Commentaar op de Lezingen van de 3e zondag door het Jaar (Jaar A) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 8:23b – 9:3)

Deze belangrijke profetie van Jesaja brengt ons terug naar de achtste eeuw vóór Christus. In deze periode zijn de Assyriërs, in het huidige Irak, de militaire grootmacht in het Midden Oosten.

Het noordelijke Joodse koninkrijk Israël, dat bestaat uit de 10 noordelijke stammen in de provincies Galilea en Samaria, gaat onder deze dreiging een militair verbond aan met het koninkrijk Aram, gelegen in het huidige Syrië en Libanon, met als hoofdstad Damascus. Ze vragen het zuidelijke Joodse koninkrijk Juda, met de hoofdstad Jeruzalem, om ook deel te nemen aan dit verbond tegen Assyrië. Maar de koning in Jeruzalem weigert en gaat liever een bondgenootschap aan met Assyrië zelf. De koninkrijken Israël en Aram zien dat als verraad en trekken op tegen Juda. Deze oorlog zorgt voor grote bitterheid tussen de twee Joodse koninkrijken. Dan valt Assyrië aan en verplettert Aram en het noordrijk Israël. De Assyrische legers plunderen de steden van Israël en voeren het grootste deel van de bevolking van de tien stammen weg in ballingschap. Ze zullen opgaan in andere volkeren en nooit meer terugkeren. Dit is de situatie die wordt aangeduid door de profeet Jesaja met zijn woorden: In vroeger tijd is er oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Naftali… het volk dat in het donker wandelt.. zij die wonen in het land van doodse duisternis”.  

De profeet Jesaja roept de overgebleven Joden krachtig op tot bekering: tot het zichzelf eerlijk evalueren op de vele vormen van schijnheiligheid, oppervlakkigheid en ontrouw aan het verbond met Jahweh hun God. Maar Jesaja kondigt ook Gods verlossing aan: een groot licht zal uiteindelijk over alle ellende opgaan als het overgebleven volk zich maar oprecht weer keert tot de Heer.

Eerste lezing: Jesaja: 8:23b – 9:3

In vroeger tijd is er oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Naftali, maar in de toekomst wordt er eer gebracht over de zeeweg en de overkant van de Jordaan, en over het gewest van de heidenen. Het volk dat in het donker wandelt ziet een groot licht; een licht straalt over hen die wonen in het land van doodse duisternis. Gij hebt hun blijdschap vermeerderd, hun vreugde vergroot. Voor uw aanschijn zijn zij vol vreugde, een vreugde als die om de oogst, als die van mensen, die jubelen bij het verdelen van de buit. Want het juk dat zwaar op het volk drukte, de stang op hun schouders, en de stok van de drijvers, Gij hebt ze stukgebroken als op de dagen van Midjan.

Tussenzang:  Psalm 27

Refrein: DE HEER IS MIJN LICHT EN MIJN LEIDSMAN.

1. De Heer is mijn licht en mijn leidsman,

wie zou ik vrezen;

De Heer is de schuts van mijn leven,

voor wie zou ik bang zijn?

2. Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen:

dat ik in Gods huis mag wonen zolang ik leef.

Dat ik de beminnelijkheid van de Heer mag ervaren,

Zijn tempel weer met eigen ogen mag zien.

3. Ik reken er op nog tijdens mijn leven

de weldaden van de Heer te ervaren.

Zie uit naar de Heer en houd dapper stand,

wees moedig van hart en vertrouw op de Heer.

Achtergrond van de tweede lezing (1 Korintiers 1: 10-13.17)

Paulus heeft de kerkgemeente van de stad Korinte zelf gesticht en er een tijd gewoond. Hij is toen weer verder getrokken om het evangelie van Christus ook op andere plaatsten te verkondigen. Hij krijgt na enige tijd van enkele gelovigen van Korinte te horen over een verdeeldheid die ontstaan is na zijn vertrek. Ze zijn uiteengevallen in verschillende groepen die in onenigheid en spanning tegenover elkaar staan. Er is een groep van Joodse afkomst, die zich vooral identificeert met Kefas, de oorspronkelijke Aramese versie van de naam Petrus. Binnen deze groep werd veel nadruk gelegd werd op de Joodse besnijdenis, de wetten over rein en onrein, en andere zaken die in de oudtestamentische teksen erg belangrijk zijn. Zij stonden op gespannen voet met gemeenteleden van niet-Joodse afkomst, die minder diep vertrouwd waren met de teksten van het Oude Testament en die net als Paulus en diens trouwe medewerker Apollos meer nadruk legden op het werken van de Heilige Geest, meer op de verbondenheid met Jezus en minder op de besnijdenis en de Joodse wetten over rein en onrein. Paulus roept hen met passie op om in liefde weer te komen tot eenheid in verscheidenheid in Christus, de levende verrezen Heer.

Tweede lezing: 1 Korintiers 1: 10-13.17

Broeders en zusters, ik bezweer u bij de naam van onze Heer Jezus Christus: weest allen eensgezind, laat er geen verdeeldheid onder u zijn; weest volkomen één van zin en één van gevoelen. Er is mij namelijk door de huisgenoten van Chloë over u verteld, broeders en zusters, dat er onenigheid onder u heerst. Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: `Ik ben van Paulus.’ `Ik van Apollos.’ Ik van Kefas.’ Ik van Christus. ‘Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij gedoopt in de naam van Paulus? Christus heeft mij niet gezonden om te dopen. Hij heeft mij gezonden om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden; anders zou het kruis van Christus zijn kracht verliezen.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Matteüs 4: 12-23)

Vanaf deze zondag zal de Kerk weer lezen uit het evangelie volgens Matteüs. Deze Joodse evangelist wilt vooral Joodse Christenen bemoedigen en toerusten in het geloof in Jezus. Maar Matteüs hoopt duidelijk ook vele mede-Joden die Jezus nog niet aanvaardden als de Messias en de Zoon van God, tot geloof te brengen. Matteüs benadrukt daarom dat allerlei details uit Jezus’ leven, prediking en verlossing, de vervulling zijn van teksten en gebeurtenissen van het Oude testament. Deze zondag horen we hoe Matteüs schreef over de aanvang van Jezus’ openbare zending. Matteüs legt aan zijn Joodse lezers uit, dat Jezus’ verkondiging Hem maakte tot een licht voor de mensheid en dat ook dit een vervulling is van profetieën uit het Oude Testament. Hij citeert de profetie van de profeet Jesaja die we in de eerste lezing al gehoord hebben. Vervolgens spreekt Matteüs over hoe Jezus Zijn eerste leerlingen riep om Hem te volgen. Hij zal hen maken tot vissers van mensen.

Evangelie: Matteüs 4: 12-23

Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea. Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja: “Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanië: Galilea van de heidenen! Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van doodse duisternis gezeten waren, over hen is een licht opgegaan”. Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: “Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij”.

Eens, toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus wordt genoemd, en diens broeder Andreas. Zij waren bezig het net uit te werpen in het meer; het waren namelijk vissers. Hij sprak tot hen: “Komt, volg Mij; Ik zal u vissers van mensen maken.”

Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. Iets verder zag Hij nog twee broers, Jakobus, de Zoon van Zebedeüs, en diens broeder Johannes; met hun vader Zebedeüs waren zij in de boot de netten aan het klaarmaken. Hij riep hen, en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem. Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in de synagogen, de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.

Overweging:

Alles wat Jezus in Kafernaum begon, vat Matteüs samen met het beeld van een helder licht dat in de duisternis begon te stralen. Matteüs ziet in Jezus de vervulling van de profetische woorden van Jesaja: Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van doodse duisternis gezeten waren, over hen is een licht opgegaan”.

Op zovele manieren bracht Jezus licht in de duisternis. Aan een duistere wereld van haat en wraak bracht Jezus het licht van vergeving en verzoening. Hij zei: “Bemin uw vijanden en bid voor hen die u vervolgen”. Velen waren opgegroeid met de overtuiging dat het uitschelden en verwensen van hun vijanden, en het beramen van stappen om terug te meppen, het juiste is. Maar het licht van Jezus’ leer verlicht ons hart om in te kunnen zien hoe verkeerd die manier van omgaan met anderen is.

Hij bracht personen zoals Zaccheüs uit het duister van hebzucht en egoïsme tot de vreugde van het delen met anderen en het weer opgenomen worden in een waarachtige gemeenschap met goede mensen. Jezus bracht de vrouw die op overspel betrapt was, van de duisternis van ontrouw aan de eenheid van een gezin en een huwelijksleven, naar het licht van aanvaard te zijn en een nieuwe begin te mogen maken met haar leven. Door Zijn genezende kracht bracht Jezus vele zieken uit de duisternis van pijn, van achteruitgang en zorgen, naar het licht van welzijn en hernieuwde kracht. Vele mensen die tot Jezus kwamen, ervaarden door de ontmoeting met Hem, wat het is om het zuivere licht van echte goedheid en barmhartigheid te mogen ervaren.

Matteüs vertelt ons dat de kern van Jezus’ verkondiging deze boodschap als rode draad had: “Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij”. Deze boodschap is heel wezenlijk, want het zal de leidraad zijn bij alles wat Jezus zal doen. We zullen Jezus’ werk en verkondiging niet zuiver en correct begrijpen als we ze niet zouden plaatsen in het licht van die woorden: “Bekeert u, want het Rijk van God is nabij”.

Met deze woorden maakt Jezus duidelijk dat wij aan de ene kant kinderen zijn van een God die liefde en mededogen is, die ons tot het licht wilt verlossen, en dat daarom het Rijk van God nabij is. Maar Jezus geeft met Zijn boodschap ook helder aan dat wij ook iets moeten doen. Zijn leerling zijn begint met het bewust worden van duisternis en licht. Het begint met te leren verlangen naar het licht. Bekering is een wezenlijk proces voor heel ons leven. Het houdt in dat wij weten dat we niet onszelf kunnen verlossen. Er is die realiteit van de oerzonde, die realiteit van krachten die ons verwijderen van God, die verwarring, hardheid, zonde en kwaad brengen. Bekering begint dus met een verlangen naar het licht; als we met Gods genade echt moeite doen om naar het licht toe te gaan leven. Dan worden wij ook zelf steeds meer een bron van licht voor anderen.

Een heel belangrijk aspect van de roeping van de eerste apostelen zoals dat in de evangelies wordt beschreven, is dat toen ze Jezus begonnen te volgen, ze alles achter zich lieten dat tevoren hen had bezig gehouden en hun manier van leven was geweest. Leerling zijn van Jezus betekent daarom: het zich steeds meer eigen maken van Jezus’ visie op de wereld en op het leven, zich steeds meer op Hem richten en Hem vertrouwen, en het zich steeds meer laten omvormen door Zijn waarden en Zijn kijk op wat van belang is. Zo betrok Jezus de apostelen bij Zijn missie.

Jezus heeft steeds weer mensenvissers nodig, want Zijn missie is voor de hele wereld: een wereld waarin velen de smalle, rechte weg kwijt zijn geraakt en verloren dreigen te gaan. Jezus heeft in elke eeuw en in elk volk mensenvissers nodig: mannen en vrouwen die Zijn licht willen brengen in de duisternis van hebzucht en corruptie. Gelovige mensen die door het getuigenis van wat het geloof, het gebed en de verborgen aanwezigheid van Jezus voor hen betekent, in het duister van haatdragendheid en de onwil om te vergeven, Zijn licht brengen van opnieuw zoeken naar wegen van verzoening, van waarheid en oprecht leven, wegen van compassie en betrokkenheid in de duisternis van eenzaamheid of stille wanhoop, van innerlijke verlorenheid of verdriet.

Jezus’ werk was gericht op alle volkeren en de genade die Hij brengt is bedoeld voor iedereen, niet slechts voor een kleine bevoorrechte groep. Daarom is Jezus’ roeping om Hem te volgen gericht op de verlossing van alle volkeren. Matteüs verkondigt dit aan het einde van zijn evangelie, in hoofdstuk 28, waar hij ons leert dat Jezus bij Zijn hemelvaart tot Zijn leerlingen zei: “Ga, en maak alle volkeren tot Mijn leerlingen, doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, en leer hen alles onderhouden wat Ik jullie geboden heb”.

Laten ook wij een stukje licht zijn voor anderen. Wij mogen het licht van Jezus doorgeven in ons gezinsleven, in onze wijze van leiderschap, in onze inzet voor een betere samenleving. Om actieve, krachtige leerlingen van de Heer te zijn, herinneren we elkaar steeds weer aan die oproep tot bekering. Dat hebben we nodig om verbonden te blijven met Hem die het Licht der volkeren is. Gado blesi!



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Plaats een reactie