanhielden met vragen richtte Hij zich op en zei tot hen: “Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen”. Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw die daar was blijven staan. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: “Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?” Zij antwoordde: “Niemand, Heer”. Toen zei Jezus tot haar: “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer”.

Overweging:

In zekere zin zijn wij allemaal vertegenwoordigd in deze vrouw van het evangelie. Zij was zeer zeker niet onschuldig. Zij was op heterdaad betrapt op overspel. Zij en de man waarmee zij betrapt was, waren verstrikt geraakt in een situatie waar zij beiden schuldig waren geworden, waar zij beiden verantwoordelijk waren voor wat zij door hun handelen aandeden aan die andere getrouwde vrouw. En waarschijnlijk waren er in dat huwelijk ook kinderen, verwachtingen en een vertrouwd gezinsleven: zoveel werd door dit overspel geschonden, misschien onherstelbaar beschadigd. Hoe zal het begonnen zijn? Waar groeiden de eerste gevoelens van nieuwgierigheid uit tot een tintelende spanning tussen deze twee, om daarna nog verder uit te groeien tot een aantrekking en een zich onverantwoord daarvoor openstellen? Hoe zou het begonnen zijn: van een eerste gewaarwording van wat mogelijk lijkt te zijn maar niet mag, tot het punt waarop twee mensen verwikkeld waren geraakt in een kwalijke situatie, elk door een eigen aandeel, elk door een eigen schuld.

Zo zijn wij allemaal als mensen: er is een kant aan ons menszijn dat ons in verschillende richtingen trekt. Naast onze goede kanten is er ook een stukje onverschilligheid in ons dat in sommige omstandigheden aan ons trekt en dan niet wil weten van consequenties en gevolgen. Er is altijd de verleiding om van de waarden die wij voor ons leven houden, er in de loop der jaren toch steeds weer wat vanaf te knabbelen. De mens is een paradox: dat wil zeggen dat er tegelijkertijd realiteiten zijn of kunnen zijn, die elkaars tegenovergestelde zijn. We kunnen zorgzaam zijn en in een andere setting hard, veroordelend en aggressief. We kunnen op bepaalde momenten ons gelovig voelen en diep overtuigd van Gods liefde, en kort erop erg verveeld, innerlijk leeg en open zijn voor oppervlakkige verstrooiingen. Er is een deel in ons dat vrijgevig en meelevend is, terwijl we in iets andere settings jaloers en dominant anderen naar onze hand kunnen zetten. We kunnen betrokken zijn in corruptie of fraude en toch thuis vóór het eten bidden en goed zorgen voor de ouder wordende vader.

Dit zijn voorbeelden van een diepe paradox die ons mensen eigen is. Het is deel van wat we in de traditie van ons Christelijk geloof, de erfzonde noemen. Deze paradox is een moeilijke realiteit in iedere mens. Het opent ons voor verleidingen en verkeerd gedrag. Het kan maken dat wij niet voldoende uitgroeien tot die versie van onszelf die we misschien ook zouden willen zijn.

Jezus is helder dat wat moreel fout is en wat tegen de waarden en normen ingaat die God ons aanreikt, voor Hem onaanvaardbaar is en niet mag worden goedgepraat. Zij woorden tegen de vrouw: “maar zondig van nu af niet meer”¸ geven aan dat de nieuwe kans die Hij haar geeft, moet worden ingevuld met een wijze van leven waar die vorige zonde van overspel niet meer in voor zal komen, vanuit een besef dat dat kwaad was.

De Farizeeën hadden gehoopt Jezus in een moeilijke situatie te vangen. Maar Jezus doorziet hun sluwheid en antwoordt: “Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen”. Hij wijst de Farizeeën en alle omstanders op die diepe paradox van het mensenbestaan: goed en kwaad zijn tegelijkertijd deel van ons innerlijk leven. En deze onvolmaaktheid brengt verwijdering tussen de mens en God. Daarom herinnert Jezus ons eraan dat wij allen Gods vergeving nodig hebben, omdat de gevolgen van deze onoplosbare paradox in elk mensenleven spelen, bij de één weer anders dan bij de andere, maar niemand is vrij van de erfzonde.

Voor Jezus is de belangrijkste werkelijkheid die van Gods barmhartigheid. Hij kent en leeft vanuit het mededogen van de Vader, die blijft zoeken naar wegen van herstel van wat onder de mensen kapot gaat, naar verzoening en naar wegen van hoop. Daarom buigt Jezus zich voorover en laat zich niet meeslepen in de sluwheid van de Farizeeën en Schriftgeleerden, die deze vrouw misbruiken om te proberen Jezus vast te zetten en uit te schakelen.

Dit is reeds het “uur” van de verlossing. Wat Jezus hier zegt tot de omstanders en de barmhartigheid die Hij de vrouw betoont, zijn voortekenen van die ongekende liefde van het kruis. Het kruisoffer verlost de mensheid van het kwade en de zonde, en maakt het goede mogelijk: “Ook Ik veroordeel je niet. Ga heen, maar zondig van nu af niet meer”.

Wij weten niet of die vrouw de uitnodiging van Jezus en Zijn aanbod van een nieuwe hoop en levensverandering heeft aangegrepen. Maar dat is niet wat nu belangrijk is. Wat vooral belangrijk is, is de vraag wat elk van ons met die uitnodiging, met dat aanbod, doet. Om die vraag gaat het in de Goede Week. Laten we de komende dagen nadenken over de strikken van het kwaad waarin de vrouw in het evangelie van deze zondag verstrikt was geraakt. Dit raakt elk van ons, en ook heel de mensheid. Laten wij vooral ook mediteren over Jezus’ liefde en mededogen. In Zijn woorden: “Ook ik veroordeel u niet. Ga heen, maar zondig van nu af niet meer”, liggen al de kiemen van de verrijzenis, de kiemen van Pasen, en van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die er eens zullen zijn. In die woorden horen we van een onvoorwaardelijke barmhartigheid die ons verlost en ons aanbiedt om herboren te worden tot nieuw leven, tot liefde, tot een andere manier van zijn. In de eerste lezing sprak God al tot ons door de profeet jesaja: “Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?” En in het Boek der Openbaring, helemaal aan het einde van de Bijbel, zegt de Heer: “Zie, Ik maak alles nieuw! Al het oude is voorbij!” Dat is de kern van wat er in het evangelie van deze zondag en in de komende Goede Week en Pasen gebeurt. Laten wij ons denken en handelen, onze waarden en onze wijze van in het leven staan, laten omvormen door die ongekende goedheid en liefde van God!



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Plaats een reactie