Commentaar op de lezingen van de 2e Zondag van Pasen 2026 door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Handelingen der Apostelen 4: 32-35)

Handelingen der Apostelen is waarschijnlijk rond 62 n.Chr. geschreven door Lukas, de auteur van het derde evangelie. Hij was al enkele jaren een van de trouwe medewerkers geweest van de apostel Paulus. Lucas was een arts, dus een goed ontwikkelde persoon. Hij had veel aantekeningen gemaakt van zowel de verkondiging over Jezus die hij hoorde van Paulus en anderen die ooggetuigen waren geweest van Jezus. Maar Lucas had ook aantekeningen bijgehouden van de missionaire reizen van Paulus waarop Lukas hem had begeleid. In de paastijd leest de Kerk in de liturgie als eerste lezing altijd uit dit belangrijke werk: Handelingen der Apostelen. Lucas schetst voor ons een beeld van de jonge Kerk in Jeruzalem en Antiochíë, en van de belangrijke rol daarin van de apostelen Petrus en Paulus. De eerste lezing van vandaag spreekt over de jonge Kerkgemeenschap te Jeruzalem. Het geeft ons een beeld van de grote mate van eenheid, zorg en liefde voor elkaar, die er onder de eerste groep Christenen leefden.

Eerste lezing: Handelingen der Apostelen 4: 32-35

De menigte die het geloof had aangenomen was een van hart en een van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde, integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk. Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus en rijke genade rustte op hen allen. Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten om aan de voeten van de apostelen neer te leggen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte. 

Tussenzang:  Psalm 118

Refrein: BRENGT DANK AAN DE HEER, WANT HIJ IS GENADIG, EINDELOOS IS ZIJN ERBARMEN.

1. Stammen van Israël, dankt de Heer,

eindeloos is Zijn erbarmen.

Herhaalt het, dienaren van de Heer

eindeloos is Zijn erbarmen.

2. De Heer greep in met krachtige hand,

de hand van de Heer was machtig.

Geslagen, getuchtigd heeft mij de Heer,

maar niet ten dode gedoemd.

3. De steen die de bouwers hebben versmaad,

die is tot hoeksteen geworden.

Dit is de dag, die de Heer heeft gemaakt,

we zullen hem vieren in blijdschap.

Achtergrond van de tweede lezing (1 Johannes 5: 1-6)

De eerste brief van Johannes ademt heel duidelijk dezelfde sfeer, theologie en accenten uit als het evangelie van Johannes. De brief benadrukt dan ook, net als het evangelie, dat geloof ons met de levende Christus verbindt. Door te geloven in Hem, zullen wij delen in het goddelijk leven waarvan Hij de drager en Heer is. Let maar op hoe centraal daarom het begrip “geloof/geloven” in deze lezing is. Door het geloof blijft Christus in ons. Door te geloven worden wij kinderen van de Vader en leren wij steeds meer wat echte liefde betekent.

Tweede lezing: 1 Johannes 5: 1-6

Vrienden, iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is, is een kind van God. Welnu, wie de Vader liefheeft, bemint ook het kind. Willen wij God liefhebben en Zijn geboden onderhouden, dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben. Dat is onze maatstaf. God beminnen wil zeggen Zijn geboden onderhouden en Zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden want ieder die uit God geboren is, overwint de wereld. En het wapen waarmee wij de wereld overwinnen is geen ander dan ons geloof. Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Hij is het die gekomen is met water en bloed: Jezus Christus.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Johannes 20: 19-31)

De evangelielezing van deze tweede zondag van Pasen, dat is de achtste dag van Pasen, is altijd genomen uit het Johannesevangelie. Het doel van deze rijke tekst is heel duidelijk aangegeven in de laatste regel, die ik hier wat extra aandacht wil geven: “deze [tekenen] zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven dat Jezus de Messias/de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven, moogt leven in Zijn Naam”.

Evangelie: Johannes 20: 19-31

In de avond van die eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: “Vrede zij u.” Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: “Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u.” Na deze woorden blies Hij over hen en zei: “Ontvangt de heilige Geest. Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, en wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven.” Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: “Wij hebben de Heer gezien.” Maar hij antwoordde: “Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.” Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: “Vrede zij u.” Vervolgens zei Hij tot Tomas: “Kom hier met je vinger en bezie Mijn handen. Steek je hand uit en leg die in Mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig.” Toen riep Tomas uit: “Mijn Heer en mijn God!” Toen zei Jezus tot hem: “Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.” In het bijzijn van Zijn leerlingen heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven, leven moogt in zijn Naam.

Overweging:

In de Goede Week en met Pasen heeft onze bisschop Mgr. Choennie op inspirerende wijze stilgestaan bij de grote betekenis en rol van woorden. Woorden hebben kracht. Ze kunnen verbinden of verdelen. Ze kunnen hoop geven of ontmoedigen. Ze kunnen bijdragen aan vrede of aan verwijdering. In een wereld waar vaak hard gesproken wordt, waar oordelen snel klaar liggen en waar negativiteit zich gemakkelijk verspreidt, is het een geestelijke opdracht om anders te spreken. Hoe spreken wij over anderen in ons gezin, op ons werk, in onze gemeenschap? Zijn onze woorden opbouwend? Geven ze ruimte? Of dragen ze bij aan wantrouwen, irritatie, of verdeeldheid?

Toen de apostelen ’s avonds op de eerste dag van de week na de kruisiging van hun Meester bijeenkwamen, en zij angstig, verward en geheel onzeker waren, klonk daar in hun midden een heel bijzonder woord. De Verrezen Heer sprak een woord dat vol hoop was, gedragen door vergeving en verzoening, en gericht op de toekomst en op een nieuw begin: “Shalom”-Vrede”

Dat was geen gewone groet van Jezus aan Zijn leerlingen: het was echt een scheppend woord. Zoals God in den beginne een woord sprak, “Er zij licht” en er licht was, zo spreekt de verrezen Christus een woord van vrede en barmhartigheid. En er begint iets nieuws: een vrede die voortkomt uit het mysterie van Pasen: dat liefde sterker is dan dood, dat vertrouwen sterker is dan angst, dat barmhartigheid sterker is dan schuld.

Deze zondag van Beloken Pasen draagt daarom ook de naam van Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. Deze zondag nodigt ons uit om stil te staan bij de bron van de vrede die Jezus ons toezegt: zij komt voort uit Jezus’ totale zelfgave. Uit zijn bereidheid om zich toe te vertrouwen aan de wil van de Vader, zelfs door lijden en dood heen. Zijn wonden zijn nog zichtbaar. Hij toont ze aan Zijn leerlingen. Het is juist door die wonden dat vrede binnenkomt.

Dat is een diep mysterie: de barmhartigheid van God openbaart zich niet door het lijden te vermijden, maar door het te dragen en te transformeren. Jezus’ standvastige vertrouwen dat het volgen van de wil van de Vader leven zal brengen op de diepste cosmische wijze, blijkt waarheid te zijn. De verrijzenis is het antwoord van de Vader op dat vertrouwen van de Zoon.

Wanneer wij vandaag kijken naar onze wereld, lijkt dat soms moeilijk te geloven. De spanningen in het Midden-Oosten, de fragiele pogingen tot een staakt-het-vuren, de voortdurende dreiging van nieuw geweld… het maakt duidelijk hoe broos vrede is. Hoe snel wantrouwen weer oplaait. Hoe diep wonden kunnen zitten: historisch, religieus, menselijk. En toch, zelfs daar in die kwetsbare momenten van stilte tussen het geweld, zien we iets oplichten van wat mogelijk is. Een staakt-het-vuren is geen volmaakte vrede: het is broos, voorlopig en kwetsbaar. Maar het is wél een teken dat de cirkel van geweld niet absoluut is. Dat er ruimte kan ontstaan – hoe klein ook – voor iets anders.

Misschien helpt dat ons om het evangelie beter te begrijpen. Want ook de vrede die Jezus brengt, begint klein en kwetsbaar. Thomas kan niet zomaar geloven. Hij wil zien en aanraken, want hij wilt het kunnen begrijpen. En we zien dan dat Jezus Thomas helemaal niet afwijst of bekritiseert. Integendeel, Jezus komt hem tegemoet in zijn twijfels en in zijn verlangen naar zekerheid, met woorden die uitnodigen en die de afgelopen periode van vriendschap en hechte verbondenheid bevestigen. Jezus spreekt woorden die Thomas en de overige leerlingen uitnodigen om samen te zoeken naar betekenis, om samen te zoeken naar hoe verder, om samen te zoeken naar nieuwe wegen van leven en richting geven aan de jonge Kerk en het verkondigen van het evangelie.

Dat is barmhartigheid: dat God ons niet alleen ontmoet in ons geloof, maar ons ook ontmoet in onze twijfels. Dat Hij niet wacht tot wij perfect zijn, maar ons opzoekt precies daar waar wij nog zoekend zijn. Hoe mooi is dan die reactie van Thomas: “Mijn Heer en mijn God.” Het is een belijdenis die geboren wordt uit de ontmoeting met de Verrezen Heer, maar het is ook een diep inzicht dat mogelijk werd door hoe Jezus Zijn woorden tot Thomas gesproken had en door de waarheid en de inhoud van die woorden.

De eerste lezing uit Handelingen schetst hoe Jezus’ woord “Shalom” de gemeenschap van de eerste christenen omvormde en inspireerde tot een diepe eenheid. Niemand beschouwde zijn bezit als uitsluitend van zichzelf. Er werd gedeeld. Er werd gezorgd voor wie tekortkwam. Dat was een concrete vorm van barmhartigheid. Dat was een vrucht van Pasen. Wanneer mensen werkelijk geraakt worden door de levende Heer, verandert hun manier van leven. Dan wordt geloof zichtbaar in daden. Dan krijgt barmhartigheid handen en voeten.

De lezingen van deze zondag herinneren ons eraan wat onze woorden kunnen betekenen voor onze relaties en familieleven, voor hoe de sfeer is in de werkkring waar wij misschien deel van zijn, of de mensen die wij in ons dagelijkse leven tegenkomen. Wat betekent het concreet om mensen van barmhartigheid te zijn? Het begint met onze woorden. Barmhartigheid begint daar: in de keuze om niet mee te gaan in negatieve spiralen, in de keuze om het goede te zien en het te benoemen, en in de bereidheid om te luisteren voordat we oordelen.

In het gezin bijvoorbeeld: hoe spreken we met en over elkaar? Zijn onze woorden gedragen door geduld en respect? Of laten we ons meeslepen door frustratie? Op het werk of op school: bouwen we mee aan een cultuur van vertrouwen? Of versterken we onbewust spanningen door sarcastische woorden of snelle kritiek? In onze bredere omgeving: dragen wij bij aan dialoog? Of doen we toch wel heel erg veel mee met datgene waar de afgelopen dagen veel mensen over hebben gesproken aan de hand van de preken van de bisschop: het roddelen?

Het lijken misschien maar kleine dingen, maar zoals een staakt-het-vuren een klein begin kan zijn van vrede, zo kunnen onze woorden kleine kiemen zijn van een andere werkelijkheid. De eerste christenen leefden “één van hart en ziel” niet omdat alles vanzelf ging, maar omdat zij zich lieten vormen door de Heilige Geest die de verrezen Heer hen had gegeven. Zij leerden kijken met andere ogen, zij leerden spreken met positieve woorden, en handelen vanuit een andere bron. En die bron is Gods barmhartigheid.

Ten slotte nog die laatste woorden van Jezus in de evangelielezing: “Zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben”. Die woorden richt Hij ook tot ons. Wij hebben het lege graf niet gezien en wij hebben de verrezen Heer niet met onze handen aangeraakt zoals Thomas. En toch worden wij uitgenodigd om te geloven. Om te vertrouwen dat Zijn vrede werkelijk in ons kan wonen. En dat geloof zichtbaar wordt in hoe wij leven. Dit is waar de synodale Kerk om gaat: over die drie inspirerende sleutelwoorden: “Communio, Participatio, Missio”. Dat wil zeggen dat wij een geloofsgemeenschap willen zijn die een warme eenheid (communio) zoeken onder elkaar, gevoed door een eenheid door gebed en sacramenten met God; mensen die participeren, die bijdragen, die actief zijn en samen optrekken in ‘participatio’; en dat wij allen samen die missie dragen om Gods beweging van barmhartigheid en goedheid uit te stralen in de samenleving en te verkondigen dat God iets nieuws begint, waarvan Pasen een eerste teken is.

Misschien is dat wel de diepste roeping van deze zondag: dat wij zelf, ieder op onze plaats, kleine tekenen worden van die grote werkelijkheid van Pasen. Dat mensen in ons iets mogen ervaren van die vrede die Christus een ieder toezegt. Dat zij in onze woorden iets mogen horen van Zijn barmhartigheid. Dat zij in onze daden iets mogen zien van het nieuwe leven dat Hij brengt.

“Shalom” – “Vrede zij u.” Moge dat woord in ons blijven klinken en door ons ook voor anderen werkzaam worden. Een gezegende Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid!



Categorieën:geloof en leven

Plaats een reactie