Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 49: 3. 5-6)
In de hoofdstukken 42-53 van Jesaja komen er vier hele belangrijke profetieën voor, die we in de bijbelwetenschap de vier liederen van de Dienaar des Heren noemen. Het eerste lied van de Dienaar des Heren vinden we in 42:1-7, het tweede lied in 49: 1-6, het derde in 50: 4-11 en het vierde in 52:13–53:12. In de eerste lezing van deze zondag horen we een deel van het tweede lied van de Dienaar des Heren. Hier is de Dienaar zelf aan het woord. Hij is vanaf de moederschoot gevormd om hoop en redding te brengen, niet alleen voor Israël, maar voor alle volkeren der aarde. De vervulling van deze vier liederen van de Dienaar des Heren, vinden wij in Jezus, die als mensgeworden Zoon de verlossing brengt die al eeuwen tevoren in Jesaja was aangekondigd.
Eerste lezing: Jesaja: 49: 3. 5-6
De Heer had mij gezegd: “Mijn dienaar zijt Gij, Israël, door wie ik mijn glorie ga vinden”. Van de moederschoot af had Hij mij tot zijn dienaar gevormd om Jakob terug te brengen naar Hem en Israël van de ondergang te redden. Ik sta bij de Heer in ere en mijn God is mijn sterkte. Thans echter heeft Hij gezegd: “Gij zijt niet alleen mijn dienaar om Jakobs stammen op te richten en de rest van Israël terug te brengen. Ik maak U ook tot een licht voor de heidenen, zodat mijn heil tot de grenzen der aarde zal gaan”.
Tussenzang: Psalm 40
Refrein: HEER, KOM HAASTIG MIJ TE HULP.
1. Met groot vertrouwen heb ik op de Heer gehoopt,
Hij heeft zich tot mij neergebogen, mijn geroep verhoord.
Hij legde in mijn mond een nieuw gezang, een lied voor onze God
en velen zullen zien en vrezen en vertrouwen op de Heer.
2. Geschenk en offerande hebt Gij nooit verlangd,
maar wel hebt Gij mijn oren voor Uw stem geopend.
Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mij. Dus zei ik:
‘Ja, Ik kom, zoals van Mij geschreven staat.
3. Uw wil te doen, mijn God, dat is mijn vreugde,
Uw wet is in mijn hart gegrift.
In de bijeenkomst heb ik gerechtigheid gepredikt.
Mijn lippen niet gesloten, Heer, Gij weet het.
Achtergrond van de tweede lezing (1 Korintiers 1: 1-3)
De komende zes weken, tot aan het begin van de veertigdagentijd, zal de Kerk op de zondagen in de tweede lezing gaan lezen uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs. Deze tweede lezing zal dus steeds los staan van de eerste lezing en de evangelielezing.
Paulus heeft de eerste brief aan de Korintiërs waarschijnlijk geschreven in het voorjaar van het jaar 54 van onze jaartelling. Paulus behandelt in deze brief een aantal hele belangrijke thema’s, zoals goed omgaan met verdeeldheid en spanningen in de kerkgemeenschap, de verrijzenis van Christus en onze eigen verrijzenis in Hem, de liefde als de christelijke weg bij uitstek, de eucharistie, het huwelijk, en het werken van de Heilige Geest.
We beginnen deze zondag met de aanhef van de brief. Paulus begint met een groet, die tevens een wens en zegenbede insluit. Hij noemt daarin: “onze broeder Sostenes”. Dat was zijn medewerker en misschien ook mede-auteur van de brief. Paulus noemt zichzelf een apostel “door Gods wil geroepen”. Hij herinnert de gelovigen van de stad Korinte eraan dat zij bestemd zijn tot een levensstijl die anders moet zijn dan die van de mensen die Christus niet kennen. De Christenen moeten leven vanuit een actieve, gelovige toewijding aan Jezus en vanuit rechtschapenheid en barmhartigheid. Dit noemt Paulus “een heilig leven”.
Tweede lezing: 1 Korintiers 1: 1-3
Van Paulus, door Gods wil geroepen tot apostel van Christus Jezus, en onze broeder Sostenes: aan de Kerk Gods te Korinte, aan hen die, geheiligd in Christus Jezus, tot een heilig leven zijn bestemd, samen met allen die allerwegen de naam aanroepen van Jezus Christus, hun Heer en de onze. Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus!
Achtergrond van de evangelielezing: (Johannes 1: 29-34)
Vorige week zondag, op het feest van de Doop van de Heer, lazen we hoe de evangelist Matteüs daarover schreef, omdat we nu in het liturgisch Jaar A zijn waarin we uit het Matteüsevangelie lezen. In Jaar B is het Marcus, in Jaar C Lucas. In jaar A leest de liturgie op de zondag na het feest van de Doop van de Heer, hoe het Johannesevangelie het doopsel van Jezus verkondigt.
De evangelist Johannes heeft een paar accenten in zijn wijze van het vertellen over Jezus’ doop, die heel uniek zijn aan zijn evangelie. Zo vertelt hij ons dat Johannes de Doper al bij dit gebeuren Jezus aanduidde als de Messias en dat Johannes de Doper daarbij de diepe woorden gebruikte: “Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt”, de messiaanse verwijzing naar de verlossing door het mysterie van het kruis. Ook vinden we bij het Johannesevangelie al hier zijn nadenken over het geloofsfeit dat Jezus, de Zoon van de Vader, in eeuwigheid, reeds vóór de schepping en dus ook al vóór Zijn menswording in de schoot van Zijn moeder Maria, bestond in de heerlijkheid van de Vader met de Heilige Geest.
Evangelie: Johannes 1: 29-34
In die tijd zag Johannes de Doper Jezus naar zich toekomen en zei: ‘Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt. Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt een man die voor mij is, want Hij was eerder dan ik. Ook ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom kwam ik met water dopen’. Verder getuigde Johannes: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten. Ook ik kende Hem niet, maar die mij gezonden had om met water te dopen, Hij had tot mij gesproken: Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de heilige Geest. Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd: Deze is de Zoon van God.’
Overweging:
Wij openen vandaag de Week van de Eenheid. De lezingen die wij zojuist hoorden, raken aan de kern van wat christelijke eenheid werkelijk betekent: niet een uniformiteit maar een gezamenlijke verankering in Christus. Hij is de Wijnstok en wij allen, Christenen van alle denominaties, zijn de ranken. En Hij zendt ons allen uit om het evangelie te laten weerklinken in de wereld.
In het evangelie wijst Johannes de Doper naar Jezus en zegt: “Zie het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt.” Hij houdt Jezus niet voor zichzelf. En ook vestigt Johannes de Doper de aandacht niet op zijn eigen rol of zijn beweging. Nee, hij wijst naar Jezus. En dat is misschien wel het eerste en belangrijkste oecumenische gebaar: elkaar helpen om samen naar Jezus te wijzen, en minder naar onze eigen denominaties, structuren en leertradities.
Johannes spreekt over wat hij gezien heeft: de Geest die neerdaalde en op Jezus bleef rusten. En hij voegde eraan toe: “Ik heb het gezien en ik heb getuigd.” Dat getuigenis vormt de kern van ons christen-zijn. Niet alleen als individu, maar ook als kerken samen. Die roeping tot getuigenis weerklonk al in de eerste lezing uit Jesaja. De Dienaar des Heren, de Messias, is geroepen om licht te zijn voor de volkeren, tot aan de uiteinden van de aarde. En door ons doopsel met de levende Heer verbonden, moeten wij allen een beetje “dienaar des Heren’ zijn. Deze zending relativeert alle macht of materiëel succes, maar spreekt over de kracht van trouw. Zelfs wanneer de Dienaar zijn werk als vergeefs ervaart, blijft God zeggen: “Ik maak je tot licht voor de naties.” Dat is geen vrijblijvende opdracht. Het is een identiteit.
Ook Paulus begint zijn eerste brief aan de Korintiërs met een herinnering aan wie zij zijn: “geroepen om heilig te zijn, samen met allen die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen.” Let op die woorden: “samen met allen die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, hun Heer en de onze”. Paulus erkent verschillen, maar hij plaatst ze binnen een grotere eenheid die haar oorsprong vindt in de verrezen Heer.
Dat is precies waar de oecumene begint: bij de verrezen, levende Heer en daarom ook bij het doopsel dat ons blijvend met Hem verbindt. In de doopsel vinden wij allen: eeuwig leven, vergiffenis van zonden en de gave van de Heilige Geest. En dat is een diepe realiteit waarin wij allen als Christenen delen, over alle kerkmuren en denominaties heen. Het doopsel is een blijvend verbond in Christus. Hier vinden wij de allerbelangrijkste verankering en motivatie van elke vorm van christelijke eenheid: wij zijn broeders en zusters in Christus, vóór wij leden zijn van een bepaalde kerk of traditie.
Daarom zijn oecumenische vriendschappen zo belangrijk. Echte eenheid groeit niet alleen uit verklaringen of structuren, maar uit ontmoetingen, uit luisteren, uit samen bidden en samen zoeken. Wederzijds respect moet steeds opnieuw worden opgebouwd, juist waar verschillen blijven bestaan. Dat vraagt nederigheid en volharding – en soms ook het geduld om elkaars tempo te respecteren.
Die houding is des te urgenter omdat wij als samenleving én als wereld voor grote uitdagingen staan. Hier in Suriname voelen wij dat heel concreet. De aanstaande ontwikkelingen rond olie en gas zullen ingrijpende maatschappelijke veranderingen met zich meebrengen. Ze brengen hoop op economische groei, maar ook vragen over rechtvaardigheid, duurzaamheid, sociale samenhang en zorg voor de kwetsbaren. Dat zijn geen technische kwesties alleen; het zijn ook morele en spirituele vragen.
Tegelijk leven wij in een wereld die wordt getekend door toenemende geopolitieke spanningen. Het jaar 2026 kondigt zich aan als een moeilijk jaar, vol onzekerheid en polarisatie. In zo’n context wordt christelijke verdeeldheid niet alleen pijnlijk, maar ook ongeloofwaardig. Juist nu is een gezamenlijk, geloofwaardig christelijk getuigenis nodig – een getuigenis dat niet schreeuwt of zich hooghartig gedraagt naar andere Christenen toe, maar een getuigenis dat net als Johannes de Doper wijst op de levende Jezus: “Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld.”
Christen-zijn is dan ook geen vanzelfsprekendheid. Het is een inspirerende roeping, maar wel één die steeds opnieuw keuzes vraagt. Kiezen wij voor angst of voor vertrouwen? Voor zelfbehoud of voor dienstbaarheid? Voor afzondering of voor ontmoeting? Iedere generatie, iedere gemeenschap, moet die keuzes opnieuw maken.
In het doopsel hebben wij een dubbele opdracht meegekregen: evangelisatie én barmhartigheid. Het evangelie verkondigen is meer dan woorden; het is leven vanuit de gezindheid van Christus. En barmhartigheid is daarom geen bijkomstigheid maar een concrete vorm van evangelisatie. Daar waar zorg wordt gedragen voor wie kwetsbaar is, daar waar mensen niet worden opgeofferd aan economische of politieke belangen, daar wordt Christus zichtbaar.
Zo worden wij, elk op onze plaats en samen met andere christenen, geroepen om licht te zijn: als getuigen van een hoop die ons is toevertrouwd. Een hoop die geworteld is in Jezus, Hij die het Lam Gods is, Hij die de zonde van de wereld wegneemt.
Moge deze Week van de Eenheid ons helpen om elkaar opnieuw te zien als medegelovigen, samen gedoopt, samen gezonden. En moge de Geest, die op Jezus rustte, ook ons bezielen om te blijven bouwen aan eenheid, aan respect en een gezamenlijke inzet voor een wereld die verlangt naar licht.
Categorieën:geloof en leven
Plaats een reactie