(Jaar B) door pater Esteban Kross
Achtergrond van de eerste lezing (Jesaja 40: 1-5, 9-11)
In een van de meest traumatische perioden in de geschiedenis van Israël, toen het land, Jeruzalem en de tempel geplunderd en verwoest waren door de legers van de Babyloniërs en het overgrote deel van de Israëlieten al vele jaren in armoede en onderdrukking leefden in hun ballingschap in het verre Babylon, doet God een profeet opstaan. Gods Geest doet deze profeet woorden spreken van verlossing en nieuwe hoop. Deze ramp hadden de Israëlieten weliswaar over zichzelf gebracht door hun ontrouw aan Gods wegen, maar God blijft zich altijd over Zijn volk ontfermen en kondigt verlossing aan: in de nabije toekomst brengt Hij voor Israël verlossing uit hun ballingschap en eeuwen later voor heel de mensheid verlossing door de geboorte, het kruis en de verrijzenis van Zijn Zoon.
Eerste lezing: Jesaja 40: 1-5, 9-11
Troost, troost toch mijn Stad, – zegt uw God -, Spreek Jeruzalem moed in. Roep haar toe dat haar straftijd voorbij is, dat haar ongerechtigheid vergeven is, dat zij van Gods hand haar zonden dubbel betaald heeft gekregen. Een stem roept: Baan de Heer een weg in de steppe, effen voor onze God een weg in de woestijn, elk dal moet gevuld, elke berg en heuvel geslecht worden, alle oneffenheden moeten vlak, de rotsmassa’s een vallei worden. En verschijnen zal de glorie des Heren en alle vlees zal daarvan getuige zijn: De mond des Heren heeft het gezegd! Beklim de hoogste berg, gij Sion, vreugdebode. Verhef krachtig uw stem, Jeruzalem, vreugdegezant. Verkondig het luide, ken geen vrees. Roep tot de steden van Juda: Uw God is op komst! Zie, God de Heer komt met kracht, Zijn arm voert de heerschappij; Zijn loon komt met Hem mee, Zijn beloning gaat voor Hem uit. Als een herder zal Hij zijn schapen weiden, in zijn armen ze samenbrengen, de lammeren dragen tegen zijn boezem, de schapen met zachte hand geleiden.
Tussenzang: Ps. 85
Refrein: LAAT ONS UW BARMHARTIGHEID ZIEN: GEEF ONS UW HEIL, O HEER!
1. Aanhoren zal ik wat God tot mij zegt,
voorzeker een woord van verzoening.
Zijn heil is nabij voor hen die Hem vrezen,
Zijn glorie komt weer bij ons wonen.
2. Als trouw en erbarmen elkaar tegemoet gaan,
als vrede en recht elkander omhelzen:
dan zal de trouw uit de aarde ontspruiten,
en ziet uit de Hemel gerechtigheid neer.
3. Dan zal de Heer ons Zijn zegen schenken
en draagt ons land weer rijke vrucht.
Dan zal voor Hem uit gerechtigheid gaan
en voorspoed zijn schreden volgen.
Achtergrond van de tweede lezing: (2 Petrus 3: 8-14)
De tweede lezing richt zich op de wederkomst van Christus in heerlijkheid, dat het einde der tijden zal betekenen. Waar de eerste generatie Christenen die wederkomst nog in hun eigen leven hadden verwacht, openbaart deze bijbelse tekst de onpeilbare wijsheid van God in het bepalen wanneer de wederkomst en het einde zullen plaatsvinden. Wat vanuit onze menselijke ogen langzaam lijkt te gaan, is vanuit God gezien een barmhartig geduld van God met de wereld. Want God wilt dat niemand verloren zou gaan, dat zoveel mogelijk mensen gewonnen kunnen worden om hun hart af te keren van de zonde en zich te keren tot de verlossing die God ons brengt in Christus.
Tweede lezing: 2 Petrus 3: 8-14
Vrienden, één ding mag u niet ontgaan: voor de Heer is een dag als duizend jaren en duizend jaren als een dag. De Heer talmt niet met zijn belofte zoals sommigen menen, maar Hij heeft geduld met u, daar Hij wil dat allen tot inkeer komen en dat niemand verloren gaat. Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Dan zullen de hemelen dreunend vergaan en de elementen zullen door vuur worden verteerd; en de aarde en de daden op aarde verricht, zullen zich bevinden voor Gods oordeel. Wanneer alles zo vergaat, hoe moet gij dan uitmunten door een heilig leven en innige vroomheid, de komst verwachtend en verhaastend van de dag Gods, waardoor de hemelen in vlammen zullen opgaan en de elementen zullen wegsmelten in de vuurgloed. Maar volgens Zijn belofte verwachten wij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen. In deze verwachting, geliefden, moet gij u beijveren onbevlekt en onberispelijk voor Hem te verschijnen, in vrede met God.
Achtergrond van de evangelielezing: (Marcus 1: 1-8)
De plechtige openingszin van het evangelie van Marcus, “Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de zoon van God”, is heel krachtig. Het geeft gelijk aan, dat we aan het begin staan van hele wezenlijke gebeurtenissen die te maken hebben met God en met Gods verlossende relatie met de wereld. Met de komst van Christus zal God Zijn schepping verlossen. Johannes de Doper is hiervan de grote aankondiger. Hij is Gods profeet die alle mensen oproept tot geloof en tot terugkeer tot Gods waarden en normen, om zo waarlijk voorbereid te zijn op de komst van Christus in ons hart en in ons leven.
Evangelie: Marcus 1: 1-8
Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de zoon van God. Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen; een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht. Zo trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden. Heel de landstreek Juda en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. Johannes ging gekleed in kameelhaar met een leren gordel om zijn lendenen; hij at sprinkhanen en wilde honing. Hij predikte: “Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.”
Overweging:
Lieve vrienden, vandaag wil ik de lezingen van deze tweede zondag van de advent overwegen vanuit het thema: “Welke bergen moet ik afvlakken en welke dalen moet ik helpen verhogen?”
Advent is een tijd van hoop, maar ook een tijd van bezinning. Tot twee maal toe, eerst in de eerste lezing en daarna geciteerd door de evangelist Marcus, hoorden we die grote profetie van Jesaja: ‘Effen voor onze God een weg in de woestijn: elk dal moet worden opgevuld, en elke berg en heuvel moet vlak worden gemaakt”. God sprak zo’n vijf eeuwen vóór Christus door de profeet Jesaja deze woorden van vergevende barmhartigheid, woorden van de hoop die God op het punt stond te brengen in de ellende van Zijn volk. De Israëlieten hadden weliswaar ernstig en langdurig tegen God gezondigd, maar de Heer blijkt altijd goddelijk mild te zijn voor de mens en zachtmoedig. En Hij schept steeds weer nieuwe kansen en hernieuwde hoop.
Vooral in deze adventstijd weerklinkt Gods Woord nog steeds met grote kracht en roept ons op tot persoonlijke bezinning. Ons leven kent geregeld andersoortige bergen dan die bergen in de woestijn van Jesaja’s tijd: namelijk de bergen van ons egoïsme, bergen van alleen met en voor jezelf leven, bergen van onverschilligheid, of bergen van oneerlijkheid. Dit soort bergen moeten worden neergehaald, moeten vlak worden gemaakt, voordat Gods Rijk en de Messias echt kunnen komen. Jesaja had het ook over dalen. Ook hier gaat het niet alleen over dalen in een woestijn, maar kan het ook gaan over onze dalen van onzekerheid, over diepe dalen van depressie, of van ziekte en tegenslag, of over dalen van het verliezen van hoop. Zulke dalen moeten verhoogd worden, zegt Jesaja.
Dit soort bergen en dalen kennen we allemaal: misschien uit eigen ervaring, of misschien omdat we om hulp gevraagd werden. En daarover zegt en herhaalt Jesaja: ‘Geef het niet op, want God is op komst. Als een Herder zal Hij Zijn schapen met zachte hand begeleiden.’
God brengt hoop en vrede, maar vraagt daarbij wel aan ons dat we een weg zouden banen in de steppe en in de woestijn van ons eigen leven en dat van anderen. Hij vraagt dus dat we om ons heen kijken, en meebouwen aan Zijn nieuwe schepping van liefde en vrede. Dat we niet alleen op onszelf gericht zouden zijn, zonder naar anderen om te zien. Want in de advent weerklinkt die stem van Johannes de Doper: ‘Bereid de weg van de Heer, maak Zijn paden recht’. En die weg van de Heer, dat is de weg die Jezus ons voorgaat. We kennen die weg, want wij zijn gedoopt met zijn Geest. En zijn Heilige Geest leert ons er te zijn voor anderen, te zoeken naar gerechtigheid en vrede, en leert ons zorg te hebben voor Gods schepping.
Niet voor niets begint Marcus zijn evangelie met een heel sterke openingszin: ‘Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de zoon van God’. En de Blijde Boodschap bestaat erin dat ze laat zien dat God in de persoon van Jezus onder ons is gekomen. Dat Hij ons in Christus nieuwe kansen, vergeving en eeuwig leven biedt. Het woord “begin” roept in gedachten de openingszin van de Bijbel, Genesis 1: “In het begin schiep God de hemel en de aarde”. De Blijde Boodschap is dat met de komst van Jezus, God Zijn schepping zal verlossen.
We zijn in de adventstijd. En advent, dat is groeien naar Jezus toe. Naar zijn woorden en daden. Naar wat Hij ons verkondigt en ons voorleeft. Toegroeien naar Hem, onze levende Heer, in het gebed en het God dankzeggen. Advent is er bewust van blijven dat Zijn komst niet alleen tweeduizend jaar geleden plaatsvond in de stal van Bethlehem, voor de mensen van toen, maar dat Gods Zoon leeft en er ook nu is voor armen en zieken, voor melaatsen en bedelaars, voor blinden en zondaars, voor alle mensen, arm of rijk, gelukkig of onder stress. Hij is er voor iedereen, maar vraagt ook aan iedereen er ook te zijn voor anderen. Door de bergen in ons denken en handelen, door de bergen in ons innerlijk, vergeten we dat geregeld. Maar gelukkig zijn wij gedoopt met de Heilige Geest, en daarom zal de Geest steeds weer in ons hart een verlangen doen groeien naar het oprechte, naar het zuivere, naar dat goede in ons, dat deels verloren of uit ons zicht raakte door onze tekorten en zonden.
De persoon van Johannes de Doper herinnert ons aan onze roeping tot geloof. In de advent worden we daar nog meer dan anders aan herinnerd. “Als een Herder zal God zijn schapen met zachte hand begeleiden”, hoorden we in de eerste lezing. Maar hoe kunnen mensen in nood, hoe kunnen zieke mensen of mensen die slechts met heel veel moeite de dagen aan elkaar kunnen knopen: hoe kunnen zulke mensen voelen dat God als een goede, meelevende Herder op komst is? Zouden wij niet Gods ogen, Zijn handen en Zijn hart moeten zijn?
Stel: als wijzelf in zware armoede, of in grote zorgen, of in bittere teleurstelling zouden leven: hoe moeilijk zou het dan voor ons worden om te geloven dat anderen gedoopt zijn met Jezus’ Geest als ze helemaal niet met ons zouden willen meeleven en niets voor ons zouden willen betekenen? Hoe zouden we dan nog geloven dat zij geleid worden door Jezus’ woorden en aanwezigheid? Zouden we dan niet in dat diepe dal blijven steken en misschien verbitterd worden? En dan ook daarnaar gaan leven?
Dit is dus waarom advent een tijd is van bezinning. Waar kan ik blijven groeien en werken aan mezelf, om dicht te komen staan bij Jezus die licht brengt in elke duisternis? Welke bergen moeten in mij wat worden afgevlakt, zodat ik een mens wordt door wie de Heer hoop kan brengen? Kan ik in deze advent iets meer momenten inbouwen van gebed? De lezingen van deze zondag weer herlezen? We zullen dan zien hoezeer het Woord een levende realiteit is: door het Woord geeft God telkens weer andere inzichten. Dan zal de advent een hele bijzondere tijd zijn van toeleven naar God, en daardoor een tijd van toeleven naar het feest van kerstmis, de komst in deze wereld van Hem die altijd zal worden aangeduid als “Vredevorst”.
Categorieën:geloof en leven
Plaats een reactie