Commentaar op de Lezingen van de 1e Zondag van de Advent  (Jaar A) door pater Esteban Kross

Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 2: 1-5)

De profeet Jesaja gebruikte de inspirerende beeldspraak om zwaarden en speren,  instrumenten van oorlogvoeren en geweld, om te smeden tot gereedschappen van de landbouw. Ploegijzers en sikkels zijn gereedschap waarmee mensen voedsel en welzijn kunnen opbouwen. Deze beeldspraak wilt ons aan het begin van de adventstijd oproepen tot bezinning en zelf-reflectie om te willen groeien in een vredige innerlijke levenshouding.

Eerste lezing: Jesaja 2: 1-5

Visioen van Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem. Op het einde der dagen zal de berg waarop de tempel van de Heer staat, oprijzen boven alle bergen en uitsteken boven alle heuvels. Alle volkeren zullen erheen stromen en talloze naties erheen trekken. Zij zullen zeggen: “Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn paden bewandelen. Want uit Sion komt de Wet, het Woord van de Heer uit Jeruzalem. Oordelen zal Hij de volkeren, rechtspreken over de talloze naties. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander, en niemand zal nog leren oorlog voeren. Huis van Jakob, kom, Iaat ons wandelen in het licht van de Heer.”

Tussenzang: Ps. 122

Refrein: Hoe blij was ik, toen men mij riep: wij trekken naar Gods huis!

Hoe blij was ik, toen men mij riep: wij trekken naar Gods huis !

Nu mag mijn voet, Jeruzalem, uw poorten binnentreden.

Jeruzalem, ommuurde stad, zo dicht opeengebouwd:

Naar U trekken de stammen op, de stammen van Gods volk.

Terwille van mijn broeders en mijn makkers wens ik u vrede toe;

Terwille van het Huis van onze God, bid ik voor u om zegen.

Achtergrond van de tweede lezing: (Romeinen 13: 11-14)

In de advent is een belangrijk thema dat van waakzaamheid: dat wil zeggen oplettend en bewust in het leven staan. Waakzaamheid betekent om niet oppervlakkig te leven maar om juist met gelovige overtuiging te proberen de belangrijke idealen en waarden van het evangelie waar te maken in het dagelijks leven. De Kerk heeft daarom als tweede lezing woorden gekozen van Paulus uit zijn brief aan de kerkgemeenschap van Rome. Het grote Rome van die tijd was bekend om de decadente levensstijl van vele rijke en minder rijke Romeinen. Er waren vele Romeinen die er een leven op na hielden van oppervlakkige pleziertjes, van wilde feesten, van veel drinken, veel wereldse uitspattingen en materialisme. Paulus roept daarom de Christenen in deze turbulente stad op om heel bewuste keuzen te maken: om waakzaam te zijn naar zichzelf en de mede-Christenen toe. Want Christus is een Heer van standvastige waarden en normen, van waarheid, oprechtheid en liefde.

Tweede lezing: Romeinen 13: 11-14

Broeders en zusters, gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. Thans is ons heil dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. Laten wij ons behoorlijk gedragen als op klaarlichte dag, en ons onthouden van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jezus Christus en koestert geen zondige begeerten meer.

Achtergrond van de evangelielezing:  (Mattheüs 24: 37-44)

Op de eerste zondag van de advent, kijkt de Kerk in haar liturgie nog niet zozeer naar de verwachting van die eerste komst van Christus, tweeduizend jaar geleden, toen Gods Zoon in de stal van Bethlehem geboren werd na eeuwen van aankondiging door de profeten. Nee, op de eerste zondag van de advent richt de liturgie zich altijd op de tweede komst van Christus. Hij zal eens wederkomen in heerlijkheid en zal oordelen over de levenden en de doden. Zo zal Hij de verlossing voltooien. Wanneer Zijn tweede komst zal zijn weet niemand: noch Zijn wederkomst voor ons persoonlijke leven bij onze dood , noch voor het einde der wereld. Daarom roept Christus ons op tot waakzaamheid en geloof.

Evangelie: Mattheüs 24: 37-44

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Zoals de mensen in de dagen voor de zondvloed doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, tot op de dag waarop Noach de ark binnenging, en zij niets vermoedden totdat de zondvloed kwam en allen wegrukte: zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten: twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten. Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt. Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen, zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht.”

Overweging:

Er zijn van die momenten in een mensenleven waarop we plotseling beseffen dat we onderweg zijn, dat we zelf niet “af” zijn, maar in beweging, in groei. Soms gebeurt dat na een crisis, soms in een onverwachte stilte, soms gewoon omdat we eerlijk durven kijken naar onszelf. En dan herkennen we het: mijn leven, mijn geloof, mijn karakter: het is allemaal “werk in uitvoering”. We constateren dat dan niet als een verwijt, maar als een waarheid die ruimte geeft. Want wat in uitvoering is, is nog lang niet opgegeven. En wat in uitvoering is, is in handen van de Meester.

Paulus spreekt precies tot dat innerlijke bewustzijn wanneer hij schrijft: “Jullie weten dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken.” Het is alsof hij ons zachtjes maar dringend bij de schouder neemt en zegt: “Word wakker, dit is het moment. Niet morgen, niet wanneer je agenda rustiger is, niet wanneer er minder problemen zijn. Nu!”

Waarom? Omdat God nabij is. Omdat het heil dichterbij is dan toen wij tot het geloof kwamen. Omdat wij geroepen worden tot een leven dat steeds meer in het licht staat.

En dan klinkt die zin, bijna als een refrein dat zich in ons hart nestelt: “De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan.” Paulus herinnert ons eraan dat de wereld waarin wij leven, hoe donker of verward zij soms ook lijkt, niet omsloten wordt door de nacht, maar door de komst van het licht van Christus. Dit zijn niet zomaar vrome troostrijke woorden: dit is een diepe geloofsrealiteit. De dag breekt aan: dat betekent dat het licht reeds aan het doorbreken is, dat Christus al Zijn werk in ons begonnen is, en dat hoop niet iets voor morgen is maar een kracht voor vandaag.

Toch weten we dat het leven niet vanzelf beter wordt. Vaak is het geloof geen spontane heldere dag, maar is het geloof eerder een bewuste keuze om het licht binnen te laten. En dat begint bij de vraag waar wij onze prioriteit leggen. We krijgen allemaal evenveel tijd: vierentwintig uur per dag. Maar wat we met die tijd doen, wat we ermee willen, dat maakt het verschil tussen leven op de automatische piloot en leven vanuit Gods licht. Paulus nodigt ons uit om met helderheid en discipline te kiezen voor het goede, voor het ware, het schone. Om het geloof prioriteit te geven in wat we doen met onze tijd en onze talenten.

Want wanneer geloof slechts een hoekje van ons leven krijgt, blijft de rest in het schemerlicht. Maar wanneer geloof het raam wordt waardoor al het andere in ons leven licht ontvangt — ons werk, onze relaties, onze keuzes — dan verandert ons hele leven van toon. Hoop begint niet bij grote wonderen, maar bij de keuze om het licht te zoeken.

Paulus zegt: “Laten wij ons ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht.” Het klinkt alsof hij vraagt onze oude kleren van ons af te schudden. Wat zijn die “werken van de duisternis”? Natuurlijk noemt hij concreet bepaalde zonden, maar vaak zijn de subtielere vormen van duisternis minstens zo gevaarlijk: verstrooidheid, innerlijke hardheid, verwaarlozing van onze ziel, voortdurende haast, het vergeten van wie we willen zijn. Soms doen we niets “kwaads”, maar verliezen we het beste van onszelf uit het oog.

Daarom is er een diepe, onmisbare band tussen spiritualiteit en zelfvorming. We kunnen niet werken aan ons karakter, aan onze innerlijke vrijheid, aan onze liefdevolle omgang met anderen, als we geen ruimte maken voor stilte en reflectie. Stilte is de werkplaats van de Heilige Geest. Reflectie is het kompas waarmee we de koers van ons leven corrigeren. En gebed is de plaats waar God onze vastgelopen randen verzacht en ons hart opent voor zijn licht.

In een wereld vol geluid, haast en prikkels is stilte bijna een vorm van verzet. Het is kiezen voor het licht, kiezen om te luisteren. In die momenten van stilte worden kleine hernieuwde prioriteiten in ons geboren: een duidelijker inzicht, een nieuwe mildheid, een stap die we al lang moesten zetten maar uitstelden. Daar wordt de hoop gevoed. Daar horen we opnieuw: “De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan.” In die woorden ademt de kracht die ons uitnodigt om niet alleen te geloven dat het licht bestaat, maar er ook naar te leven.

En ‘leven naar het licht’ betekent dat we het toelaten in onze concrete keuzes. Dat we onze talenten niet alleen inzetten om te presteren, maar om te dienen. Dat we onze tijd niet alleen vullen, maar heiligen. Dat we onze relaties niet alleen onderhouden, maar verdiepen. Dat we ons karakter niet overlaten aan toevalligheden, maar actief laten vormen door Christus.

Paulus zegt: “Bekleedt u met de Heer Jezus Christus.” Ik vind dat een heel rijk beeld. Zoals kleding bepaalt hoe je je voelt en hoe je gezien wordt, zo wil Christus ons omhullen, ons bewegen en ons herkenbaar maken als mensen van het licht. Ons bekleden met Christus betekent dat Zijn gezindheid onze gezindheid wordt: Zijn zachtmoedigheid, Zijn trouw, Zijn manier van zien. Het is groeien in de gestalte van Christus, niet door krampachtig te proberen Hem te imiteren, maar door open te staan voor de Geest die ons in stilte omvormt.

Paulus vraagt ons niet om volmaakt te zijn. Wat hij ons vraagt is om wakker te zijn. Hij vraagt ons niet om in één keer alles te veranderen, maar om onze prioriteiten te richten op het licht. Hij vraagt ons niet om te leven zonder gebreken, maar om te leven vanuit hoop. Want hoop is geen optimisme: het is vertrouwen dat God bezig is en dat wij “werk in uitvoering” mogen zijn zonder schaamte. Dat onze onvoltooidheid niet het einde is maar het begin van Gods werk in ons.

Misschien zijn er delen van ons leven waarvan we denken: “Hier is het nog nacht. Hier is het donker.” Misschien zijn er patronen waarvan we moeilijk loskomen, karaktertrekken die hardnekkig blijven, wonden die nog niet geheeld zijn. Maar juist daar klinken die woorden van vandaag: “de nacht loopt ten einde”. Het duister heeft geen blijvende macht over wie zich aan Christus toevertrouwen. En de dag breekt al aan — niet straks, niet pas wanneer wij volmaakt zijn, maar nu: in onze stappen, in onze keuzes, in onze wil om God toe te laten.

Laat ons daarom mensen zijn die bewust leven in het licht. Die hun dagen niet laten bepalen door haast of door zorg, maar door het verlangen Christus te volgen. Mensen die hun talenten inzetten tot Gods eer. Die de stilte zoeken omdat zij weten dat daar de bron ligt. Die hun onvolkomenheden niet vrezen, maar plaatsen in de handen van Hem die alles nieuw maakt.

En laat ons telkens opnieuw dat refrein bewaren in ons hart, als een zachte maar krachtige herinnering: “De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan.” Moge dat licht ons leiden, ons vormen, en ons geleiden naar de volheid van leven die God ons wil schenken. Amen.



Categorieën:geloof en leven

Tags: ,

Plaats een reactie