Commentaar op de Lezingen van de 3e Zondag van de Veertigdagentijd (Jaar B) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Exodus 20: 1-17)

Het hoogtepunt van het boek Exodus, het tweede boek van het Oude Testament, is het verbond op de berg Sinaï. God bevrijdt met machtige wonderen de Hebreeuwse slaven uit de slavernij van Egypte. Hij leidt ze dan door de hand van Mozes naar de heilige berg Sinaï, ook genoemd de berg Horeb. Daar sluit God een verbond met Israël. De tien geboden vormen het hart van dat verbond. Het gaat bij de tien geboden om de liefde: zowel de liefde van de mens voor God en van God voor de mens, alsook de liefde voor de naaste.

Eerste lezing: Exodus 20: 1-17

In die dagen sprak God al de woorden die hier volgen. “Ik ben de Heer uw God die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Gij zult geen andere goden hebben ten koste van mij. Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op aarde of in de wateren onder de aarde. Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen; want ik, de Heer uw God, ik ben voor hen die mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen tot het derde en vierde geslacht, maar voor hen die mij liefhebben en mijn geboden onderhouden een God die goedheid bewijst tot aan het duizendste geslacht.

“Gij zult de naam van de Heer uw God niet lichtvaardig gebruiken; want de Heer laat hen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft. Denk aan de sabbat: die moet heilig voor u zijn. Zes dagen zult gij werken en alle arbeid verrichten. Maar de zevende dag is de sabbat voor de Heer uw God. Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten: gij zelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, zelfs niet de vreemdeling die bij u woont. In zes dagen immers heeft de Heer de hemel, de aarde, de zee met al wat er in is gemaakt. Maar de zevende dag heeft hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt.

“Eer uw vader en uw moeder. Dan zult gij lang leven op de grond die de Heer uw God u schenkt. Gij zult niet doden. Gij zult geen echtbreuk plegen. Gij zult niet stelen.  Gij zult tegen uw naaste niet leugenachtig getuigen. Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort.”

Tussenzang:  Psalm 19

REFREIN: HEER, UW WOORDEN ZIJN WOORDEN VAN EEUWIG LEVEN.

1. De wet van de Heer is volkomen,

zij sterkt de onzekere geest.

Zijn voorschriften zijn betrouwbaar,

onwetenden maken zij wijs.

2. Rechtmatig zijn al Zijn bevelen,

bevredigend voor het gemoed.

Glashelder zijn Zijn geboden,

zij zijn een licht voor het oog.

3. Het Woord van de Heer is eerlijk,

het blijft in eeuwigheid waar.

Zijn uitspraken zijn waarachtig,

rechtvaardig in iedere zaak.

Achtergrond van de tweede lezing (1 Korintiërs 1: 22-25)

Aan het begin van de eerste brief van de apostel Paulus aan de gelovigen te Korinte, benadrukt hij hoezeer het kruis het meest centrale gebeuren is van alles wat God heeft gedaan om ons te verlossen van onze zonden en van de macht van het kwaad. Op het kruis heeft Jezus de Vader tot het uiterste lief en vervult Hij in alles de wil van de Vader. Maar ook ons heeft Hij tot het uiterste lief. Aan het kruis is er verzoening van onze zonden en herstel van door het kwaad kapot werd gemaakt. Het kruis is de goddelijke liefde en de wijsheid van God, die het allerliefste en allerbeste dat Hij heeft, namelijk Zijn eniggeboren Zoon, geeft om ons te verlossen.

Tweede lezing: 1 Korintiërs 1: 22-25

Broeders en zusters, Joden eisen wonderen, Grieken wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, , voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid; maar voor hen die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, is die Christus Gods kracht en Gods wijsheid. Want de dwaasheid van God is wijzer dan de mensen en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Johannes 2: 13-25)

Het gebeuren van Jezus die met een zweep de handelaren van offerdieren en de geldwisselaars met tafels en munten het tempelplein afjaagt, is de meesten van ons bekend. Het openbaart het goddelijke gezag van Jezus. Die macht is Hem door de Vader gegeven en berust in Zijn wezen als de eniggeboren Zoon. Maar de ware tempel is niet de stenen tempel, hoe prachtig die ook is. De ware en uiteindelijke tempel waar God onder de mensen woont, is Jezus zelf. Al zal de tempel van Zijn lichaam worden neergehaald in Zijn lijden en kruisdood, Jezus heeft van de Vader de macht gekregen om deze tempel te doen verrijzen uit de doden op de derde dag. Later dachten de leerlingen hier aan terug en het sterkte hun in hun geloof en in hun inzicht in wie Jezus is.

Evangelie: Johannes 2: 13-25

Toen het paasfeest der Joden nabij was ging Jezus op naar Jeruzalem. In de tempel trof Hij de verkopers aan van runderen, schapen en duiven en ook de geldwisselaars die daar zaten. Hij maakte van touwen een gesel, dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en de runderen; het kleingeld van de wisselaars veegde Hij van de tafels en Hij wierp die omver. En tot de duivenhandelaars zei Hij: “Weg met dit alles! Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal!” Zijn leerlingen herinnerden zich dat er geschreven staat: “De ijver voor Uw huis zal mij verteren”. De Joden richtten zich tot Hem met de woorden: “Wat voor teken kunt Gij ons laten zien dat Gij dit doen moogt?” Waarop Jezus hun antwoordde: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Maar de Joden merkten op: “Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd; zult Gij hem dan in drie dagen doen herrijzen?” Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam. Toen Hij dan ook verrezen was uit de doden herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden in de schrift en in het woord dat Jezus gesproken had. Terwijl Hij bij gelegenheid van het paasfeest in Jeruzalem was, begonnen er velen in zijn Naam te geloven bij het zien van de tekenen die Hij deed. Maar Jezus van zijn kant had geen vertrouwen in hen omdat Hij allen kende. Hij wist wat er in de mens stak en daarom was het niet nodig dat iemand Hem over de mens inlichtte.

Overweging:

De evangelist Johannes wilt ons brengen tot inzicht in wie Jezus is. Johannes wilt de lezers laten aanvoelen hoe Jezus ons openbaart wie God is en hoe de Vader verlangt naar ons. Johannes doet daarom iets opmerkelijks. Hij vertelt over het gebeuren op het tempelplein, toen Jezus met profetisch gezag de handelaars en geldwisselaars van het tempelplein wegjoeg om zo de heiligheid van de tempel en dat plein te herstellen voor Joden en niet-joodse bezoekers als een plek van gebed, van geloofsonderricht en van stille ontmoeting met God. Maar Johannes plaatst dit gebeuren helemaal aan het begin van het evangelie. Van Matteüs, Marcus en Lucas weten we dat dit ingrijpend moment plaatsvond in de laatste dagen van Jezus’ leven, toen de spanning en confrontatie met de hogepriesters en met andere leden van het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad, tot een gewelddadige climax begon te leiden. Maar de evangelist Johannes plaatst het aan het begin van Jezus’ openbaar leven, omdat hij met dit gebeuren rond Jezus aan elke lezer een belangrijke vraag stelt: wat betekent jouw geloof in God daadwerkelijk in je leven?

Hoeveel moeite doen wij om God te kennen en Hem met oprechte eerbied te dienen? Is er een passie in ons om Zijn Woord te lezen en er de diepe betekenis van te leren kennen? Laten we ons wel door Zijn Woord vormen? Putten we er kracht en levenswaarden uit? Of gaat het in ons leven toch teveel over onszelf? Vaak lijkt God meer een soort vage overtuiging en lijkt het geloof bij velen van ons in feite niet veel meer dan een identiteit die je nu eenmaal hebt meegekregen vanuit je familieachtergrond.

Jezus zag die dag daar op het tempelplein vele handelaars aan Joodse pelgrims die van verre gereisd hadden en een offer wilden brengen aan God, dieren ter verkoop aanbieden. Ook waren er geldwisselaars waar de pelgrims met hun verschillende buitenlandse munten, deze konden wisselen in de locale munteenheid. Het werd Jezus die dag te veel: alle geluiden van de dieren, het drukke onderhandelen over de prijs, het zaken doen en geld verdienen aan de hand van de religieuze gevoelens van pelgrims. Dat alles juist hier, op dit tempelplein, slechts een aantal meters verwijderd van de tempel die de meest heilige ontmoetingsplek moest zijn van God en de mens, een intens spirituele plek! Jezus werd woedend over zoveel oppervlakkigheid ten aanzien van het geloof in God. Hij drijft de handelaren, hun dieren, de geldwisselaars en hun tafels met een zweep weg van het tempelplein.

De Joden van Zijn tijd, net als wij in onze tijd, kenden natuurlijk in grote lijnen de tien geboden. De eerste drie geboden gaan over onze verhouding tot God. Die laatste zeven geboden echter, zijn de meeste bekende. Ze spreken over hoe wij om zouden moeten gaan met onze medemensen. Het zijn fundamentele richtlijnen voor een samenleving waar rechtvaardigheid, eerlijkheid en respect voor elkaar een duurzame basis vormen van de maatschappij: “Eer uw vader en uw moeder, Gij zult niet doden, Gij zult geen echtbreuk plegen, Gij zult niet stelen, Gij zult niet leugenachtig tegen uw naaste getuigen, Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste, noch op zijn vrouw of wat hem ook toebehoort”.

Die laatste zeven geboden zijn heel belangrijk. Maar de motor van die goede manier van met elkaar leven, weerspiegeld in die zeven geboden, zijn de eerste drie geboden. Die eerste drie geboden richten ons hart in geloof, eerbied en vroomheid op God. “Ik ben de Heer uw God die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij. Gij zult geen afgodenbeelden maken, u niet voor hen neerbuigen en goddelijke eer bewijzen, Gij zult de naam van de Heer uw God niet lichtvaardig gebruiken, Gedenk de sabbat, de Dag des heren: die moet heilig voor u zijn”.

De vraag is echter steeds weer: wat hebben we ervan terecht gebracht? Beleven wij iets van de passie voor God die uit deze eerste drie geboden spreekt?

Het gedrag van de handelaars en geldwisselaars daar op het tempelplein, dagen ons uit tot bezinning over ons eigen gedrag. Houden wij werkelijk van God boven alles? Dus boven alles en boven iedereen? Komt God op de eerste plaats in ons leven? Te vaak blijken er in werkelijkheid zoveel andere realiteiten te zijn, die als afgoden zijn waar wij teveel eer aan brengen, die wij teveel nalopen, en waar wij teveel mee bezig zijn in het echte leven: goden van rijkdom en succes op materieel vlak, sex, sport, politieke invloed. In het echte leven blijkt er in vergelijking met deze zaken eigenlijk maar weinig tijd, weinig aandacht en passie voor de dingen van God.

Iedere mens zou zich geregeld moeten afvragen: Waar geef ik echt mijn aandacht en tijd aan? Welke prioriteiten geef ik bij de besteding van mijn tijd, bij de besteding van mijn geld en mijn aandacht? Maak ik wel voldoende tijd en aandacht vrij voor God of krijgt Hij eigenlijk steeds maar de restjes van mijn tijd? Hou ik ook van God als de dingen tegenvallen, of als ik lijd onder een zware tegenslag of crisis die mijn vertrouwde routine overhoop haalt? Of als ik geconfronteerd word met moeilijke omstandigheden, blijf ik dan nog vertrouwen op God of geef ik Hem de schuld , maak ik Hem verwijten en raak nog meer verwijderd van het geloof? Koester ik dan in boosheid vragen of God me in de steek heeft gelaten, of niet luistert, of misschien wel helemaal niet bestaat?

Die laatste zeven geboden zijn veel gemakkelijker en vertrouwder, omdat we hun maatschappelijke relevantie heel helder aanvoelen. Maar die eerste drie geboden maken ons vaak wat onzeker of we staan maar heel oppervlakkig bij ze stil.

Heiligen wij bijvoorbeeld de Dag des Heren wel voldoende? Te vaak vinden we redenen om dat gewoon te laten liggen en doen we in feite geen moeite om die band met God te voeden en God op de zondag de eer te geven die God toekomt.

Er zijn vele vragen die we in zelfreflectie kunnen stellen. Wat Jezus op dat tempelplein ziet, grijpt Hem aan. Hun gedrag laat Hem zien dat voor vele van de handelaars en geldwisselaars, maar ook voor een deel van de andere aanwezigen, de band met God eigenlijk iets heeft van een vorm van handel: jij als mens doet van tijd tot tijd wat religieuze handelingen en meent dan dat we dan van God mogen verwachten dat Hij een aantal zaken doet voor ons. Voor Jezus is deze oppervlakkigheid onacceptabel. Met die zweep en de heilige toorn waarmee Hij alle handelaars van het tempelplein wegjaagt, roept Hij ook ons op tot reflectie en tot bekering. Hoe verhoud jij je tot God?

Laten wij in deze veertigdagentijd meer tijd maken en aandacht geven aan God: extra momenten van gebed, meer tijd maken voor de sacramenten, meer tijd voor de armen en sociaal-zwakkeren. Laten we onszelf er weer aan herinneren dat we bij alles wat we graag voor onszelf, voor onze geliefden en voor onze toekomst willen, wij er toch steeds in gedachten aan leren toevoegen: “Maar niet mijn wil maar Uw wil geschieden”. En leren we weer innerlijk te luisteren! Niet alleen gebeden opzeggen, maar ook innerlijk leren luisteren met een houding van: “Wat is Uw wil, Heer?”

Laat zo de tempel van ons hart niet een markthal zijn, een plaats waar materiële zaken, of onze mening, of ons denken feitelijk centraal staan. Maar laat ons hart steeds meer gevormd wordt door het geloof. Dat wij mensen worden die de diepe betekenis leren van Jezus’ woorden: “Uw wil geschiede op aarde”. Geloof krijgt dan handen en voeten in mijn dagelijks leven, in mijn keuzes en in mijn dagelijks handelen. En de band met God wordt dan iets dat steeds meer diepgang krijgt en dat is een van de meest belangrijke dingen voor iedere mens. Laten we ons door Jezus laten wakker schudden uit oppervlakkigheid en Hem volgen in Zijn passie voor de Vader.

a



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

1 reply

  1. Prachtige overweging, dank u pater Kross

    Like

Geef een reactie op Michael Reactie annuleren