Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 42: 1-4. 6-7)
In hoofdstuk 42 van het boek Jesaja lezen we de eerste profetie over de Dienaar van de Heer. Er zijn vier van zulke profetieën in Jesaja. Ze gaan over een lijdende dienaar, waarin onze Christelijke traditie een hele sterke aankondiging ziet van Jezus. Het gaat niet om een triomfantelijke Messias, maar om een lijdende figuur die na smartelijk lijden verheerlijkt zal worden en wiens lijden verlossing brengt en vergeving van zonden voor Gods volk. De dienaar is geheel gericht op God. Op Hem rust de Geest en Hij leeft vanuit dezelfde reddende liefde die God heeft voor de armen en kwetsbaren, voor de lijdenden en dwalenden.
Eerste lezing: Jesaja: 42: 1-4. 6-7
Zo spreekt de Heer: “Dit is mijn Dienaar die Ik ondersteun, Mijn uitverkorene in wie Ik behagen schep: Mijn geest stort Ik over Hem uit, gerechtigheid laat Hij stralen over de volken. Hij roept niet, Hij schreeuwt niet en op straat verheft Hij zijn stem niet. Het geknakte riet zal Hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven, in waarheid zal Hij de gerechtigheid laten stralen. Onvermoeid en ongebroken Zal Hij op aarde gerechtigheid laten zegevieren: de verre kusten zien uit naar zijn leer. Ik, de Heer, roep U in gerechtigheid, Ik neem U bij de hand en waak over U en maak U voor de mensen tot het teken van mijn verbond en tot een licht voor de volken. Blinden zult Gij de ogen openen, gevangenen uit hun kerker bevrijden en uit de gevangenis allen die in duisternis zitten.”
Tussenzang: Psalm 29.
Refrein: GOD ZEGENT ZIJN VOLK MET VREDE.
1. Huldigt de Heer, alle zonen van God.
Huldigt de Heer om Zijn glorie en macht.
Huldigt de Heer om de roem van Zijn naam,
Knielt voor Hem neer om Zijn heilige luister.
2. De stem van de Heer schalt over het water,
Gods Majesteit roept van over de zee.
De stem van de Heer met dreunend geweld,
de stem van de Heer, ontzagwekkend!
3. Gods majesteit roept van over de zee,
Zijn tempel weergalmt van Zijn glorie.
De Heer troont boven het firmament,
daar zetelt Hij eeuwig als Koning.
Achtergrond van de tweede lezing (Handelingen 10: 34-38)
In de tweede lezing horen we een gedeelte van een van de preken van Petrus, zoals weergegeven door Lucas, de schrijver van het boek Handelingen der Apostelen. De tekst verkondigt Christus als het licht voor alle volkeren, dus als Verlosser voor allen die door geloof en doopsel zich met Hem verbinden. In deze preek van Petrus wordt, net als in het evangelie, alles wat Jezus gedaan heeft, verbonden met de Heilige Geest. Bij Jezus’ doop daalde de Heilige Geest als een duif op Hem neer. De Geest, die in de heerlijkheid van de H.Drievuldigheid de eeuwige band is tussen Vader en Zoon, verbindt ook tijdens Jezus’ aardse leven de Zoon met de Vader. Door de kracht van de Geest brengt Jezus nieuw leven.
Tweede lezing: Handelingen 10: 34-38
In die tijd nam Petrus het woord en sprak: “Nu besef ik pas goed, dat er bij God geen aanzien des persoons bestaat, maar dat, uit welk volk ook, ieder die Hem vreest en het goede doet, Hem welgevallig is. Het woord heeft Hij tot de zonen van Israël gezonden toen hij door Jezus Christus de blijde boodschap van vrede verkondigde: Deze is de Heer van allen. Gij weet wat er overal in Judea gebeurd is; hoe Jezus van Nazaret zijn optreden begon in Galilea na het doopsel dat Johannes predikte, en hoe God Hem gezalfd heeft met de heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas allen die onder de dwingelandij van de duivel stonden, want God was met Hem.”
Achtergrond van de evangelielezing: (Matteüs 3: 13-17)
Jezus liet zich in eenheid met het volk dopen door Johannes de Doper. Het wordt een moment van openbaring: de stem van de Vader, de Zoon in de wateren van de Jordaan en de Heilige Geest in de gedaante van een duif, neerdalend en rustend op Jezus.
Evangelie: Matteüs 3: 13-17
In die tijd kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes om zich door hem te laten dopen. Maar Johannes wilde Hem tegenhouden met de woorden: “Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?” Jezus antwoordde: “Laat het nu zijn; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen”. Toen liet Johannes Hem toe. Nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen. En een stem uit de hemel sprak: “Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb”.
Overweging:
Het feest van de Doop van de Heer vormt een bijzondere overgang in het kerkelijk jaar. Met dit feest sluiten wij de kersttijd af en richten wij onze blik op het openbare optreden van Jezus. De verborgen jaren in Nazaret liggen achter Hem. Aan de oever van de rivier de Jordaan treedt Hij naar voren en wordt Hij zichtbaar. Wat er dan gebeurt wanneer Jezus aan Johannes vraagt om Hem te dopen, is een sleutelmoment waarin Jezus’ zending, Zijn identiteit en de weg die vanaf nu vóór Hem ligt, worden onthuld.
De profeet Jesaja schetst in de eerste lezing het beeld van de Messias, de dienaar van de Heer: “Zie mijn dienaar, die Ik ondersteun, mijn uitverkorene, in wie Ik vreugde vind.” Deze dienaar is geen machthebber die schreeuwt of breekt, maar iemand die recht brengt met zachtheid, die het geknakte riet niet breekt en de kwijnende vlaspit niet dooft. Het is een profetische roeping die niet draait om triomf, maar om trouw. Zo zal Jezus Messias zijn: niet in politieke macht en overheersing, maar in verlossing door zelfgave, liefde tot het uiterste en nabijheid. In Jezus herkennen wij deze Dienaar des Heren die Jesaja vijf eeuwen tevoren had aangekondigd, ten volle.
Dat wordt zichtbaar in het evangelie. Jezus komt naar Johannes om zich te laten dopen. Johannes begrijpt het niet: Jezus is zijn neef en daarom kent Johannes die diepe mystiek in Jezus’ wezen en weet hij dat Jezus dus absoluut geen zondaar is die bekering nodig heeft. En toch houdt Jezus vast: “Laat het nu zijn; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen”. Met deze woorden kiest Jezus bewust voor solidariteit. Hij stelt zich niet boven de mensen, maar tussen hen. Hij daalt af in het water waarin zondaars hun schuld belijden, waarin mensen hun verlangen naar een nieuw begin uitspreken.
Hier openbaart zich Jezus’ profetische roeping. Profetisch zijn betekent niet: op afstand oordelen of morele maatstaven verkondigen zonder zelf geraakt te worden. Profetisch zijn betekent: je laten raken door de werkelijkheid en de werkelijkheid binnengaan en haar dragen. Door zich door Johannes te laten dopen, kiest Jezus ervoor om de complexe realiteit van de mensheid volledig te delen, ook waar die gekenmerkt wordt door gebrokenheid, door schuld en onmacht. Door Zijn doop vereenzelvigt Jezus zich volledig met de mensheid.
Op dat moment scheurt de hemel open. De Geest daalt neer als een duif en een stem zegt: “Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb”. Wat Jezus kiest in nederigheid, wordt door God bevestigd in heerlijkheid. Juist in deze weg van afdaling en nabijheid openbaart zich wie Jezus werkelijk is. Gods welbehagen rust niet op macht of succes, maar op gehoorzaamheid, liefde en overgave.
Dit heeft ook alles te maken met onze roeping vandaag. De Doop van de Heer houdt ons een spiegel voor. Wij leven in een wereld vol spanningen, onzekerheid en pijn: sociale ongelijkheid, oorlog en polarisatie, armoede en eenzaamheid, ecologische crisis en verlies aan vertrouwen. De verleiding is groot om ons terug te trekken, om te denken dat deze problemen te complex zijn of buiten onze invloedssfeer liggen. Maar het doopsel van Jezus roept ons op tot actieve inleving in de zorgen en de problematieken van onze samenleving. Wie gedoopt is, deelt in Jezus’ zending. Ook wij zijn geroepen om niet boven de wereld te staan, maar erin. Het voorbeeld van Jezus vraagt van ons niet langs de kant te blijven staan, maar af te dalen in het water van menselijke kwetsbaarheid. Dat vraagt om aandachtig luisteren, om solidariteit, om de moed om geraakt te worden. Christelijk geloof is niet de veilige positie van toeschouwers. Het is een weg van betrokkenheid.
Tegelijk wijst dit feest verder dan de Jordaan. Jezus’ doop is meer dan alleen het begin van Jezus’ openbare leven: dit gebeuren draagt reeds het einde in zich. Wanneer Jezus later spreekt over een doopsel dat Hij nog moet ondergaan, doelt Hij op Zijn lijden en dood. De doop in de Jordaan is daarom als het ware ook de voorafschaduwing van Zijn doop in Zijn eigen bloed aan het kruis. In beide gevallen gaat het om volledige overgave: het onderdompelen van Zijn leven in de wil van de Vader, tot het uiterste toe. Zo wordt de band tussen Jordaan en Golgota zichtbaar. De weg die Jezus inslaat bij zijn doop, is de weg van het kruis. Omdat liefde die werkelijk solidair is, niet buiten het lijden kan blijven. In zijn doop aanvaardt Jezus niet alleen Zijn zending, maar ook de consequenties ervan: miskenning, weerstand en uiteindelijk de kruisdood. En toch blijft Gods stem klinken: “Mijn geliefde Zoon.” Zelfs door dood en duisternis heen blijft die band intact.
Voor ons betekent dit dat ons eigen doopsel geen vrijblijvende gebeurtenis uit het verleden is toen wij eens gedoopt werden. Nee, gedoopt zijn is een roeping die ons hele leven tekent. Wij zijn geroepen om, met Christus, gerechtigheid te zoeken, licht te zijn waar duisternis heerst, en hoop te dragen waar mensen dreigen te bezwijken. Dat is geen gemakkelijke weg, maar het is de weg waarop ook over ons, Gods belofte rust.
Moge het feest van de Doop van de Heer ons helpen om opnieuw te ontdekken wie wij zijn en waartoe wij geroepen zijn: geliefde mensen, gezonden om te leven in solidariteit, profetisch en trouw, gedragen door Gods Geest.
Categorieën:geloof en leven
Plaats een reactie