Commentaar op de Lezingen van de 2e Zondag van de Advent  (Jaar A) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 11: 1-10)

De messiaanse profetie die we in de eerste lezing horen, is deel van een reeks messiaanse profetieën die in de eerste 12 hoofdstukken van het boek Jesaja zijn opgetekend. De profeet Jesaja had een grote ramp aangekondigd die over Israël zou komen indien de bevolking en de koning met zijn vooraanstaanden, niet tot bekering en hernieuwde trouw aan Gods verbond zouden komen. Met de verwoestende, plunderende legers van de Babyloniërs, die een groot deel van de Israelieten in ballingschap wegvoerden, werden Jesaja’s profetieën helaas werkelijkheid. Wat zou overblijven van Israël na die ramp, wordt in deze profetie vergeleken met de stronk van een omgehakte boom. God heeft geen vreugde over de straf die de mens door eigen zonden en foute keuzen over zichzelf brengt. En daarom kondigt God door de profeet Jesaja ook Zijn verlangen aan om te zegenen, om te vergeven en Zijn volk tot hernieuwd leven te brengen. Jesaja kondigt de komende Messias aan als een teken van hoop: als een groene jonge scheut aan een oude, kale boomstronk. Die jonge twijg groeit aan de stronk van Isaï: dat is de vader van koning David. Op de Messias zal Gods Geest van liefde, rechtvaardigheid en wijsheid rusten, en Hij zal eens alles nieuw maken.

Deze beeldspraak uit de profetie van Jesaja vinden we terug in het kerstlied Midden in de donk’re nacht: “Vrede was het overal, wilde dieren kwamen bij de schapen in de stal, en zij speelden samen…laat de bel, laat de trom, laat de beltrom horen: Christus is geboren!”

Eerste lezing: Jesaja 11: 1-10

In die dagen zal een twijg ontspruiten aan de stronk van Isaï, een scheut aan zijn wortels zal vruchten dragen. De geest van de Heer zal op hem rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en heldenmoed, de geest van liefde en vreze des Heren, en deze vreze des Heren zal hij uitstralen. Hij zal geen oordeel vellen naar uiterlijke schijn, geen uitspraak doen op grond van geruchten. De kleinen zal hij recht verschaffen, een eerlijk vonnis spreken over de geringste der aarde, maar de uitbuiter zal hij striemen met de gesel van zijn mond, en de boosdoener doden met de adem van zijn lippen. Gerechtigheid wordt de gordel om zijn heupen, onkreukbaarheid de band om zijn lenden. Dan huist de wolf bij het lam, vlijt de panter zich neer naast het geitje, grazen te zamen het kalf en het leeuwenjong, een kleuter kan ze weiden! Koe en berin hebben vriendschap gesloten, hun jongen liggen naast elkaar, en de leeuw vreet hooi met het rund. De zuigeling speelt bij het hol van de adder, en het kleine kind steekt zijn handje in het nest van de slang! Dan zondigt niemand meer, doet niemand meer kwaad op heel mijn heilige berg, maar zal de gehele aarde vervuld zijn met liefde tot God, zoals de zeebodem bedolven is onder het water. Op die dag zal de wortel van Isaï opgericht staan als banier voor de volken: alle naties zullen naar hem toestromen. En zijn troon zal luisterrijk zijn!

Tussenzang: Ps. 72

Refrein: Rechtvaardigheid zal in zijn dagen ontbloeien en welvaart alom tot het einde der maanden.

Mijn God, verleen de koning uw wijsheid, de koningszoon uw rechtvaardigheid.

Hij moge uw volk rechtvaardig besturen, uw armen met billijkheid.

Rechtvaardigheid zal in zijn dagen ontbloeien en welvaart alom tot het einde der maanden.

Regeren zal hij van zee tot zee, vanaf de Rivier tot de grens van de aarde.

De arme die steun vraagt zal hij bevrijden, de ongelukkige zonder hulp.

Hij zal zich ontfermen over misdeelden, de zwakken schenkt hij weer levensmoed.

Achtergrond van de tweede lezing: (Romeinen 15: 4-9)

Paulus verwijst met de uitdrukking: “alles wat eertijds werd opgeschreven”, naar de geschriften van de Hebreeuwse Bijbel, dat wat wij het Oude testament noemen. Hij geeft aan dat kennis van het Oude Testament nodig is om het evangelie van Christus goed te kunnen begrijpen. Denken we bijvoorbeeld aan de beloften aan de aartsvaders, dat uit hen vele volkeren zouden voortkomen en dat zij door hun trouwe geloof veel zegen zouden brengen over de volkeren. Denken we ook aan de beloften van de komende Messias, aan de profetieën over een lijdende Dienaar des Heren, en aan zovele andere profetische teksten van het Oude Testament die tot vervulling zijn gekomen in Jezus. Paulus roept tenslotte de lezers op tot geloof en hoop, maar ook tot goedheid naar hun medemensen. Hierdoor zullen ze dicht bij de Heer blijven en deelgenoten zijn van de verlossing die Jezus brengt.

Tweede lezing: Romeinen 15: 4-9

Broeders en zusters, alles wat eertijds werd opgeschreven, werd opgetekend tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven. God, die de volharding en de vertroosting schenkt, verlene u ook eensgezindheid in de geest van Christus Jezus, opdat gij één van hart en uit één mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken. Aanvaardt daarom elkander als leden van één gemeenschap, zoals ook Christus ons in zijn gemeenschap heeft opgenomen, ter ere Gods. Ik bedoel dit: terwille van Gods trouw is Christus dienaar geweest van het Joodse volk, om de beloften aan de aartsvaders waar te maken; maar de heidenen moeten God verheerlijken om zijn erbarming, volgens het woord van de Schrift: “Daarom zal ik U loven onder de heidenen en uw naam met psalmen prijzen”.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Mattheüs 3: 1-12)

We zijn nu begonnen met het liturgisch jaar A, waarin we voornamelijk uit het evangelie volgens Mattheüs zullen lezen. Hij verwoordt de prediking van Johannes de Doper als volgt: “Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij”. Mattheüs schreef in Israël zelf, en wel voornamelijk voor Joodse lezers. Hij volgde daarom de Joodse traditie om uit gelovige eerbied te vermijden om de naam ‘God” vaak uit te spreken, zodat het woord “God” nooit een alledaags iets zou worden. Daarom vinden we in het evangelie dat Mattheüs opschreef, telkens de uitdrukking “het Rijk der hemelen”, waarmee Mattheus hetzelfde bedoelde als wat Marcus en Lucas het “Rijk van God” noemen. Het Rijk Gods, oftewel het Rijk der hemelen in het Mattheusevangelie, verwijst naar een realiteit die geheel op God gericht is, een wereld doortrokken van Gods genade, waarbij de tegenkrachten van het kwaad geheel overwonnen zijn. Johannes de Doper riep zo alle mensen van zijn samenleving op tot een radicale verandering in hun leven omdat zij alleen dan werkelijk deel zullen zijn van het Rijk Gods dat de Messias zal brengen.

Evangelie: Mattheüs 3: 1-12

In die tijd trad Johannes de Doper op en predikte in de woestijn van Judea: “Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij”. Deze toch is het die de profeet Jesaja bedoelde, toen hij zei: “Een stem van iemand die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht”. Johannes nu droeg een kleed van kameelhaar en een leren gordel om zijn lenden. Zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing. Toen trok Jeruzalem, Judea en heel de Jordaanstreek naar hem uit en zij lieten zich door hem dopen in de rivier, de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. Maar toen hij vele Farizeeën en Sadduceeën zag komen om gedoopt te worden, sprak hij tot hen: “Adderengebroed, wie heeft u voorgespiegeld, dat ge de dreigende toorn kunt ontvluchten? Brengt liever vruchten voort die passen bij bekering, en neemt niet een houding aan alsof ge bij uzelf zegt: Wij hebben Abraham tot vader! Waarachtig, ik zeg u, dat God de macht bezit voor Abraham uit deze stenen kinderen te verwekken! Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen. Elke boom dus die geen goede vrucht draagt, wordt omgekapt en in het vuur geworpen. Ik doop u met water, opdat ge u zoudt bekeren. Maar Hij die na mij komt, is sterker dan ik, en ik ben niet waardig Hem van zijn sandalen te ontdoen. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. De wan heeft Hij in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren; zijn tarwe zal Hij in de schuur verzamelen, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur”.

Overweging:

De adventstijd is onlosmakelijk verbonden met de figuur van Johannes de Doper. De evangelist Matteüs legt veel nadruk op zijn prediking. Er was vierhonderd jaar geen profeet meer geweest in Israël en toch had hij al snel groot gezag onder grote delen van de bevolking als een krachtige profeet. Johannes droeg kleren zoals verschillende van de profeten van vroegere tijden dat hadden gedaan: sobere kleren van stof geweven van grof kameelhaar, samengehouden door een leren riem. Johannes leefde sober van wat er beschikbaar was in de woestijn: wilde honing en geroosterde sprinkhanen. Hij richtte zich op gebed en op het Woord van God.

Vele Joden leefden in de verwachting dat de profeet Elia zou terugkeren vóór de komst van de Messias. Heel bekend was de profetie van Maleachi 3: 23-24: ”Voordat de dag van de HEER aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur ik jullie de profeet Elia, en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders”.  Johannes de Doper riep bij velen de gedachte op aan de profeet Elia en aan die oude profetie. En Jezus heeft zelf deze rol van Johannes de Doper eens bevestigd toen Hij zei: “Ik zeg u dat Elia al is gekomen” (Mt 17:12 ).

De boodschap van Johannes de Doper kon steeds weer zo worden samengevat: “Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij” (vs. 2). Bekering, in de griekse tekst van de evangelies “metanoia”, betekent: “van gedachten/van hart veranderen”. Het gaat om een verandering van richting in je wijze van leven en een hernieuwde toewijding aan de waarden en normen die God ons voorhoudt.

Johannes nam geen blad voor de mond. Gewone mensen, maar ook vooraanstaanden en machtigen riep hij met krachtige woorden op tot geloof en een eerlijk leven. Zonder enig compromis riep Johannes op tot een oprechte manier van leven, gecombineerd met vrijgevigheid en liefde. Hij drong er bij de belastingontvangers, de tollenaars, op aan te stoppen met het innen van meer dan de voorgeschreven belastingen om zichzelf onrechtvaardig te verrijken. En tegen de soldaten zei hij zonder enige mooie verzachtende woorden, dat als ze niet onder Gods straf wilden komen, ze moesten stoppen met mensen te intimideren om ze geld af te persen, maar dat ze zich vanaf nu als eerlijke mensen moesten houden aan hun salaris als militair.

Het doopsel van Johannes was een uiterlijke uitdrukking van berouw: door het onderdompelen in het water vroeg je God om je te zuiveren, om opnieuw te beginnen in het leven in verbondenheid met Hem en met alles waar God voor staat. Johannes liet iedereen wel heel duidelijk weten dat hij niet openstond voor mooie uiterlijke schijn: wie zich door hem wilde laten dopen moest een oprechte bekering nastreven die concreet zich moest uiten in hernieuwde eerlijkheid, in geloof en dienstbaarheid aan anderen. Alleen op deze manier, zo benadrukte hij steeds weer, zouden mensen gereed zijn voor de komst van de Messias die een nieuwe realiteit van vergeving, genezing en verlossing zou brengen.

Welke betekenis heeft Johannes de Doper voor ons, voor onze tijd? Hij herinnert ons eraan dat we ons moeten voorbereiden op de komst van Christus door Hem als het ware geboren doen worden in ons denken, in ons dagelijks handelen op het werk, in het gezin en in de familie, in de samenleving en in hoe wij omgaan met de medemensen rondom ons. De Engelse schrijver Alexander Pope heeft het in de 18e eeuw prachtig gezegd: “Wat baat het mij als Jezus in duizenden kribben over de hele wereld opnieuw geboren wordt, maar niet herboren wordt in mijn hart?” Hij bedoelde dat we niet onvoorbereid en oppervlakkig kerst moeten vieren, maar er oprecht naar moeten streven dat Jezus geboren wordt in onze manier van leven, in onze liefde en vriendelijkheid jegens de mensen waarmee wij leven en werken. Jezus moet ook geboren worden in onze afkeer van corruptie en oneerlijkheid, zoals we dat ook heel helder zien bij Johannes de Doper.

Ook herinnert Johannes de Doper ons eraan dat hoop zichtbaar moet worden in daden. Johannes predikt niet zomaar hoop; hij vraagt om concrete keuzes. Zijn oproep tot bekering is realistisch: wie werkelijk hoopt op Gods komst, verandert de richting van zijn leven. In een wereld die hunkert naar geloofwaardigheid — in politiek, in sociale verantwoordelijkheid, in gemeenschappen — komt Johannes met een boodschap die weliswaar al meer dan 2000 jaar oud is, maar ongelooflijk actueel: hoop wordt pas echt wanneer zij handen en voeten krijgt. Wanneer we recht doen. Wanneer we delen. Wanneer we zorg dragen voor wie kwetsbaar is. Wanneer we eerlijk leven, ook als niemand kijkt.

Johannes leert ons dat geloof geen vrijblijvende overtuiging is, maar dat geloof een levensstijl is die wij zien in Jezus. En juist in onze tijd, waarin veel mensen zoeken naar echtheid en naar een kompas, heeft Johannes’ verwijzing naar Jezus en zijn oproep tot bekering, meer dan ooit kracht.

Johannes de Doper gaat ons voor in de Advent. Hij bereidt ons niet alleen voor op het feest van de komst van Christus in de stal van Bethlehem, maar ook op Zijn komst in ons hart. Hij herinnert ons eraan dat dit moet gebeuren in onze keuzes, in onze levensstijl. Laten we nadenken over wat Johannes te zeggen heeft: als een uitnodiging tot eenvoud, tot eerlijkheid en tot concrete liefde. Zodra de Heer werkelijk ruimte vindt om in ons geboren te worden, zullen wij waarlijk kerstmis kunnen vieren.



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Plaats een reactie