Achtergrond van de eerste lezing (Genesis 2:7-9; 3:17)
Voor de eerste zondag van de veertigdagentijd kiest de Kerk het scheppingsverhaal van Adam en Eva. Wij allen zijn vertegenwoordigd in dit verhaal. De slang, de Satan, wilt verwijdering brengen tussen God en mens. De mens wordt ingefluisterd dat we aan God gelijk zouden kunnen worden, en dat wij dan alles kunnen beslissen, zelf zouden bepalen wat goed is en wat kwaad is, en de werkelijkheid geheel naar onze eigen hand zouden kunnen zetten.
Eerste lezing: Genesis 2:7-9; 3:17
In het begin boetseerde God de Heer de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen. Daarna legde God de Heer een tuin aan in Eden, ergens in het oosten, en daarin plaatste Hij de mens die Hij geboetseerd had. God de Heer liet uit de grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten; daarbij was ook de boom van het leven midden in de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad. Van alle dieren, die God de Heer gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang. Ze zei tot de vrouw: “Heeft God werkelijk gezegd dat ge van geen enkele boom in de tuin moogt eten?” De vrouw zei tot de slang: “Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin. God heeft alleen gezegd: Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat moogt ge niet eten; ge moogt ze zelfs niet aanraken; anders zult gij sterven”. Maar de slang zei tot de vrouw: “Gij zult helemaal niet sterven. God weet dat uw ogen open zullen gaan als ge eet van die boom, en dat ge dan gelijk zult worden aan God door de kennis van goed en kwaad”. Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan. Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren. Daarom hechtten ze vijgenbladen aaneen en maakten daar lendeschorten van.
Tussenzang: Psalm 51
Refrein: HEER, ONTFERM U, WIJ HEBBEN GEZONDIGD.
1. God, ontferm U over mij in Uw barmhartigheid,
delg mijn zondigheid in Uw erbarmen.
Was mijn schuld volkomen van mij af,
reinig mij van al mijn zonden.
2. Ik erken dat ik misdreven heb,
altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen.
Jegens U alleen heb ik gezondigd,
wat U tegenstaat heb ik gedaan.
3. Schep in mij een zuiver hart, mijn God,
geef mij weer een vastberaden geest.
Wil mij niet verstoten van Uw Aanschijn,
neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
Achtergrond van de tweede lezing (Romeinen 5: 12.17-19)
Paulus verwijst in zijn brief naar het verhaal dat we zojuist in de eerste lezing hoorden, namelijk dat van Adam en Eva. De keuze van Adam om niet langer zijn vertrouwen te stellen op God en op de oprechtheid van Gods geboden, heeft iets in werking gezet dat we de “erfzonde” noemen. De erfzonde is de openheid in iedere mens voor de krachten van kwaad en duisternis, die de mensheid in een greep houden. Alleen God kon de mensheid daarvan verlossen. Daartoe heeft Hij Zijn Zoon gezonden om ons te redden en het eeuwig leven terug te schenken.
Tweede lezing: Romeinen 5: 12.17-19
Broeders en zusters, door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood; en zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben. Door toedoen van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dank zij de ene mens Jezus Christus. Dit betekent: één fout leidde tot veroordeling van allen, maar één goede daad leidde tot vrijspraak en leven voor allen. En zoals door de ongehoorzaamheid van één mens allen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van Een allen worden gerechtvaardigd.
Achtergrond van de evangelielezing: (Matteüs 4: 1-11)
Jezus kwam naar Galilea om door Johannes gedoopt te worden en trekt zich daarna veertig dagen lang terug in de stilte van de woestijn om zich geheel te richten op de Vader en op de vraag hoe de Vader wilt dat Hij invulling zal geven aan de levenstaak van Messias. Niet de verwachtingen van de mensen over wat de Messias zal doen, staan voor Jezus centraal, maar Hij wilt zich slechts richten op wat de Vader van Hem zal willen. Daarom benadrukt Matteüs dat wanneer de duivel Jezus in de woestijn probeert te verleiden tot het afwijken van wat de Vader wil, dit niet per toeval gebeurt, maar dat het de heilige Geest zelf is die Jezus tot deze confrontatie met de machten der duisternis leidt. Zoals goud gezuiverd wordt in de hitte van het vuur, zo zal in de hitte van de confrontatie met de verleidingen van de duivel, Jezus’ inzichten in wat wél en wat níet tot zijn messiaanse levenstaak zal behoren, versterkt en verdiept worden.
Evangelie: Matteüs 4: 1-11
In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger. Nu trad de verleider op Hem toe en sprak: “Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen”. Hij gaf ten antwoord: “Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat komt uit de mond van God”. Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak tot Hem: “Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen”. Jezus zei tot hem: “Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen”. Ten slotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid. En hij zei: “Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt”. Toen zei Jezus hem: “Weg, satan; er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen”. Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem te dienen.
Overweging:
Het verhaal van Jezus’ bekoring in de woestijn heeft eigenlijk twee niveaus van betekenis. Het eerste niveau vertelt ons over wat er met Jezus gebeurde. Waar ging dat eigenlijk over? Matteüs verkondigt ons dat het de Heilige Geest was die het Jezus ingaf om zich veertig dagen terug te trekken in de stilte van de woestijn. Daar zal Hij zich door vasten, stilte en gebed tot de Vader in de hemel gericht hebben met vragen als: “Wat wilt U dat Ik zal doen? Hoe wilt U dat Ik Messias moet zijn? Wat zijn Uw prioriteiten, wat is Uw wil, zodat Ik die kan vervullen en me op Uw wil kan richten”. Verder zegt Matteüs dat de duivel Hem ertoe probeerde te verleiden om die gerichtheid op de wil van de Vader te verwateren door Zijn eigen wegen te gaan. Die zouden op zich niet slecht zijn, maar het zouden niet de wegen zijn die de Vader voor Hem wilde.
Het tweede niveau is een hele actuele oproep die uitgaat van dit verhaal: een oproep voor de Kerk van alle eeuwen, dus ook voor elk van ons persoonlijk en voor de Kerk van deze tijd. Het verhaal waarschuwt ons dat er altijd hele subtiele bekoringen zullen zijn die ons ertoe kunnen verleiden om niet langer de wegen te gaan die God voor ons in gedachten heeft. Het is dus cruciaal voor ons om in de veertigdagentijd na te denken over deze vragen: welke zijn die kernwaarden van het Rijk van God en waar ben ik misschien ervan gaan afdwalen? Wat is de visie die God ons voorhoudt in het Woord? Welke zijn de belangrijkste verleidingen en negatieve krachten waarvoor wij als Kerkgemeenschap staan en welke spelen een rol in mijn persoonlijke leven?
De eerste verleiding of aanval van de duivel vindt plaats nadat Jezus Zijn veertig dagen vasten heeft voltooid. Het vasten had Hem hongerig gemaakt en juist toen zette de duivel in met “Als Gij de Zoon van God zijt”. Het Griekse woordje “ei” dat in het Nederlands vertaald is met het woordje “als”, kan in het Grieks op twee manieren begrepen worden. Het kan een vraag inluiden over een feit waarvan we eigenlijk al weten dat dat het geval is. Dus de eerste betekenis van deze verleiding is: “Als Gij de Zoon van God zijt, -en we weten dat dat zo is-, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen”. Maar het Griekse woordje kan ook betekenen “omdat”. Dus de tweede manier hoe deze verleiding begrepen kan worden, is dit: “Omdat Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen”. Dus de aanval van de duivel is niet zozeer omJezus ertoe te brengen te bewijzen dat Hij de Zoon van God is, maar eerder de vraag wat het voor Jezus betekent dat Hij de Zoon van God is: welke voorrechten, of welke taken als Messias, of welke doelen zal Jezus nastreven, wetende dat Hij die hele bijzondere band heeft met God de Vader?
Vele Joden in Zijn tijd hadden de verwachting dat de Messias het onderdrukte Joodse volk zou bevrijden van de overheersing van de gehate Romeinen. Daarom verwachtten vele Joden dat de Messias Zijn goddelijke roeping en identiteit aan het volk zou tonen door net als Mozes dat wonder van het manna te herhalen, dat wonder dat zo belangrijk was in de gedachten van het Joodse volk wanneer het vertelde over die veertig jaren in de woestijn ten tijde van Mozes. De duivel daagt Jezus daarom uit, om door zo’n manna-wonder aan heel het volk te laten zien dat Hij de Messias is. Maar het gaat nog dieper. De duivel probeert op Jezus in te werken, om Zijn messiaanse kracht in te zetten om de honger te stillen van alle armen in Israël die gebukt gingen onder honger, onrecht en gebrek. “Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen”. Zo een wonder zou op indrukwekkende wijze voldoen aan de verwachtingen die vele Joden koesterden ten aanzien van de Messias. Jezus zou razend populair zijn en de politieke macht en invloed die Jezus hiermee zou verwerven, zouden immens zijn.
Maar Jezus citeert uit het boek Deuteronomium (8:3) en geeft aan dat wat God wil, is dat de mensen zich voeden met het Woord van God en daardoor zichzelf innerlijk laten omvormen en zelf dragers worden van Gods rijk: “Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord dat komt uit de mond van God’”. God zoekt mensen die vanuit Gods woorden het leven inrichten naar Zijn visie en idealen, die zich in geloof aan God hechten en daardoor openstaan voor de wijsheid en de kracht van de Heilige Geest.
De tweede aanval van de duivel heeft ook als kern om Jezus ertoe te verleiden om een spectaculair wonder te doen: een ingrijpend gebeuren, dat als een bom zou inslaan onder het volk en Hem bij hen zou bevestigen als de Zoon van God. Let op: nu citeert de duivel ook zelf het Woord van God! Hij citeert Psalm 91: 11-12: “Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: Aan Zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat U uw voet niet zult stoten aan een steen”.
Nogmaals citeert Jezus nu uit het boek Deuteronomium (6:16). Hij houdt de duivel, en ook ons Zijn Kerk, de vraag voor: Waarom doe je eigenlijk wat je doet? Wat is de diepere motivatie achter wat je zegt? Wat is de diepere motivatie achter je keuzes en achter hetgeen waar je je tijd, prioriteiten of krachten aan geeft? Heeft de diepere motivatie echt te maken met God of heeft het in feite te maken met je eigen belang, met jouw diepere verlangens of meningen?
God dáár voor willen inzetten, is dus in feite God op de proef stellen. Dus wanneer Jezus de duivel antwoordt: “Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen”, dan houdt dit ook een heel belangrijk inzicht in voor ons allen: heel vaak kunnen wij erg sterk onze eigen zaken gerealiseerd willen zien, of denken vanuit ons eigen gelijk of onze eigen ego, of onze eigen positie beschermen, of vasthouden aan onze vooroordelen. Jezus leert ons om steeds weer eerlijk na te denken over de eigenlijke motivaties die achter ons handelen liggen. Een deel van de motivaties zullen zuiver zijn, maar een deel kunnen onzuiver zijn en dan ligt er daar een taak om aan onszelf te werken. Een paar herkenbare voorbeelden: een moeder die zeer kattig, negatief en dominant is naar de schoondochter toe, wilt misschien op dat moment niet zien dat haar diepere motivatie een drang is om haar positie te verdedigen als degene die het uiteindelijk voor het zeggen heeft. Of dat haar diepere motivatie de aanname is dat de andere wijze van aanpak van haar schoondochter onbewust een kritiek zou betekenen op hoe zij het zelf altijd heeft gedaan. Of dat haar diepere motivatie de nog onbewuste angst is dat de schoondochter nu die belangrijke plaats inneemt in het leven van haar zoon en zij als moeder misschien zijn aandacht en zijn genegenheid zou gaan verliezen door haar. Deze voorbeelden kunnen ons helpen voor onze zelf-reflectie over die vraag: Waarom doe ik eigenlijk wat ik zo allemaal doe? Waar kan ik helemaal achter staan en waar moet ik minder goede motivaties onder ogen durven zien en mijzelf verbeteren?
Ten slotte in de derde aanval van de duivel, ‘-safe the best for last’– gaat het om de bekoring van macht: “Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt”. We zullen met zijn allen goed en eerlijk moeten nadenken over het omgaan met macht in onze Surinaamse samenleving, omdat alleen dan we een blijvende rechtvaardige en vredige maatschappij zullen krijgen. Maar ook binnen relaties als huwelijk, samenwonen, gezin en familie, werkkring, parochiegroepen en verenigingen: ook bij al die menselijke situaties is er ook vaak een stevig element van de bekoring van macht: Wie is de baas in de relatie? Of in de familie? Of in de liturgiegroep of in het koor? Of in onze sportvereniging?
Door bezinning en zelf-reflectie zullen we eerder gaan zien waar we onze wil steeds weer doorduwen en dan nors, kil of agressief worden naar onze partner en gezinsleden toe, of naar andere leden van de parochiegroep, vereniging of werkkring , wanneer de dingen niet precies gaan zoals wij dat willen. We komen dit op het spoor, door vragen als: Zijn we soms dominant in ons omgaan met anderen? Staan we open voor kritiek? Kunnen we met het hart luisteren naar anderen?
Met de lezingen van deze eerste zondag van de veertigdagentijd reikt de Heer ons weer veel geestelijk voedsel en stof voor zelf-reflexie aan. Onze bisschop benadrukt in zijn vastenbrief het grote belang van bidden, vasten en aalmoezen geven, om te groeien in onze relatie met God en in onze relatie tot medemensen en onze samenleving. Ik roep ons allen heel graag op om de vastenbrief van de bisschop te lezen en te herlezen. Een vruchtbare veertigdagentijd van verdieping en innerlijke groei!
Categorieën:geloof en leven
Plaats een reactie